Boodschap voor de Vastentijd 2013

“Geloven in liefde roept liefde op”
Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij geloven in haar” (1 Joh 4:16)

Beste broeders en zusters,

In de context van het Jaar van het Geloof biedt de Vastentijd ons een waardevolle kans om de relatie tussen geloof en liefde te overwegen: tussen geloven in God – de God van Jezus Christus – en liefde, de vrucht van de Heilige Geest die ons de weg wijst naar toewijding aan God en aan anderen.

1. Geloof als antwoord op de liefde van God

In mijn eerste encycliek verwoordde ik enkele gedachten over de nauwe band tussen de theologische deugden van geloof en liefde. Beginnend met de fundamentele bewering van Johannes, “Zo hebben wij de liefde leren kennen die God voor ons heeft, en wij geloven in haar” (1 Joh. 4:16), merkte ik op: “Aan het begin van het christenzijn staat niet een ethische beslissing of een grootse gedachte, maar de ontmoeting met een gebeurtenis, met een Persoon die aan ons leven een nieuwe horizon en daarmee zijn definitieve richting gaf … Omdat God ons het eerst heeft liefgehad (vg. 1 Joh. 4:10), is de liefde niet langer alleen maar een “gebod”, maar is zij het antwoord op de gave van de liefde waarmee God ons tegemoet treedt” (Deus Caritas Est, 1). Geloof is deze persoonlijke aanhankelijkheid – waarbij alles wat wij vermogen is betrokken – aan de openbaring van Gods goedgunstige en “gepassioneerde” liefde voor ons, volledig geopenbaard in Jezus Christus. De ontmoeting met God die liefde is betrekt niet alleen het hart, maar ook het intellect: “De kennis van de levende God is een weg naar de liefde, en het ja van onze wil op zijn wil maakt verstand, wil en gevoel één tot een algehele liefdesovergave. Dat is overigens een proces waarin men voortdurend onderweg blijft: liefde is nooit “af” en voltooid” (idem, 17). Daarom is er voor alle christenen, en in het bijzonder voor “liefdadigheidswerkers”, behoefte aan geloof, aan “die ontmoeting met God in Christus […] die in hen de liefde wekt en hun hart opent voor de naaste, zodat naastenliefde voor hen niet langer meer een, om zo te zeggen van buitenaf opgelegd gebod is, maar gevolg van hun geloof, dat in de liefde werkzaam wordt” (idem, 31a). Christenen zijn mensen die zijn overwonnen door de liefde van Christus en als gevolg daarvan, onder de invloed van die liefde – “Caritas Christi urget nos” (2 Kor. 5:14) – staan zij ten diepste voor het liefhebben van de naaste op concrete wijzen (vg. idem, 33). Deze houding komt hoofdzakelijk voort uit het bewustzijn  liefgehad te worden, vergeven, en zelfs gediend te worden door de Heer, die neerknielt om de voeten van de apostelen te wassen en zichzelf aan het Kruis opoffert om de mensheid Gods liefde binnen te halen.

“Het geloof laat ons God zien als de God die zijn Zoon voor ons heeft gegeven, en geeft ons zo de overweldigende zekerheid dat het waar is: God is liefde! … Het geloof, het zich bewust worden van de liefde van God die zich geopenbaard heeft in het doorboorde Hart van Jezus aan het kruis, brengt van zijn kant de liefde voort. Zij is het licht – uiteindelijk het enige – dat een duistere wereld steeds weer verlicht en ons de moed geeft om te leven en tot daden te komen” (idem, 39). Dit alles helpt ons te begrijpen dat juist de “liefde die in het geloof gegrondvest is en daardoor gevormd wordt” (vg. idem, 7) het belangrijkste onderscheidingsteken van christenen is.

2. Liefde als leven in het geloof

Het gehele christelijke leven is een antwoord op Gods liefde. Het eerste antwoord is het geloof als de aanname, vol van verwondering en dankbaarheid, van het ongekende goddelijke initiatief dat ons vooruit gaat en ons oproept. En het “ja” van het geloof geeft het begin aan van een schitterend verhaal van vriendschap met de Heer, die ons hele leven vervult en volledige betekenis geeft. Maar voor God is het niet voldoende dat we zijn vrijgevige liefde slechts aannemen. Hij heeft ons niet alleen lief, maar wil ons tot zichzelf brengen, ons op zo’n diepgaande wijze veranderen zodat we met Sint-Paulus kunnen zeggen: “Ikzelf leef niet meer, Christus leeft in mij” (Gal. 2:20).

Als we ruimte maken voor de liefde van God, dan worden we zoals Hij, deelgenoot aan Zijn eigen liefde. Als we ons openstellen voor Zijn liefde, laten we Hem in ons leven en onszelf met Hem, in Hem en zoals Hem tot liefde komen; alleen dan wordt ons geloof werkelijk “werkzaam door de liefde” (Gal. 5:6); alleen dan woont Hij in ons (vg. 1 Joh. 4:12).

Geloof is het kennen van de waarheid en daaraan vasthouden (vg. 1 Tim. 2:4); liefde is “lopen” in de waarheid (vg. Ef. 4:15). Door het geloof gaan we de vriendschap met de Heer binnen, door de liefde komt deze vriendschap tot leven en wordt zij onderhouden (vg. Joh. 15:14 e.v.). Het geloof zet ons aan het gebod van onze Heer en Meester aan te nemen; liefde geeft ons de vreugde van het in praktijk brengen hiervan (vg. Joh. 13:13-17). In het geloof zijn we verwekt als kinderen van God (vg. Joh. 1:12 e.v.); liefde stelt ons in staat om in ons goddelijke kindschap te volharden, de vrucht van de Heilige Geest te dragen (vg. Gal. 5:22). Het geloof stelt ons in staat de gaven die de goede en vrijgevige God aan ons heeft toevertrouwd te herkennen; de liefde maakt ze vruchtbaar (vg. Matt. 25:14-30).

3. De onverbrekelijke verwevenheid van geloof en liefde

In het licht van bovenstaande is het duidelijk dat we geloof en liefde nooit kunnen scheiden, laat staan tegen elkaar opzetten. Deze twee theologische deugden zijn ten diepste verbonden, en het is een misleiding om een tegenstelling of een “dialektiek” tussen hen voor te stellen. Aan de ene kant zou het te eenzijdig zijn om een sterke nadruk te leggen op de voorrang en de besluitvaardigheid van het geloof te leggen en concrete goede werken onder te waarderen en bijna te verachten, en ze terug te brengen tot een vaag humanitarisme. Maar aan de andere kant is het even nutteloos om de voorrang van de liefde en de handelingen die eruit voortkomen te overdrijven, alsof werken de plaats van het geloof kunnen innemen. Voor een gezond geestelijk leven is het nodig zowel fideïsme als moreel activisme te ontwijken.

Het christelijk leven bestaat uit een constante beklimming van de berg om God te ontmoeten, gevolgd door een afdaling met de liefde en kracht die van Hem afkomstig zijn, om zo onze broeders en zusters met Gods eigen liefde te dienen. In de Heilige Schrift lezen we hoe de ijver van de apostelen om het Evangelie te verkondigen en het geloof van mensen op te wekken nauw verbonden is met hun liefdevolle zorg om de armsten van dienst te zijn (vg. Hand. 6: 1-4). In de Kerk moeten bezinning en handeling, op bepaalde wijze gesymboliseerd door de Evangeliefiguren van Maria en Martha, naast elkaar bestaan en elkaar aanvullen (vg. Luc. 10:38-42). De relatie met God moet altijd voorrang krijgen, en al het werkelijke delen van goederen, in de geest van het Evangelie, moet geworteld zijn in het geloof (vg. Algemene Audiëntie, 25 april 2012).Soms zijn we in feite geneigd om de uitdrukking “liefdadigheid” te beperken tot solidariteit of simpelweg humanitaire hulp. Het is echter belangrijk te weten dat het grootste liefdewerk de evangelisatie is, het “dienstwerk van het woord”. Er is niet heilzamers – en daarom niets liefdadiger – voor de naaste dan het breken van het brood van het woord van God, om met hem het Goede Nieuws van het Evangelie te delen, om hem een relatie met God te leren kennen: evangelisatie is het hoogste en de meeste volledige bevordering van de menselijke persoon. Zoals de Dienaar Gods Paus Paulus VI schreef in de encycliek Popularom Progressio, is de verkondiging van Christus de eerste en belangrijkste bijdrage aan de ontwikkeling (vg. n. 16). Het is de oorspronkelijke waarheid van de liefde van God voor ons, geleefd en verkondigd, die onze levens openstelt om deze liefde te ontvangen en de integrale  van de mensheid en van elke mens mogelijk maakt (vg. Caritas in Veritate, 8).

In essentie komt alles uit Liefde voort en neigt alles naar Liefde. De kosteloze liefde van God wordt ons bekend gemaakt door de verkondiging van het Evangelie. Als we dat met geloof ontvangen, ontvangen we het eerst en onmisbare contact met het goddelijke, dat ons “verliefd” kan laten worden op de Liefde, en dan leven we in deze Liefde, groeien we erin en geven we het met vreugde door aan anderen.

Wat betreft de relatie tussen geloof en goede werken is er een passage in de Brief aan de Efeziërs, die wellicht het beste de band tussen die twee weergeeft: “Inderdaad, aan die genade dankt u uw redding door het geloof; en dat dankt u niet aan uzelf. Gods
gave is het; u dankt het niet aan uw prestaties, opdat niemand trots zou zijn.Gods werk zijn wij, geschapen in Christus Jezus, om in ons leven de goede werken te doen die God voor ons heeft bereid, opdat wij daarin zouden leven” (2:8-10). Hier zien we dat het hele initiatief voor de verlossing van God komt, vanuit Zijn genade, Zijn vergeving in geloof ontvangen; maar in plaats van onze vrijheid en verantwoordelijkheid te beperken, maakt dit initiatief ze juist authentiek en richt het ze op goede werken. Deze zijn niet in de eerste plaats het gevolg van menselijk werk, waar we trots op kunnen zijn, maar ze komen voort uit geloof en vanuit de genade die God in overvloed geeft. Geloof zonder goede werken is als een boom zonder vruchten: de twee deugden impliceren elkaar. Door de traditionele praktijk van het christelijk leven nodigt de Vastentijd ons uit om ons geloof te voeden door aandachtig en uitvoerig te luisteren naar het woord van God en door de sacramenten te ontvangen, en tegelijkertijd in liefde voor God en de naaste te groeien, niet in de laatste plaats door de specifieke handeling van vasten, boete en het geven van aalmoezen.

4. Belang van het geloof, voorrang van de liefde

Zoals elk geschenk van God vinden geloof en liefde hun oorspring in het handelen van één en dezelfde Heilige Geest (vg. 1 Kor. 13), de Geest in ons die uitroept: “Abba, Vader” (Gal. 4:6) en ons doet zeggen: “Jezus is de Heer!” (1 Kor. 12:3) en “Maranatha!” (1 Kor.16:22; Openb. 22:20).

Het geloof, als geschenk en antwoord, laat ons de waarheid van Christus als mensgeworden en gekruisigde liefde kennen, als volledige en volmaakte gehoorzaamheid aan de wil van de Vader en oneindige goddelijke genade naar de naaste; het geloof plant in onze harten en hoofden de vaste overtuiging dat alleen deze Liefde het kwaad en de dood kan overwinnen. Het geloof nodigt ons uit om met de deugd van de hoop naar de toekomst te kijken, met de vaste overtuiging dat de overwinning van de liefde van Christus zijn volheid zal bereiken. Op haar beurt leidt de liefde ons de liefde van God, zichtbaar geworden in Christus, binnen, en verenigd ons op een persoonlijke en existentiële wijze met de volledige en onvoorwaardelijke zelfgave van Jezus aan de Vader en aan Zijn broeders en zusters. Door onze harten met Zijn liefde te vullen maakt de Heilige Geest ons deelgenoten aan de kinderlijke toewijding van Jezus aan God en aan Zijn broederlijke toewijding aan iedere mens (vg. Rom. 5:5).

De relatie tussen deze twee deugden lijkt op de relatie tussen de twee fundamentele sacramenten van de Kerk: Doop en Eucharistie. De Doop (sacramentum fidei) gaat vooraf aan de Eucharistie (sacramentum caritatis), maar is hieraan ondergeschikt, want de Eucharistie is de volheid van de christelijke weg. Op een vergelijkbare wijze gaat geloof vooraf aan de liefde, maar is het geloof alleen authentiek als het door de liefde gekroond wordt. Alles begint met de nederige aanname van het geloof (“weten dat men door God wordt liefgehad”), maar moet uitkomen bij de waarheid van de liefde (“weten hoe God en de naaste lief te hebben”), dat voor altijd blijft bestaan als de vervolmaking van alle deugden (vg. 1 Kor. 13:13).

Beste broeders en zusters, in deze Vastentijd, terwijl we ons voorbereiden op het vieren van de Kruisgebeurtenis en de Verrijzenis – waarin de liefde van God de wereld verlost en Zijn licht over de geschiedenis schijnt – druk ik mijn wens uit dat u allen deze kostbare tijd door mogen brengen met het aanwakkeren van uw geloof in Jezus Christus, om zo met Hem binnen te gaan in de dynamische liefde voor de Vader en voor elke broeder en zuster die we in ons leven ontmoeten. Voor deze intentie richt ik mijn gebed tot God en smeek ik de zegen van de Heer af over ieder individu en over elke gemeenschap!

Uit het Vaticaan, 15 oktober 2012

BENEDICTUS PP. XVI

2 thoughts on “Boodschap voor de Vastentijd 2013”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s