In de eerste regel van zijn Motu Proprio, Ubicumque et Semper, waarmee de Pauselijke Raad voor de Bevordering van de Nieuwe Evangelisatie officieel werd opgericht, richt Paus Benedictus XVI de aandacht van ieder op de persoon van Jezus Christus.

“De Kerk heeft de plicht altijd en overal het evangelie van Jezus Christus te verkondigen. Hij, de eerste en hoogste evangelisator, gaf op de dag van zijn opgaan naar de Vader zijn apostelen de opdracht: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en leert hen te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb” (Mat. 28,19-20).”

Dit begin benadrukt zowel de noodzaak om Jezus Christus in het hart van de nieuwe evangelisatie te plaatsen en het belang om te herkennen dat het geloof dat ontvangen is van de apostelen en dat gepredikt moet worden namelijk de persoon van Jezus Christus is. De heilige schrijver van de Brief aan de Hebreeën gebruikt een beknopte en beslissende uitdrukking, met de bedoeling om geen ruimte te laten voor twijfel in zijn lezers, dat Jezus Christus de volldige, eeuwige en beslissende Openbaring van God is: “Jezus Christus is dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid” (Heb. 13:8). Gebasseerd op deze krachtige woorden moeten we steeds blijven herkennen dat er geen ruimte is voor aarzeling, apathie, en nog minder voor enige vorm van neutraliteit in ons geloofsleven. In deze drie bijwoorden vinden we de vaste basis van de openbaring van Jezus: hij is de “hoeksteen” (Matt. 21:42), “de rots” (Matt. 7:24-25), de fundering waarop we ons persoonlijk leven moeten bouwen. Dat was hij ‘gisteren’, dat wil zeggen in de tijd toen mensen tot het geloof in hem kwamen; hij is het “vandaag” als zijn woord wordt verkondigt en het mysterie van zijn dood en verrijzenis wordt gevierd; en dat zal hij “tot in eeuwigheid” zijn, tot aan het einde der tijden. Samengevat: Christus is altijd dezelfde. Daarnaast voegt de heiige auteut iets hee belangrijks toe in het volgende vers: “Laat u niet van de wijs brengen door allerlei vreemde theorieën. Wij steunen terecht op Gods genade” (v. 9). Het is alsof de heilige auteur in staat is geweest om vooruit te kijken, voorbij zijn eigen tijd – die niet minder moeilijk was – en zijn blik gevestigd had op de toekomst van de gelovigen, wanneer andere filosofieën en ideologieën de stabiliteit en integriteit van het geloof zouden blijven aanvallen. Er is niets nieuws aan dit gezichtspunt.

Een blik op de brieven in het Nieuwe Testament bevestigd deze bezorgdheid alleen maar. Paulus nodigt zijn mensen meerdere keren uit om zich niet door de wind van verschillende doctrines mee te laten voeren (Ef. 4:4), zich niet te laten onderwerpen aan voorschriften en “menselijke leringen”  (Kol. 2:22), en maant ons te waken voor “demonische leringen” (1 Tim. 4:1) en degenen die een “ander evangelie” verkondigen, anders dan dat van hem (Gal 1:7-9). Petrus spreekt eveneens over “valse profeten” (2 Pet. 2:1), en Johannes voegt hier “veel bedriegers” aan toe (2 Joh 1:7).   Misschien is het laatste de vorm waar we tegenwoordig het meest waakzaam voor moeten zijn, de verleiding van predikers die, met gebrek aan de nodige intellectuele vorming, zich zonder ophouden richten op de snaren van het sentiment, en een utopie presenteren die, hoewel het elke vorm van geluk omvat, mensen in een nog grotere eenzaamheid achterlaat. De klanken van de sirenen zijn niet een mythe uit oude tijden; helaas, het is de aantrekkelijke vleierij van onze eigen tijd. Was in onze oren stoppen maakt dingen misschien makkelijker en laat alles in een veilige wereld van illusies. De kracht van Odysseus en onszelf aan de mast vastbinden is niet aan de meeste mensen gegeven; en toch is het de overwinnende strategie die voorkomt dat we tussen Scylla and Charybdis terecht komen.

Om te voorkomen dat we toegeven aan de aantrekkingskracht van de vele “menselijke leringen” die zich voordoen beter te zijn dan de leringen van het geloof, is het absoluut noodzakelijk dat we ons bewust zijn van het feit dat we ons aan het einde van een tijdperk bevinden dat, ten goede of kwade, onze geschiedenis bijna zes eeuwen lang heeft gekenmerkt en dat we het nieuwe tijdperk dat aan de horizon verschijnt serieus moeten nemen.  We weten niet wat zeker wat deze periode inhoudt. Wat op dit moment met zekerheid kan worden vastegesteld zijn slechts enkele aanwijzingen die ons richten op een nieuwe periode. Op dit moment is het moeilijk te zeggen wie de hoofdrolspelers van deze periode zullen zijn. Wat ik belangrijk vind, in een overgangsperiode als deze, is dat de Kerk haar verantwoordelijkheid erkent om de taak op zich te nemen om een levend erfgoed van cultuur en van waarden die niet in de vergetelheid mogen raken door te geven. Als dat zou gebeuren zullen de gevolgen schadelijk zijn voor de beschaving die mensen op willen bouwen. Deze zou blind en lam worden geboren. Het zou niet in staat zijn om vooruit te kijken naar de toekomst en evenmin in staat zijn deze op te bouwen. Alleen een levende traditie, die het erfgoed dat in de loop der eeuwen is opgebouwd kan onderhouden en versterken, kan een authenieke toekomst garanderen. Dit zal niet de eerste keer zijn dat de Kerk deze taak op zich heeft genomen. Onze geschiedenis biedt bewijs van de rol die zij in tijden van culturele crisis en grote verandering heeft kunnen spelen.

In zowel de Schrift als de Traditie zien we dat de weg van de nieuwe evangelisatie is aangegeven: we zijn geroepen om de verkondiging van Jezus Christus, van het mysterie van zijn dood en verrijzenis, te hernieuwen, om mensen wederom aan te zetten om geloof in hem te hebben door middel van een levensbekering. Als onze ogen nog steeds in waren om in de diepten te kijken van de gebeurtenissen die de levens van onze tijdgenoten tekenen, dan zou het gemakkelijk zijn om te laten zien hoezeer deze boodschap nog altijd een plek van speciaal belang heeft. Daarom moeten we onze bezinning richten op de betekenis van leven en dood, en van leven na de dood; in het stellen van zulke vragen, die het bestaan van mensen aangaan en hun persoonlijke identiteit bepalen, kan Jezus Christus geen buitenstaander zijn. Als de verkondiging van de nieuwe evangelisatie haar kracht niet haalt uit het element van mysterie die het leven omvat en die ons verbindt met het oneindige mysterie van de God van Jezus Christus, zal het niet effectief genoeg zijn om het antword van het geloof op te wekken. Vanuit dit gezichtspunt geeft Gaudium et spes een weg aan die het waard is gevolgd te worden:

“In werkelijkheid vindt het mysterie van de mens alleen klaarheid in het licht van het mysterie van het mensgeworden Woord … Christus, de nieuwe Adam, doet, juist door het geheim van de Vader en zijn liefde te openbaren, de mens volledig zien, wie de mens is, en onthult hem zijn hoogverheven roeping… door zijn menswording heeft Hij, de Zoon Gods, zich in zekere zin verenigd met iedere mens. Met menselijke handen heeft Hij gewerkt, met een menselijke geest heeft Hij gedacht, met een menselijke wil heeft Hij gehandeld, met een menselijk hart heeft Hij liefgehad. Door zijn geboorte uit de Maagd Maria is Hij werkelijk een van de onzen geworden, in alles aan ons gelijk, behalve in de zonde. Als het onschuldig Lam heeft Hij, door in volle vrijheid zijn Bloed te vergieten, voor ons het leven verdiend, en in Hem heeft God ons verzoend met zich zelf en met elkaar en ons ontrukt aan de slavernij van de duivel en de zonde. Zo kan ieder van ons met de apostel zeggen: De Zoon Gods „heeft mij liefgehad en zichzelf voor mij overgeleverd” (Gal. 2, 20). Door voor ons te lijden heeft Hij ons niet alleen een voorbeeld gegeven, opdat wij zijn voetstappen zouden volgen maar heeft Hij ook voor ons de weg geopend, waarlangs het leven en de dood worden geheiligd en een nieuwe zin krijgen”(GS, no. 22).

In het licht van deze tekst die, in sommige aspecten, een nieuwe anthropologie voor onze tijd omschrijft, binnen het rimaatschap van het mysterie, worden nieuwe horizonten zichtbaar vor het pastorale handelen van de Kerk. Een eerste weg is die van de constante zoektocht naar het gelaat van God en het is precies deze zoektocht waartoe het Jaar van het Geloof de harten en geesten van allen wil inspireren.

Maar, voor een verdere discussie over het Jaar van het Geloof, is het noodzakelijk om, vanuit een uniek perspectief, de huidige crisis waarin de maatschappij zich bevindt te onderzoeken; die aangaande haar verbinding met de Godsvraag. De nieuwe evangelisatie mag er niet van uitgaan dat deze vraag buiten haar bereik light. In tegenstelling tot het verleden staan we vandaag niet tegenover grote atheïstische systemen, als deze al ooit groot waren; daarom moet Godsvraag anders benaderd worden. God wordt vandaag niet ontkent, maar is onbekend. In sommige opzichten kan gezegd worden dat, paradoxaal genoeg, de interesse in God en in religie is toegenomen. Wat ik desondanks opmerk is de sterke gevoelsmatige bijklank en afnemende religie in het meervoud; er is geen interesse in een religie en nog minder voor het onderwerp van de ‘ware religie'; wat er toe lijkt te doen is, veeleer, religieuze ervaringen. Mensen zoeken naar verschillende vormen van religie, gekozen door iedereen die datgene aanneemt wat hen aanstaat, dat wil zeggen, voor zichzelf die religieuze ervaring waarborgen die zij het meest bevredigend vinden op basis van hun interessen en noden op dat moment. Hieraan moet worden toegevoegd dat, met name voor de jongere generaties, hun begripshorizon gekenmerkt wordt door een mentaliteit die sterk beïnvloed is door wetenschappelijk onderzoek en technologie. Deze prestaties hebben, helaas, al de overhand, zelfs als het de basiselementen van grammatica en cultuur in het algemeen betreft. De nieuwe evangelisatie vereist daarom de bekwaamheid te weten hoe we een uitleg kunnen geven van ons eigen geloof, en Jezus Christus, de Zoon van God, de enige verlosser van de mensheid, kunnen laten zien. Voor zover we hiertoe in staat, zullen we onze tijdgenoten het antwoord kunnen geven dat zij verwachten. De nieuwe evangelisatie begint wederom vanaf dit punt, van de overtuiging dat de genade in ons werkt en ons verandert tot aan een bekering van het hart, en van de geloofwaardigheid van onze getuigenis. Naar de toekomst kijken met de zekerheid van de hoop is wat ons in staat stelt om geworteld te blijven, niet in een soort van romantiek die alleen naar het verleden kijkt, noch door ons over te geven aan een utopie omdat we verward zijn door hypothesen die niet bewezen kunnen worden. Geloof roept vandaag op tot toewijding in ons leven; het om die reden niet aannemen zou een kwestie van onwetendheid of angst zijn. Maar voor ons christenen is zo’n reactie niet geoorloofd.  Ons verstoppen in onze kerken geeft ons misschien wat troost, maar het zou Pinksteren nutteloos maken. Het is tijd om de deuren wijd open te gooien en opnieuw de verrijzenis van Christus, wiens getuigen wij zijn, te verkondigen. Zoals de heilige bisschop Igantius schreef: “Het is niet voldoende om christenen genoemd te worden; we moeten feitelijk christenen zijn.” Als iemand christenen wil herkennen, moet hij dat niet kunnen doen op basis van hun intenties, maar op basis van hun toewijding aan het geloof.

Het is precies deze toewijding aan het geloof waar St. Ingatius van Antiochië zo welbespraakt over sprak aan het einde van de eerste eeuw, die het Jaar van het Geloof wil aanvuren in de harten van degenen die God niet kennen en wil doen toenemen in de harten van zij die al geloven. In zijn Apostolische Brief Porta Fidei, waarmee hij het Jaar van het Geloof aankondigde, drukt de Heilge Vader op prachtige wijze het doel van het Jaar uit, de basis in Christus, en de relatie met de nieuwe evangelisatie. Het Jaar van het Geloof, dat zowel de vijftigste verjaardag van de opening van het Tweede Vaticaanse Concilie als de twintigste verjaardag van de uitvaardiging van de Katechismus van de Katholieke Kerk herdenkt, is, zo schrijft hij:

“een oproep tot een authentieke en hernieuwde bekering tot de Heer, de ene Verlosser van de wereld. In het mysterie van Zijn dood en verrijzenis heeft God de liefde die redt en ons oproept tot de bekering van ons leven door de vergeving van de zonden in hasar volheid geopenbaard (vg. Hand. 5:31). Voor Sint Paulus leidt deze Liefde ons naar een nieuw leven…  Door het geloof vormt dit nieuwe leven het gehele menselijke bestaan naar de radicale nieuwe werkelijkheid van de verrijzenis… “Het geloof dat werkzaam is door de liefde” (Gal. 5:6) wordt een nieuw criterium van begrip en actie die het hele leven van de mens veranderd… het is de liefde van Christus die onze harten vult en ons aanspoort te evangeliseren. Tegenwoordig, evenals in het verleden, stuurt Hij ons over de wegen van de wereld om het Evangelie te verkondigen aan alle volkeren van de aarde (vg,. Matt. 28:19). Door Zijn liefde trekt Jezus Christus de mensen uit elke generatie tot zichzelf: in elk tijdperk roept Hij de Kerk bijeen en vertrouwt haar de verkondiging van het Evangelie toe met een mandaat dat altijd nieuw is. Ook vandaag is er nood aan een sterkere kerkelijke toewijding aan nieuwe evangelisatie om de vreugde van geloven en het enthousiasme voor het doorgeven van het geloof te herontdekken. In het dag na dag herontdekken van Zijn liefde krijgt de missionare toewijding van  gelovigen kracht en energie die nooit kan vervagen” (Porta Fidei, n. 6-7).

Het Jaar van het Geloof is een weeg, een kans, die de christengemeenschap biedt aan de vele mensen die een verlangen naar God hebben en een diepgaand verlangen om hem opnieuw in hun levens te ontmoeten. Het is daarom van essentieel belang dat gelovigen de verantwoordelijkheid inzien om een authentieke broederschap in het geloof te bieden, om een naaste te worden van degenen die de redenen voor en uitleg van ons katholieke geloof zoeken. Deze mogelijkheden, geboden door het Jaar van het Geloof om authentieke vriendschappen in geloof te vormen, brengen de ware vraag van gemeenschap onder de aandacht. De nieuwe evangelisatie neigt ernaar ons besef van persoonlijke identiteit te laten groeien in verhouding met ons besef dat we behoren tot een gemeenschap. Een sociologische trend van onze tijd dringt ons aan om onderscheid te maken tussen ‘identiteit’ en ‘behoren tot’, alsof het om twee tegenstrijdige werkelijkheden zijn. Naar mijn menign is er iets gevaarlijkers dan deze tegenstelling. Een behoren tot zonder identiteit kan geen behoren tot worden genoemd; het zal altijd beperkt zijn tot een vorm van samenleven in een maatschappij die haar eigen coordinaten heeft aangepast al naar gelang de verschuivingen van de seizoenen, zonder enige mogelijkheid om een werkelijk gedeeld gevoel of actieve deelname over te brengen. Uit de wederkerige relatie die bestaat tussen identiteit en behoren tot komt de mogelijkheid voort om na te gaan hoe de nieuwe evangelisatie effectief en vruchtbaar kan zijn. Zonder een sterke katholieke identiteit, waardoor ons bewustzijn van onze eigen verantwoordelijkheden in de wereld kan groeien, zal het niet mogelijk zijn om zelfs maar de vereisten van het horen bij de christengemeenschap te begrijpen; aan de andere kant, zonder een diepgaand besef van het behoren tot de Kerk zal het niet mogelijk zijn een identiteit te hebben die zich bewust is van de missie die zij overdraagt. Identiteit en behoren bepalen ons begrip van de permanente vorming die op christenen toepasbaar is in het licht van een steeds betere kennis van het geloof, die overeenkomt met de eigen levensstaat van ieder. Een kennis van de inhoud van het geloof die verbonden blijft met de adolescentie kan nooit iemand laten groeien in zijn identiteit als gelovige, ongeacht welke rol zij mogen hebben in de burgermaatschappij. Evenzeer beperkt het gebrek aan inhoud het eigen sociale, politieke en culturele handelen van mensen in harmonie met hun behoren tot de Kerk. Een breuk tussen identiteit en behoren tot is waarschijnlijk één van de oorzaken die hebben bijgedragen aan de huidige crisis.

Het Jaar van het Geloof zal deze breuk tussen identiteit en behoren tot proberen te dichten en het geloof van de gelovigen, die tegenover de dagelijkse druk en uitdagingen van het levern onophoudelijk dapper en moet overtuiging hun levens aan de Heer Jezus toe blijven vertrouwen, toe te laten nemen. Daarnaast zijn de activiteiten van het Jaar van het Geloof, zowel wereldwijd als globaal, gericht op het beantwoorden van de algemenere culturele crises die vaak het geloof tegenwerken en zo zo veel mogelijk van onze tijdgenoten als mogelijk uit hun geestelijke armoede te halen. De wereldwijde activiteiten, die in Rome zullen worden gevierd in aanwezigheid van de Heilge Vader, zijn talrijk. Om slechts een paar te noemen; de heiligverklaring van bepaalde martelaren en belijders van het geloof, een viering voor de jeugd, een viering voor degenen die tijdens het Jaar van het Geloof gevormd zijn, een viering van Evangelium Vitae om de waardigheid van de menselijke persoon van conceptie tot natuurlijke dood te verdedigen, een viering om roepingen, een viering voor catechisten, een viering voor zowel oude als nieuwe bewegingen in de Kerk en, uiteraard, een viering voor Maria, de “Ster van de nieuwe evangelisatie”. Om de activiteiten in de plaatselijke kerken, of deze nu georganiseerd worden door plaatselijke bisschoppenconferenties, het plaatselijke bisdom, parochie, organisatie of beweging, het meest effectef aan te kondigen, hebben we een website voor het Jaar van het Geloof gebouwd, die mensen de mogelijkheid geeft om aan te kondigen wat zij hebben georganiseerd voor het Jaar van het Geloof. Op de website kunt u ook het prachtige logo dat ontworpen is voor het Jaar van het Geloof vinden en aanschaffen.

Centraal in het Jaar van geloof zal een focus op de Geloofsbelijdenis zijn. Dit zal dienen om de Geloofsbelijdenis weer de balgenrijke plaats terug te geven als het dagelijks gebed van elke christen. Om dit mogelijk te maken hebben we een uitvoering van de Geloofsbelijdenis van Nicea, het meest populaire symbool voor christenen vanwege het frequente gebruik in de context van de Zondagsmis, uitgegeven. Het gebed is afgedrukt op de achterkant van de bekende afeeding van Christus Pantocrator uit de kathedrale basiliek van Cefalù in Sicilië. Deze afbeelding is bedoeld als het icoon voor het Jaar van het Geloof. Het is mijn grote verlangen dat de Geloofsbelijdenis opnieuw het dagelijks gebed voor christenen wordt, als een synthese van gekend en geleefd geloof.

Na Christus in het hart van de nieuwe evangelisatie, die ons aanzet om het Goede Nieuws met nog meer ijver te verkondigen, te hebben overwogen, en na het belang van het Jaar van het Geloof voor de versterking van de nieuwe evangelisatie te hebben besproken, zal ik nu een paar afsluitende opmerkingen maken. Ook in onze tijd, net als in het verleden, moeten we eerlijk en met moed de uitdagingen voor ons tegemoet treden. Net als in het verleden, wanneer zulke moeilijkheden aanzet gaven voor intense evangelisatie, zo moet ook de Kerk vandaag zich bewst worden van de grote verplichting die de nieuwe evangelisatie vereist. Deze en andere vragen vestigen de aandacht op de verantwoordelijkheid en de noodzaak om een nieuwe geloofsluitleg te formuleren. Apologetiek staat niet buiten het geloof; integendeel, het behoort rechtmatig tot de handeling waarmee wij de logica van het geloof binnentreden.  Wat in de eerste plaats nodig is, is datde geloofshandeling een volledig vrije handeling is, de vrucht van het onszelf volledig op God verlaten waardoor ieder van ons zich aan hem toevertrouwt met al zijn intellect en met zijn wil. Het uitleggen van het eigen geloof heeft niet vele gelovigen enthousiast weten te maken, zeker niet in de meest recente decennia.  Misschien is ook om deze reden de overtuiging van het geloof afgenomen omdat de keuze niet daarop gericht was. Met toevlucht hebben tot de oude tradities of allerlei soorten ervaringen, maar ontdaan van de kracht van de rede, hebben we dit niet kunnen leiden en onderhouden, in het bijzonder tegenover een dominante cultuur, en vertrouwden we meer en meer op de zekerheden van de wetenschap. In bepaalde opzichten is de situatie verzandt, gedeeltelijk omdat sommige mensen hebben gemeend dat een vermoeide herhaling van oude vormen een onoverkomelijk verdedigingswerk kon zijn, zonder in te zien dat deze vormen in plaats daarvan drijfzand werden. Te denken dat de nieuwe evangelisatie werkelijkheid kan worden door slechts een vernieuwing van oude vormen is een illusie die we niet moeten voeden. Zeker, de oplossing is ook niet de neiging om nieuwigheden uit te vinden alleen maar om tijdgenoten, altijd in beweging en open voor elke nieuwe ervaring, tevreden te stellen, zonder ook maar een spoor van een kritische benadering. De weg die we moeten gaan is zeker niet gemakkelijk. Het eist dat we trouw lijven aan de basis en, juist om die reden, in staat zijn om iets samenhangends op te bouwen met die basis, die tegelijkertijd kunnen worden ontvangen en begrepen door mensen die verschillen van mensen in het verleden. De beproevingen zullen talrijk zijn. Maar de uitdagingen op onze weg moeten worden aangegaan, geanalyseerd en bestudeerd op zo’n manier dat er projecten kunnen worden begonnen die overeenstemmen met echte vooruitgang voor allen. Maar één specifieke taak die van ons gevraagd worden is dat we voorkomen dat we alleen reizen. We kunnen dit in ieder geval niet doen; we zijn hier niet toe in staat; we zijn van nature katholieken, dat wil zeggen open voor ieder en met de wil om naast ieder persoon te staan om hen de broederschap van het geloof te bieden. Om dit voor elkaar te krijgen is het noodzakelijk om uit de soort neutraliteit te treden waarin vele landen zich hebben opgesloten om maar niet een positie in te nemen ten faveure van hun eigen geschiedenis.

Wie er er verantwoordelijk voor het ontwikkelen van plannen, in het bijzonder voor een nieuwe anthropologie, in staat om vorm te geven aan een nieuw model voor de maatschappij? Zeker niet één groep alleen. Dit is dan de tijd voor een synergie die een synthese kan bieden van het erfgoed van het verleden, om daar vragen tegenover te stellen in het licht van de prestaties die onze periode in de geschiedenis hebben gekenmerkt, op zo’n manier dat ze worden doorgegeven aan de generaties die na ons komen. De woorden van St. Augustinus kunnen ons helpen. Hij schreef:

“Wie zijn degenen die werken aan de opbouw van de Kerk? Allen die in de Kerk het woord van God verkondigen, de bedienaars van Gods sacramenten. We doen allemaal mee, we doen allemaal ons werk, nu zijn we allemaal betrokken in het bouwen. En, voor ons, deden anderen mee, hebben anderen geworsteld, hebben anderen gebouwd. Maar “Als de heer het huis niet bouwt, is het zinloos dat bouwlieden werken” … Wij spreken dus van de buitenkan; Christus bouwt van binnenuit. Wij kunnen misschien zien wat voor aandacht je schenkt, maar wat je denkt weet alleen hij die je gedachten ziet. Het is hij die bouwt, die waarschuwt, die angst inboezemt, die de geest opent, die de geest op het geloof richt. En toch, wij werken ook als zijn arbeiders” (Augustinus, Kommentaar op de Psalmen, Ps. 126:2)

We moeten hoe dan ook nooit vergeten dat de nieuwe evangelisatie zich moet toevertrouwen aan God, die ons de wegen wijst die we moeten gaan, en aan de steun van de Heilige Geest, die vooruitgaat, ons leidt en de nieuwe verkondigers onderhoudt.

Een paar dagen voor hij tot paus werd gekozen gaf Benedictus XVI een lezing in Subiaco, over de toestand van Europa. In zijn heldere analyse van de huidige tijd drukte hij zichelf onder andere in deze vooruitziende woorden, die en programma vormen voor de nieuwe verkondigers:

“Op dit moment van de geschiedenis is er een groot gebrek aan mensen, die door een verlicht en levend geloof God in deze wereld geloofwaardig maken… We hebben mensen nodig die om de ware humaniteit te begrijpen zich weer tot God richten. We hebben mensen nodig wier verstand wordt verlicht door het licht van God, en wier hart zich voor God opent, zodat hun verstand kan spreken met het verstand van anderen, en hun hart in staat is zich te openen voor de harten van anderen. Alleen door mensen die door God zijn geraakt, kan God naar de mensen komen.”

Daarom begint de nieuwe evangelisatie hier: vanuit de geloofwaarigheid van ons leven als gelovigen en vanuit de overtuiging dat de genade handelt en verandert tot het het hart bekeert.  Christenen zijn na tweeduizend jaar geschiedenis nog steeds toegewijd aan deze reis.

In dit verband is het de moeite om aan dit verhaal uit de Middeleeuwen te denken. Een dichter liep eens langs een werkplaats en zag drie arbeiders hard aan het werk; het waren steenhouwers. Hij vroeg aan de eerste: “Wat ben je aan het doen, vriend?” Deze man antwoorde, vrij onverschillig: “ik ben een steen aan het houwen”. Hij liep verder, kwam bij de tweede en stelde hem dezelfde vraag. Het verraste antwoord was: “Ik ben betrokken bij de bouw van een pilaar”. Nog iets verder zag de pelgrim de derde en ook aan deze man stelde hij dezelfde vraag. Het enthousiaste antwoord was: “Ik ben een kathedraal aan het bouwen”. Het nieuwe werk waartoe we worden geroepen vernaderd de oude betekenis niet. Verschillende arbeiders worden de wijngaard van de Heer ingeroepen om de nieuwe evangelisate werkelijkheid te laten worden; allen zullen een reden hebben om hun toewijding uit te leggen. Wat ik wens en wat ik zou willen horen is dat ieder op de vraag,”Wat ben je aan het bouwen, vriend?” zou kunnen antwoorden: “Ik ben een kathedraal aan het bouwen”. Ieder gelovige die, trouw aan zijn doopsel, zichzelf ijverig en enthousiast iedere dag toewijdt aan het getuigen van zijn eigen geloof levert zijn originele en unieke bijdraga aan de bouw van zijn grote kathedraal in de wereld van vandaag. Het is de Kerk van onze Heer, Jezus, zijn lichaam en bruid, het volk dat steeds onderweg is zonder vermoeid te raken, dat aan allen verkondigt dat Jezus verrezen is, weer tot leven is gekomen, en dat allen die in hem geloven in zijn eigen liefdesmysterie zullen delen, het ochtendgloren van een dag die altijd nieuw is en nooit zal vervagen.