Eerbiedwaardige en geliefde broeders,

Uw jaarlijkse samenkomst in Vergadering is een moment van genade, waarin u een diepgaande ervaring van ontmoeting, delen en onderscheiding op w gezamenlijke reis uitdraagt, tot leven gewekt door de Geest van de Verrezen Heer. Het is een moment van genade dat de aard van de Kerk zichtbaar maakt. Ik dank Kardinaal Angelo Bagnasco voor de vriendelijke woorden waarmee hij mij ontving, en zichzelf als tolk voor uw gevoelens maakte: aan u, Eminentie, richt ik de beste wensen voor uw hernieuwde bevestiging als hoofd van de Italiaanse Bisschoppenconferentie. Moge de collegiale affectie die u drijft uw samenwerking  ten dienste van de kerkelijke eenheid en het algemeen welzijn van de Italiaanse natie steeds meer voeden, in vruchtbare samenspraak met haar burgerlijke instanties. Gaat u, in deze nieuwe periode van vijf jaar, verder met de kerkelijke vernieuwing die u is toevertrouwd door het Tweede Oecumenisch Vaticaans Concilie. Moge de 50e verjaardag van het begin daarvan, dat we in het najaar zullen vieren, een reden zij om ons verder te bezinnen op de teksten, de voorwaarde van een dynamische en gelovige ontvangst. “Wat het Concilie het meest aangaat is dat het heilige erfgoed van de christelijke leer effectiever wordt beschermd en onderwezen,” bevestigde de Zalige Paus Johannes XXIII in zijn openingstoespraak. En het is de moeite waard om deze woorden te lezen en ons erop te bezinnen. De paus maande de Vaders om zich meer te bezinnen en deze eeuwige leer in continuïteit met de eeuwenoude traditie van de Kerk te presenteren: “om de leer puur en in haar geheel door te geven, zonder verzwakkingen of vervormingen,” maar op een nieuwe manier, “volgens de vereisten van onze tijd.” (Toespraak bij de Plechtige Opening van het Tweede Oecumenisch Vaticaan Concilie, 11 oktober 1962). Met deze sleutel tot het lezen en toepassen – zeker niet vanuit het oogpunt van een “ontoelaatbare hermeneutiek van discontuïteit en breuk, maar van een hermeneutiek van continuïteit en hervorming” – om naar het Concilie te luisteren en ons de gezaghebbende aanwijzingen eigen te maken, is de manier om de weg te herkennen waarmee de Kerk een betekenisvol antwoord kan geven op de grote sociale en culturele veranderingen van onze tijd, die ook in de religieuze dimensie zichtbare gevolgen hebben.

Wetenschappelijke rationaliteit en de technische cultuur neigen er in feite niet alleen naar de wereld eenvormig te maken, maar lopen vaak over in de andere specifieke gebieden onder het mom van het, slechts door middel van de empirische criteria van hun eigen veroveringen, bepalen van de grenzen van de zekerheid van de rede. De kracht van het menselijke kunnen eindigt dus bij het beperken van de mate van handelen, vrij van iedere regel. Juist in deze context is er geen gebrek aan de wederopkomst, soms op een verwarrende manier, van een unieke en groeiende kwestie van spiritualiteit en het bovennatuurlijke, teken van een zorg die zich schuilhoudt in het hart van de mens die zichzelf niet openstelt voor de transcendente horizon van God. Deze seculiere toestand kenmerkt bovenal de gemeenschap van aloude christelijke traditie en holt het culturele weefsel uit dat, tot het recente verleden, een verbindend referentiekader was, in staat om het gehele menselijke bestaan te omvatten en om de belangrijkste momenten, van geboorte tot de overgang naar het eeuwig leven, te verwoorden. Het spirituele en morele erfgoed waarin het westen haar wortels heeft en dat haar levenskracht vormt wordt vandaag niet meer naar haar diepste waarde begrepen, tot het punt dat het niet langer de noodzaak van de waarheid kan bevatten. Deze vruchtbare aarde loopt het risico een ongastvrije woestijn te worden, en het geoede zaad wordt verstikt, vertrapt en verloren.

Het is een teken van de afname van de religieuze praktijk, zichtbaar in de deelname aan de Eucharistische liturgie en, bovenal, aan het Sacrament van Boete. Zo vele gedoopten hebben hun identiteit en lidmaatschap verloren: ze kennen de essentiële inhoud van het geloof niet of denken dat ze het kunnen onderhouden zonder kerkelijke inmenging. En terwijl velen met argwaan kijken naar de waarheden die de Kerk leert, beperken anderen het Koninkrijk van God tot een aantal grote waarden, die wel iets van doen hebben met het Evangelie, maar die wederom niet raken aan de centrale kern van het christelijk geloof. Het Koninkrijk van God is een gift die ons overstijgt. Zoals de Zalige Johannes Paulus II bevestigde: “Het Rijk Gods is niet een begrip, een leer, een programma, dat vrij uitgewerkt kan worden, maar vooral een persoon, die het gelaat en de naam heeft van Jezus van Nazareth, beeld van de onzichtbare God” (Johannes Paulus II, Encycliek Redemptoris Missio [7 december 1990], 18). Helaas is het God zelf die wordt buitengesloten van de horizon van zo vele personen, en als het gesprek over God al niet op disinteresse, afsluiting of afwijzing stuit, wordt het niettemin verwezen naar het subjectieve, beperkt tot een intiem en persoonlijk moment, gemarginaliseerd in het publiek geweten. Het hart van de crisis die Europe verwond komt mede door dit verlaten, dit gebrek aan openheid naar het Transcendente. Het is een spirituele en morele crisis: de mens beeld zich in dat zijn identiteit simpelweg in zichzelf vervuld wordt.

Hoe kunnen we deze context overeenstemmen met de verantwoordelijkheid die ons toevertrouwd is door de Heer? Hoe kunnen we in vertrouwen het Woord van God zaaien,zodat iedereen de waarheid over zichzelf kan vinden, zijn eigen authenticiteit en hoop? We zijn ons ervan bewust dat nieuwe methoden om het Evangelie te verkondigen of pastoraal te handelenen het christelijke voorstel beter ontvangen e gedeeld te laten worden, niet voldoende zijn. In de voorbeireding op Vaticanum II, was de overheersende vraag waarop de conciliaire vergadering eena ntwoord wilde geven: “Kerk, wat zeg je over jezelf?” Zich bezinnend op deze vraag, werdend e Concilievaders zogezegd teruggevoerd naar het hart van het antwoord: het ging om opnieuw beginnen met God, gevierd, beleden en getuigend. Naar buiten toe, schijnbaar willekeurig, maar fundamenteel in feite niet willekeurig, was de eerste Constitutie die goedgekeurd werd die over de Heilige Liturgie: de aanbidding van God richt de mens op de toekomstige Stad en herstelt God in zijn koningsschap, vormt de Kerk, onophoudelijk bijeengeroepen door het Woord, en laat de wereld de vruchtbaarheid van de ontmoeting met God zien. Op onze beurt, terwijl we een dankbaar oog moeten hebben voor de groei van het goede zaad in grond die vaak dor lijkt, zien we dat onze situaite een nieuwe impuls nodig heeft, die zal wijzen op het essentiële van het geloof en het cristelijk leven. In een tijd waarin God voor velen de grote onbekende is gewordenen Jezus slechts een grote persoonlijkheid uit het verleden, zal er geen nieuwe impuls tot missionaire actie zijn zonder de vernieuwing van de kwaliteit van ons geloof en ons gebed; we zullen niet in staat zijn voldoende antwoord te geven zonder een nieuwe ontvankelijkheid voor de gave van de Genade; we zullen niet weten hoe we mensen voor het Evangelie moeten winnen als we niet zelf eerst een diepgaande Godservaring hebben.

Beste broeders, onze eerste, ware en enige taak blijft ons leven toe te wijden aan dategene dat waarde heeft en blijvend is, aa wat werkelijk betrouwbaar, noodzakelijk en ultiem is. De mens leeft vanuit God, Hij die zij vaak onbewust of slechts aarzelend zoeken om een volledige betekenis te geven aan het bestaan: wij hebben de taak om dat te verkondigen, te laten zien, om naar de otnmoeting met Hem te leiden.Maar het is altijd van belang voor ons om  te weten dat de eerste voorwaarde om over God te spreken, is om met God te spreken, om steeds meer mannen van God te worden, gevoed door een intens gebedsleven en gevormd door Zijn Genade.De Heilige Augustinus slaagde er, na een bange maar gemeende zoektoch naar de waarheid, uiteindelijk in om die te vinden in God. Toen werd hij zich bewust van een uniek aspect dat zijn hart met verwondering en vreugde vulde: hij begreep dat, gedurende zijn lange reis, het de waarheid die hem zicht en gevonden had. Ik zou tegen iedereen willen zeggen: we moeten onszelf laten vinden en grijpen door God, om elke persoon die we ontmoeten door de waarheid te laten bereiken. Vanuit deze relatie met Hem is onze gemeenschap geboren en komt de kerkelijke gemeenschap voort, die alle tijden en alle plaatsen omvat om één Volk van God te vormen.

Daarom wilde ik een Jaar van het Geloof afkondigen, dat zal beginnen aanstaande 11 oktober, om deze kostbare gave dat het geloof is te herontdekken en opnieuw te ontvangen, om diepgaander de waarden die de levenskracht van ons leven zijn te kennen, om de, vaak afgeleide, mens van vandaag naar een hernieuwde ontmoeting met Jezus Christus – “Weg, Waarheid en Leven” – te leiden.

Temidden van veranderingen die vele delen van de mensheid aangingen, gaf de Dienaar Gods Paulus VI duidelijk als taak aan de Kerk het “beïnvloeden, en als het ware verstoren, door de kracht van het Evangelie, van de beoordelingscriteria, bepalende factoren, aandachtspunten, gedachtengangen, inspiratiebronnen en levensvoorbeelden van de mens, die in contrast staan met het Woord van God en het heilsplan” (Apostolische Exhortatie Evangelii nuntiandi [8 december 1975], n. 19). Ik wil hier onder de aandacht brengen hoe, ter gelegenheid van het eerste bezoek van een paus aan zijn vaderland, de Zalige Johannes Paulus II een industriegebied van Krakow, aangeegd als een soort ‘stad zonder God’, bezocht. Slechts de koppigheid van de arbeiders had gezorgd voor de oprichting van een kruis en daarna van een kerk. In die tekenen herkende de paus het begin van wat hij voor de eerste keer benoemde als “Nieuwe Evangelisatie,” en legde uit dat “evangelisatie van het nieuwe millennium moet verwijzen naar de leer van het Tweede Vaticaans Concilie. Het moest, zoals dat Concilie onderwees, werk gedeeld zijn door bisschoppen, priesters, religieuzen en leken, door ouders en jonge mensen.” En hij besloot: “Jullie hebben de kerk gebouwd; bouw jullie levens met het Evangelie” (Homilie bij de Schrijn van het heilig Kruis, Mogila, 9 juni 1979).

Beste broeders, de oude en nieuwe missie die voor ons ligt is het introduceren van mannen en vrouwen van onze tijd aan de relatie met God, hen te helpen hun hoofden en harten open te stellen voor die God die hen zoekt en hen nabij wil zijn, hen te laten begrijpen dat het doen van Zijn wil geen beperking van de vrijheid is, maar werkelijk vrij zijn, hetware goede van het leven te beseffen. God is de garantiegever, niet de tegenstander van ons geluk, en waar het Evangelie binnen gaat – en dus ook de vriendschap van Christus – ervaart de mens dat hij onderwerp is van een liefde die zuivert, verwarmt en vernieuwt, en ons in staat stelt de mens lief te hebben en te dienen met goddelijke liefde.

Zoals het hoofdonderwerp van uw Vergadering overduidelijk bewijst, heeft de Nieuwe Evangelisatie volwassenen nodig die “volgroeid in het geloof en getuigen van menselijkheid” zijn. De aandacht voor de wereld van volwassenen laat uw bewustzijn zien van de bepalende rol van degen die geroepen zijn, in de verschillende richtingen van het leven, om een onderwijzende verantwoordelijkheid te nemen voor het aanspreken van de nieuwe generaties. Kijke n werk op zo’n manier dat de christelijke gemeenschap in staat is volwassen personen in het geloof te vormen, omdat zij Jezus Christus hebben ontmoet die de fundamentele referentie voor hun leven is; personen die Hem kennen omdat zij Hem liefhebben, en Hem liefhebben omdat zij Hem kennen; personen die in staat zijn solide en geloofwaardige redenen voor het leven te geven. Van bijzonder belang op deze vormende reis is – 20 jaar na publicatie – de Katechismus van de Katholieke Kerk, een kostbaar hulpmiddel voor een organisch e en volledige kennis van de inhoud van het geloof en voor het leiden naar de ontmoeting met Christus. Moge, mede dankzij dit hulpmiddel, de gelovige instemming een criterium worden voor de intelligentie en het handelen dat het geheel van het bestaan omvat.

In de tijd van de Pinksternoveen, wil ik deze overwegingen afsluiten met een gebed tot de Heilige Geest:

Geest van Leven, die in den eginnen over de diepte zweefde,
Help de mensheid in onze tijd te begrijpen
Dat het buitensluiten van God ons doet verdwalen in de woestijn van de wereld,
En dat alleen daar waar het geloof binnengaat, waardigheid en vrijheid bloeien
En de gehele maatschappij is gebouwd op gerechtigheid.

Geest van Pinksteren, die de Kerk tot één Lichaam maakt,
Herstel in de gedoopten een authentieke uitdrukking van gemeenschap;
Maak uzelf tot een levend teken van de aanwezigheid van de Verrezene in de wereld,
Gemeenschap van heiligen die leven ten dienste van de liefdadigheid.

Heilige Geest, die voorbereidt op de missie,
Laat ons inzien dat, ook in onze tijd,
Zo vele mensen op zoek zijn naar de waarheid over hun bestaan en de wereld.
Maak ons tot medewerkers aan hun vreugde door de verkondiging van het Evangelie vn Jezus Christus,
Zaad van het gewas van God, die de grond van het leven goed maakt en een overvloedige goede oogst garandeert.

Amen.