Boodschap voor de Vastentijd 2011

BOODSCHAP VAN ZIJNE HEILIGHEID
BENEDICTUS XVI
VOOR DE VASTENTIJD 2011

“U bent met Hem begraven in de doop,
waarin u ook met Hem bent verrezen” (vg. Kol. 2:12)

Beste broeders en zusters,

De Vastentijd, die ons naar de viering van het Heilig Paasfeest leidt, is voor de Kerk een zeer waardevolle en bijzondere liturgische tijd, en in dat verband ben ik blij een woord te richten zodat die tijd met gepaste ijver geleefd mag worden. Terwijl ze de uiteindelijke ontmoeting met haar Echtgenoot in het eeuwige Paasfeest afwacht, instensiveerd de Kerkgemeenschap, volhardend in gebed en liefdadigheid, haar tocht naar het zuiveren van de geest, om zo nog meer het nieuwe leven van Christus de Heer te ontvangen vanuit het Mysterie van de Verlossing.

1. Ditzelfde leven is ons al gegeven op de dag van onze Doop, wanneer we “deelgenoten worden van de dood en Verrijzenis van Christus”, en daar begon voor ons “het vreugdevolle en verheven avontuur van zijn leerlingen” (Homilie op het Feest van de Doop van de Heer, 10 januari 2010). In zijn Brieven onderstreept Sint Paulus bij herhaling de unieke gemeenschap met de Zoon van God die dit wassen voortbrengt. Het feit dat, in de meeste gevallen, de doop in de kindetijd plaats vindt geeft aan hoezeer het een gave van God is: niemand verkrijgt het eeuwig leven door eigen werk. De genade van God die de zonde uitwist en, tegelijkertijd, ons “de gezindheid van Christus” (Fil. 2:5) laat ervaren, wordt vrijelijk gegeven aan mannen en vrouwen. De Apostel van de Heidenen drukt, in de Brief aan de Filipenzen, de betekenis uit van de transformatie die plaatsvindt door de deelname aan de dood en verijzenis van Christus, wijzend op het doel: Ik wil Christus kennen, de kracht van zijn opstanding en de gemeenschap met zijn lijden; ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn dood om eens te mogen komen tot de opstanding uit de doden” (Fil. 3: 10-11). Daarom is de doop niet en ritueel uit het verleden, maar de ontmoeting met Christus die het hele bestaan van de gedoopte bepaald, goddelijk leven geeft en ons oproept tot ware bekering; begonnen en gesteund door de Genade laat het de gedoopte de volwassen gestalte van Christus te bereiken.

Een specifieke connectie verbindt de Doop met de Vastentijd als de meest gepaste tijd om deze reddende Genade te ervaren. De Vaderen van het Tweede Vaticaans Concilie maanden alle herders van de Kerk om meer gebruik te maken van “de doopelementen, die eigen zijn aan de vastenliturgie” (Constitutie over de Heilige Liturgie Sacrosanctum concilium, n. 109). In feite heeft de Kerk de Paasvigilie altijd al geassocieerd met het vieren van het Doopsel: dit Sacrament verwerkelijkt het grote mysterie waarin de mens aan zonde sterft, deelgenoot wordt van het nieuwe leven in de Verrezen Christus en dezelfde Geest van God ontvangt die Christus uit de dood deed opstaan (vg. Rom 8:11). Deze vrije gave moet altijd in ons allen worden aangevuurd, en de Vastentijd biedt ons een weg zoals die van de doopleerlingen die, voor de christenen van de vroege Kerk net zozeer als voor de doopleerlingen van vandaag, een onvervangbare school van geloof en christelijk leven is. Zij leven hun Doopsel waarlijk als een handeling die hun gehele bestaan vormt.

2. Wat zou er passender zijn, om serieuzer onze reis naar Pasen te ondernemen en ons voor te bereiden op het vieren van de Verrijzenis van de Heer – het meest vreugdevolle en plechtige feest van het hele liturgische jaar – dan ons door het Woord van God te laten leiden? Om die reden leidt de Kerk ons, in de Evangelieteksten van de zondagen in de Vastentijd, naar een bijzonder intense ontmoeting met de Heer, en roept ons op om de stappen van de christelijke inwijding opnieuw te zetten: voor doopleerlingen als voorbereiding op het ontvangen van het Sacrament van de wedergeboorte; voor de gedoopten in het licht van de nieuwe en bepalende stappen die gezet moeten worden in de sequela Christi en het vollediger geven van onszelf aan Hem.

De Eerste Zondag van de Vastenreis onthult onze toestand als mensen hier op aarde. De gewonnen strijd tegen de verleiding, het beginpunt van de missie van Jezus, is een uitnodiging om ons bewust te worden van onze eigen kwetsbaarheid om de Genade te kunnen ontvangen die ons van zonde bevrijd en nieuwe kracht geeft in Christus – de weg, de waarheid en het leven (vg. Ordo Initiationis Christianae Adultorum, n. 25). Het is een krachtige herinnering dat het christelijk geloof, in navolging van Christus en in eenheid met hem, een strijd inhoudt “tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis” (Ef. 6:12), waarin de duivel werkt en nooit  uitgeput raakt – zelfs vandaag niet – van het verleiden van wie dichter wenst te naderen tot de Heer: Christus overwint om ook onze harten te openen voor de hoop en leidt ons naar het overwinnen van de verleidingen van het kwaad.

Het Evangelie van de Gedaanteverandering van de Heer presenteert ons de glorie van Christus, die de verrijzenis voorziet en de vergoddelijking van de mens verkondigt. De christengemeenschap wordt zich bewust dat Christus hen, zoals de apostelen Petrus, Jacobus en Johannes, “met zich mee een hoge berg op” leidt, “waar Hij met hen alleen was” (Matt. 17:1), om wederom in Christus, als zonen en dochters in de Zoon, de gave van de Genade van God te ontvangen:”Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind. Luister naar Hem” (Matt. 17:5). Het is de uitodiging aan ons om afstand te nemen van het lawaai van het dagelijks leven om ons onder te dompelen in de aanwezigheid van God. Hij wil ons, iedere dag, een Woord aanreiken dat doordringt tot in de diepten van onze geest, waar we goed en kwaad onderscheiden (vg. Heb. 4:12), onze wil om de Heer te volgen versterkend.

De vraag die Jezus aan de Samaritaanse vrouw voorlegt: “Geef Mij wat te drinken:  (Joh. 4:7) wordt ons voorgelegd in de liturgie van de derde zondag; het drukt de passie van God voor iedere man en vrouw uit, en wil in onze harten het verlangen wekken naar de gave van de bron die “zal […] opborrelen als een bron van eeuwig leven” (Jph 4:14): dit is de gave van de Heilige Geest, die christenen verandert in “ware aanbidders”, in staat om “in geest en waarheid” tot de Vader te bidden (Joh 4:23). Alleen dit water kan onze dorst naar goodheid, waarheid en schoonheid lessen! Allen dit water, ons gegeven door de Zoon, kan de woestijnen van onze rusteloze en onbevredigde ziel bevloeien, todat zij “rust vinden in God”, met de beroemde woorden van Sint Augustinus.

De zondag van de blindgeboren man laat ons Christus zien als het licht der wereld. Het Evangelie confronteerd ieder van ons met de vraag: “Gelooft u in de Mensenzoon?” “Heer, ik geloof!” (Joh. 9:35, 38), roept de blindgeboren man vreugdevol uit, tem gevend aan alle gelovigen. Het wonder van deze genezing is een teken dat Christus ons niet alleen zicht wil geven, maar ook onze innerlijk zicht wil openen, zodat ons geloof dieper wordt en we hem herkennen als onze enige Verlosser. Hij verlicht alles wat donker is in het leven en leidt mannen en vrouwen naar een leven als “kinderen van het licht”.

Op de vijfde zondag, als de wderopstanding van Lazarus wordt verkondigd, staan we tegenover het ultieme mysterie van ons bestaan: “Ik ben de opstanding en het leven … Geloof je dit?” (Jph. 11: 25-26). Voor de christengemeenschap is dit het moment om oprecht – samen met Martha – al onze hoop in Jezus van Nazareth te plaatsen: “Ja Heer, ik geloof vast dat U de Messias bent, de Zoon van God, degene* die in de wereld komen zou” (Joh. 11:27). Gemeenschap met Christus in dit leven opent onze ogen naar de uiteindelijke betekenis van ons bestaan: God schiep man en vrouwen voor de opstanding en het leven, en deze waarheid geeft een authentieke en definitieve betekenis aan de menselijke geschiedenis, aan de persoonlijke en sociale levens van mannen en vrouwen, aan de cultuur, de politiek en de economie. Zonder het licht van het geloof, eindigt het hele universum in een tombe zonder enige toekomst, enige hoop.

De Vastenreis vind haar vervolmaking in het Paastriduum, vooral in de Grote Vigilie van de Heilige Nacht: met het hernieuwen van onze doopbeloften, bevestigenw e opnieuw dat Christus de Heer van ons leven is, het leven dat God ons gegeven heeft toen we werden herboren uit “water en Heilige Geest”, en we verkondigen wederom onze vaste toewijding om te antwoorden op de handelingen van de Genade om zijn discipelen te kunnen zijn.

3. Door onszelf onder te dompelen in de dood en verrijzenis van Christus door middel van het Sacrament van het Doopsel, wordne w aangezet onze harten iedere dag te bevrijden van de last van materiële dingen, van een zelfzichtige relatie met de ‘wereld’ die ons verarmt en ons beperkt in onze beschikbaarheid en openheid voor God en onze naaste. In Christus openbaarde God zichzelf als Liefde (vg. 1 Joh. 4:7-10). Het Kruis van Christus, het “woord van het Kruis’ , maakt Gods reddende kracht zichtbaar (vr. 1 Kor. 1:18), de kracht die gegeven is om mannen en vrouwen opnieuw op te richten en hen redding te brengen: dit is liefde in haar meest extreme vorm (vg. Encycliek Deus caritas est, n. 12). Door middel van de traditionele praktijk van vasten, het geven van aalmoezen en gebed, die een uitdrukking zijn van onze toewijding aan bekering, leert de Vastentijd ons hoe de liefde van Christus te beleven op een nog radicalere wijze. Vasten, dat verschillende motivaties kan hebben, krijgt een diepgaande religieuze betekenis voor de christen: door onse tafel te verarmen leren we de zelfzucht te overwinnen om te leven in de logica van gave en liefde; door een vorm van gebrek te leiden – en niet alleen dat wat we in overvloed hebben – leren we weg te kijken van ons ‘ego’, om Iemand die ons nabij is te ontdekken en God te herkennen in het gezicht van zo vele broeders en zuster. In plaats van deprimerend te zijn, opent het vasten, voor ons christenen, ons steeds meer voor God en de noden van anderen, en wordt de liefde voor God ook de liefde voor onze naaste (vg. Marc. 12:31).

Op onze reis worden we vaak geconfronteerd met de verleiding om geld te willen en te verzamelen, een verleiding die Gods voorrang in ons leven ondermijnt. De hebzuicht van bezit leidt tot geweld, uitbuiting en dood; hierom herinnert de Kerk ons eraan, vooral in de Vastentijd, om aalmoezen te geven – dat is de mogelijkheid om te delen. De afgoderij van goederen zorgt er, aan de andere kant, niet alleen voor dat we wegdrijven van anderen, maar ontkleedt de mens, maakt hem ongelukkig, bedriegt hem, misleidt hem zonder beloften te vervullen, omdat het materiële goederen op de plaats van God, de enige bron van leven, zet. Hoe kunnen we Gods vaderlijke goedheid begrijpen als ons hart vol egoïsme en onze eigen projecten zit, ons misleidend dat onze toekomst veilig is? De verleiding is te denken, net als de rijke man in de parabel: “Je hebt daar nu heel wat liggen, jongen, je kunt jaren vooruit…”. We zijn ons allemaal bewust van Gods oordeel: “Jij dwaas, nog deze nacht wordt je leven opgeëist…” (Luc 12:19-20). Het geven van aalmoezen is een herinnering aan Gods primaatschap en richt onze aandacht op anderen, zodat we mogen herontdekken hoe goed onze Vader is, en zijn genade ontvangen.

In de hele Vastentijd biedt de Kerk ons Gods woord aan in bijzondere overvloed. Door het Woord te overwegen en verinnerlijken om het iedere dag te leven, leren we een kostbare en onvervangbare vorm van gebed; door aandachtig luisteren naar God, die tot ons hart blijft spreken, voeden we het reisplan van het geloof dat begon op de dag van ons Doospel. Gebed laat ons ook een nieuw begrip van tijd kennen: zonder het perspectief van de eeuwigheid en transcendentie richt de tijd onze voetstappen in feite naar een horizon zonder toekomst. In plaats daarvan bidden we, vinden we tijd voor God, om te begrijpen dat zijn “woorden niet voorbij zullen gaan” (vg Marc. 13:31), om binnen te gaan in die intieme gemeenschap met hem “die niemand je ooit kan ontnemen” (Joh. 16:22), ons openend voor de hoop die niet teleurstelt, het eeuwig leven.

Samengevat is de Vastenreis, waarin we zijn uitgenodig om het Mysterie van het Kruis te overwegen, bedoeld om in ons “de vorm van Zijn dood” (vg. Phil. 3:10) te reproduceren, of zo een diepgaande bekering te bewerkstelligen in ons leven; dat we worden veranderd door het handelen van de Heilige Geest, zoals St. Paulus op de weg naar Damascus; dat we ons bestaan vast oriënteren volgens de wil van God; dat we worden bevrijd van ons egoïsme, de neiging om anderen te domineren overwinnen en ons openstellen voor de liefde van Christus. De Vastentijd is een geschikte tijd om on zwakheden te herkennen en, door een ware inventarisatie van ons leven, de hernieuwende Genade van het Sacramenten van Boete te accepteren en resoluut in de richting van Christus  te gaan.

Beste broeders en zusters, door de persoonlijke ontmoeting met onze Verlosser en door vasten, het geven van aalmoezen en gebed, leidt de reis van bekering naar Pasen naar een herontdekking van ons Doopsel. Laten wij deze Vastentijd onze aanname van de Genade die God ons op dat moment heeft gegeven vernieuwen, zodat het al ons handelen kan verlichten en leiden. Wat het Sacrament betekent en werkelijkheid maakt, zijn we geroepen iedere dag te ervaren door Christus na te volgen op een steeds vrijgeviger en authentiekere manier. Laten wij ons in hiervoor toevertrouwen aan de Maagd Maria, die het Woord van God in geloof en in het vlees voortbracht, zdat we ons onderdompelen – net zoals zij deed – in de dood en verrijzenis van haar Zoon Jezus, en het eeuwig leven bezitten.

Uit het Vaticaan, 4 november 2010

 

BENEDICTUS PP. XVI

One thought on “Boodschap voor de Vastentijd 2011”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s