De Gewonde Liturgie

Aan de oorsprong van de Liturgische Beweging ligt de wens van de heilige Paus Pius X, met name uitgedrukt in de motu proprio Tra le Sollecitudini (1903), om de liturgie in ere te herstellen en haar rijkdom meer bereikbaar te maken om zo weer tot een bron van echt Christelijk leven te komen, om de uitdaging van een groeiende secularisatie te onderstrepen en de gelovigen aan te moedigen de wereld aan God toe te wijden. Vandaar de conciliare definitie van de liturgie als “bron en hoogtepunt van het leven en de missie van de Kerk”. Tegen alle verwachtingen in, zoals de Pausen Johannes Paulus II en Benedictus XVI vaak hebben aangegeven, heeft de uitvoering van de liturgische vernieuwing soms geleid tot een soort systematische ontheiliging, terwijl de liturgie steeds meer doordrongen werd van de seculiere cultuur van de wereld, en zo haar eigen aard en identiteit verloor: “Juist dit Christusmysterie verkondigt en viert de Kerk in haar liturgie, opdat de gelovigen eruit leven en ervan getuigen in de wereld” (CKK 1068).

Zonder de ware vruchten van de liturgische vernieuwing te ontkennen kan men wel zeggen dat de liturgie gewond is door wat Johannes Paulus II “onacceptabele praktijken” noemt (Ecclesia de Eucharistia, n. 10) en Benedictus XVI afwijst als “deformaties … die nauwelijks te dragen waren” (brief aan de Bisschoppen ter gelegenheid van de motu proprio Summorum Pontificum). Zo is ook de identiteit van de Kerk en de priester gewond.

In de jaren na het Concilie ontstond een soort van dialectische tegenstelling tussen de voorstanders van liturgische aanbidding en de promotors van het openstellen naar de wereld. Omdat de laatsten het Christelijk leven uiteindelijk reduceerden tot enkel maatschappelijk werk gebasseerd op een opvatting van het geloof, namen de eersten in reactie daarop hun toevlucht tot de pure liturgie, tot aan een ‘rubricisme’, met het risico dat men de gelovigen aanmoedigde om zich bovenmatig af te sluiten van de wereld. In de Apostolische Exhortatie Sacramentum Caritatis maakt Paus Benedictus XVI een einde aan deze controverse en de tegenstelling. De liturgische handeling moet geloof en leven met elkaar combineren. Net als de viering van het Paasmysterie van Christus, werkelijk aanwezig onder Zijn volk, geeft de liturgie een Eucharistische gestalte aan het hele Christelijk leven, en maakt het het tot een “spirituele aanbidding die God welgevallig is”. De toewijding van de Christen aan de wereld, en de wereld zelf, zijn dus door de liturgie geroepen om aan God toegewijd te zijn. De toewijding van de Christen in de missie van de Kerk en in de maatschappij heeft in feite haar oorsprong en aansporing in de liturgie, tot aan de opname in de dynamiek van het offer van de liefde van Christus die daarin werkelijkheid wordt.

Het primaatschap dat Benedictus XVI wil geven aan de liturgie in de Kerk – “Liturgische aanbidding is de hoogste uitdrukking van het priesterlijk en bisschoppelijk leven,” zei hij tot de bisschoppen van Frankrijk in Lourdes op 14 september 2008, tijdens een Buitengwone Plenaire Vergadering – moet de aanbidding terugplaatsen in de kern van het leven van de priester en de gelovigen. In plaats van ‘seculier Christendom’, dat vaak gepaard ging met het uitvoeren van de hervorming van de liturgie, wil Paus Benedictus XVI een ‘theologische Christendom’ bevorderen, de enige die wat hij als prioriteit van deze fase van de geschiedenis heeft genoemd mogelijk kan maken, namelijk “God aanwezig maken in deze wereld en mensen toegang geven tot God” (Brief aan de Bisschoppen van de Katholieke Kerk, 10 maart 2009). Waar beter dan in de liturgie verdiept de priester zijn identiteit, zo goed verwoordt door de schrijver van de Brief aan de Hebreeën: “Want elke hogepriester wordt genomen uit de mensen en aangesteld voor de mensen, om hen te vertegenwoordigen bij God, om gaven en offers op te dragen voor de zonden” (Heb. 5, 1)?

 Het openstellen naar de wereld waartoe Vaticanum II opriep is in de jaren na het Concilie vaak gezien als een soort ‘bekering tot de secularisatie’: het ontbrak in deze houding niet aan vrijgevigheid, maar leidde vaak wel tot verhulling van het belang van de liturgie en het terugbrengen tot een minimum van de noodzaak tot het inachtnemen van de riten, die vaak beschouwd werden als te ver verwijderd van het leven in de wereld die liefde moest zijn en waarmee men volledig in verbinding moest staan, ja zelfs door worden gefascineerd. Het resultaat was een ernstige identiteitscrisis voor de priester die niet langer het belang van de verlossing van de ziel of de noodzaak van de verkondiging van de nieuwheid van het Evangelie van de Verlossing kon onderscheiden. De liturgie is zonder twijfel de plaats bij uitstek voor het uitdiepen van de identiteit van de priester, geroepen om “de secularisatie te bestrijden”; om, zoals Jezus zegt in zijn hogepriesterlijk gebed: “Ik vraag U niet hen uit de wereld weg te nemen, maar hen te behoeden voor de macht van het kwaad. Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik niet van de wereld ben. Maak hen toegewijd aan U in de waarheid; uw woord is waarheid” (Joh 17, 15-17).

 Dit zal zeker mogelijk zijn door middel van een een strictere inachtneming van de liturgische regels die de priester weerhouden van de vereisten, zelfs de onbewuste, om de aandacht van de gelovigen op zijn persoon te vestigen: het liturgische ritueel dat de celebrant geroepen is in broederschap te ontvangen van de Kerk maakt het in feite mogelijk dat de gelovigen gemakkelijker in de nabijheid kunnen komen van Christus de Heer, van wie de liturgische viering een bepalend teken moet zijn, en die altijd op de eerste plaats moet komen. De liturgie is gewond als de gelovigen worden overgelaten aan de willekeur van de celebrant, aan zijn grillen, zijn persoonlijke opvattingen of meningen, zijn eigen verwondingen. Daaruit volgt het belang van het niet banaliseren van de riten die, door ons weg te trekken van de seculiere wereld en dus van de verleiding van de immanentie, ons plotseling kunnen onderdompelen in het Mysterie en ons kunnen openstellen voor het Transcendente. Op die wijze kan men nooit het belang van de stilte, van een innerlijke voorportaal, voorgaande aan de liturgische viering, genoeg benadrukken, waar we worden bevrijd van de zorgen van de seculiere wereld, zelfs de gegronde zorgen, om de gewijde ruimte en tijd binnen te gaan waar God zijn Geheim zal onthullen; de stilte waardoor we ons des te welwillender openstellen voor het handelen van God;  en het belang van de passendheid van een moment van dankzegging, al dan niet opgenomen in de viering, om het innerlijk bereik van de missie die de onze is te begrijpen. De gehoorzaamheid van de priester aan de rubrieken is op zichzelf een stil en welsprekend teken van zijn liefde voor de Kerk waar hij slechts een dienaar van is.

Vandaar ook het belang van de vorming van toekomstige priesters in de liturgie en met name de innerlijke participatie, waarzonder de uiterlijke participatie waar de hervorming om vraagt zielloos zou zijn en zou leiden tot een gedeeltelijk begrip van de liturgie die zich alleen zou uiten als opzichtige theatraliteit, beperkende intellectualiteit van de riten en schadelijke zelf-verintellectualisering van de congregatie. Als actieve participate, het drijvende principe van de liturgische vernieuwing, niet het uitoefenen van een “bovennatuurlijk begrip van het geloof” is, dan is de liturgie niet langer het werk van Christus, maar van mensen. Het belang benadrukkend van de liturgische vorming van priesters, maakte het Tweede Vaticaans Concilie de liturgie één van de hoofonderdelen van de kerkstudies, en vermeed het het te beperken tot een puur intellectuele vorming: feitelijk leeft de liturgie voordat het een te besturderen onderwerp is: “het overstijgt het eigen leven om op te gaan in het leven van Christus”. Het is de ultime opgang van al het Christelijk leven: opgang in geloof en in de Kerk, in lofprijzing en aanbidding, in de missie.

 We zijn daarom allemaal geroepen tot een waar “Sursum corda“. De uitdruk uit de prefatie, “Verheft uw hart”, brengt de gelovigen naar het hart der harten van de liturgie: het Pasen van Christus, zijn heengaan uit deze wereld naar de Vader. De ontmoeting van de Verrezen Jezus met Maria Magdalena op de ochtend van de Verrijzenis is op deze wijze zeer belangrijk: met zijn “Noli me tangere” nodigt Jezus Maria uit om “de werkelijkheid van de hoogste te zien”, en laat Hij haar in haar hart beseffen dat Hij nog niet opgegaan is naar de Vader en vraagt Hij haar om naar de discipelen te gaan en hen te vertellen dat Hij naar Zijn God en onze God, zijn Vader en onze Vader moet gaan. De liturgie is precies de plek van deze verheffing, dit reiken naar God dat het leven een nieuwe horizon heeft, en daarmee een bepalende richting. Mits we het niet beschouwen als iets dat onderhevig is aan al onze menselijke manipulaties, maar we de voorwaarden van de Heilige Kerk met broederlijke gehoorzaamheid in acht nemen.

Zoals Paus Benedictus XVI zei in het besluit van zijn homilie op het Hoogfeest van Petrus en Paulus in 2008: “Als de wereld in zijn geheel de liturgie van God is geworden, als het in zijn werkelijkheid aanbidding is geworden, dan zal het zijn doel hebben bereikt, dan is alles veilig en goed”.

One thought on “De Gewonde Liturgie”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s