Het opmerkzaam hart – Overwegingen over de basis van de Wet

Meneer de President van de Federale Republiek,
Meneer de President van de Bondsdag
Mevrouw de Kanselier,
Mevrouw de President van de Bondsraad,
Dames en Heren, Leden van het Huis

Het is mij een eer en een bron van vreugde om te spreken voor dit voorname huis, voor het parlement van mijn thuisland Duitsland, dat hier samenkomt als een democratisch gekozen vertegenwoordiging van het volk, om te werken aan het welzijn van de Bondsrepubliek Duitsland. Ik zou de President van de Bondsdag willen danken voor zowel zijn uitnodiging om deze toespraak te geven als voor de vriendelijke woorden en waardering waarmee hij mij welkom heeft geheten. Nu richt ik mij tot u, geachte dames en heren, niet in het minst als uw landgenoot die zich zijn hele leven bewust is geweest van de nieuwe banden met zijn afkomst, en de zaken in zijn eigen Duitsland met grote interesse heeft gevolgd. Maar de uitdnoging om deze toespraak te geven was mij uitgevaardigd als paus, als de bisschop van Rome, die de hoogste verantwoordelijkheid voor het katholieke christendom draagt. Dioor deze uitnodiging uit te vaardigen erkent u de rol van de Heilige Stoel als partner in de gemeenschap van volkeren en staten. Vanuit deze vinternationale verantwoordelijkheid die ik draag, zou ik u een aantal gedachten willen voorleggen over de basis van de vrije wet.

Sta me toe mijn overweging over de basis van de wet te beginnen met een kort verhaal uit de Heilige Schrift. In het eerste Boek der Koningen wordt verteld dat God de jonge koning Salomon bij zijn troonsbestijging uitnodigt een verzoek te doen. Wat zal de jonge heerser op dit belangrijke moment vragen? Succes – weelde – een lang leven – de vernietiging van zijn vijanden? Hij kiest geen van deze dingen. In plaatrs daarvan vraagt hij om een opmerkzaam hart om Gods volk te kunnen besturen, en onderscheid te maken tussen goed en kwaad (vg. 1 Kon. 3:9). Met dit verhaal wil de Bijbel ons vertellen wat uiteindelijk van belang zou moeten zijn voor een politicus. Het fundamentele criterium en de motivatie voor zijn werk als politicus moet niet succes zijn, en zeker niet materieel gewin. De politiek moet een streven naar gerechtigheid zijn, en daarom moet het de fundamentele voorwaarden voor vrede vastleggen. Natuurlijk zal een politicus streven naar succes, want zonder succes heeft hij helemaal geen mogelijkheid voor effectief politiek handelen. Maar succes is ondergeschikt aan het criterium van het recht, aan de wil om het juiste te doen, en aan het begrip van wat juist is. Succes kan ook een verleiding zijn en dus een weg naar de vervalsing van wat juist is, naar de vernietiging van het recht. “Zonder recht – wat is de staat dan behalve een grote bende rovers?” zoals Sint Augustinus eens zei. Wij Duitsers weten uit onze eigen ervaring dat deze woorden geen leeg spookbeeld zijn. Wij hebben gezien hoe macht afgescheiden werd vanhet recht, hoe macht zich tegen het recht keerde en het verpletterde zodat de staat een werktuig werd om het recht te vernietigen – een zeer georganiseerde roversbende die de hele wereld kon bedreigen en naar de rand van de afgrond drijven. Het recht dienen en de heerschappij van het kwade bestrijden is en blijft de fundamentele taak van de politicus. Op een moment in de geschiedenis waarin de mens voorheen ongekende macht heeft, heeft deze taak een bijzondere urgentie. De mens kan de wereld vernietingen. Hij kan zichzelf manipuleren. Hij kan, zogezegd, menselijke wezens maken en hij kan hen hun menselijkheid ontzeggen. Hoe herkennen we wat juist is? Hoe kunnen we onderscheid maken tussen goed en kwaad, tussen wat werekelijk juist is en wat juist lijkt. Zelfs nu blijft het verzoek van Salomon de bepalende factor voor politici en de politiek van vandaag.

Voor de meeste zaken die door de wet geregeld moeten worden kan de steun van de meerderheid een voldoende criterium zijn. Maar het is duidelijk dat voor de fundamentele zaken van de wet, waarin de waardigheid van de mens en de mensheid in het geding, het meerderheidsprincipe niet voldoende is: iedereen met verantwoordelijkheid moet persoonlijk de te volgen criteria zoeken voor het formuleren van wetten. In de derde eeuw gaf de grote theoloog Origenes de volgende uitleg voor het verzet van christenen tegen bepaalde wetssystemen: “Stel dat een man die leeft onder de Scythen, wier wetten in tegenspraak zijn met de goddelijke wet, gedwongen zou zijn onder hen te leven … zo’n man zou, ter wille van de ware wet, hoewel illegaal onder de Scythen, rechtmatig banden vormen met gelijkdenken, in tegenspraak met de wetten van de Scythen”. [1]

Deze overtuiging dreef de verzetsbewegingen om zicht tegen het Nazi-regime en andere totalitaire regimes te keren, waarbij zij een grote dienst leverden aan de gerechtigheid en aan de mensheid als geheel. Voor deze mensen was het onweerlegbaar duidelijk dat de wet die van kracht was eigenlijk onwettig was. Maar wanneer het gaat om de beslissingen van een democratische politicus, is de vraag wat nu overeenkomt met de natuurwet, wat werkelijk juist is en als wet mag worden uitgevoerd, minder duidelijk. Volgens de onderliggende antropologische kwesties is wat juist is en in wetten kan worden gevat tegenwoordig geenszins automatisch duidelijk. De vraag hoe te herkennen wat werkelijk juist is en zo het recht te dienen bij het vormen van wetten is nooit simpel geweest, en tegenwoordig, gezien de enorme reikwijdte van onze kennis en kunde, is die nog moeilijker geworden.

Hoe herkennen we wat juist is? In de geschiedenis zijn wetssystemen bijna altijd op religies gebasseerd: beslissingen over wat wetmatig moest zijn onder de mensen werden genomen in relatie tot de godheid. Anders dan andere grote religies heeft het christendom nooit een geopenbaarde wet voorgesteld aan staat en maatschappij, dat wil zeggen een juridische ordening ontleent aan de openbaring. In plaats daarvan wees zij op de natuur en de rede als de ware bronnen van de wet – aan naar de harmonie tussen objectieve en subjectieve rede, die natuurlijk vooronderstelt dat beide zijn geworteld in de scheppende rede van God. Christelijke theologen verbonden zich daarmee aan een filosofische en juridische beweging die vorm begon te krijgen in de twee eeuw voor Christus. In de eerste helft van die eeuw kwam de sociale wet, ontwikkeld door de Stoïcijnse filosofen, in contact met leidende onderwijzers van de Romeinse Wet [2]. Door deze ontmoeting werd de juridische cultuur van jhey westen geboren, die van significant belang was en is voor de juridische cultuur van de mensheid. Dit voorchristelijke huwelijk tussen wet en filosofie opende de deur naar de christelijke Middeleeuwen en de juridische ontwikkelingen van de Verlichting, tot aan de Verklaring van de Rechten van de Mens en onze Duitse Basiswet van 1949, waarmee ons land zich verplichtte tot “onschendbare en onvervreemdbare mensenrechten als de basis van elke menselijke gemeenschap, en van vrede en gerechtigheid in de wereld”.

Voor de ontwikkeling van de wet en voor de ontwikkeling van de mendsheid was het zeer belangrijk dat christelijke theologen zich verbonden tegen de religieuze wet die geassocieerd werd met het polytheïsme en aan de kant van de filosofie, en dat zij de rede en de natuur in hun interrelatie erkenden als de universeel geldende bron van de wet. Deze stap was al gezet door de Heilige Paulus in de Brief aan de Romeinen, toen hij zei: “Wanneer heidenen, die de wet [de Torah van Israel] niet hebben, uit zichzelf doen wat de wet verlangt, zijn zij zichzelf tot wet … Zij tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat. Hun geweten getuigt daarvan” (Rom 2: 14 e.v.). Hier zien we de twee fundamentele concepten van natuur en geweten, waar het geweten niets anders dan het opmerkzaam hart van Salomon, rede die openstaat voor de wet van het zijn. Als dit een duidelijke uitleg scheen te zijn voor de basis van de wetgeving tot de tijd van de Verlichting, en tot de tijd van de Verklaring van de Rechten van de Mens na de Tweede Wereldoorlog en het formuleren van onze Basiswet, dan heeft er in de laaste halve eeuw een belangrijke verschuiving plaatsgevonden in deze situatie. Het idee van de natuurwet wordt tegenwoordig beschouws als een specifiek katholieke doctrine die het niet waard is naar voren te brengen in een niet-katholiek milieu, zodat men bijna beschaamd is om het woord zelfs maar te noemen. Laat me kort omschrijven hoe deze situatie is ontstaan. In de basis komt het door het idee dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen “is” en “zou moeten zijn”. En “zou moeten zijn” kan nooit voortkomen uit een “is”, omdat de twee zich op twee totaal verschillende niveau’s bevinden. De reden hiervan is dat in de tussentijd het positivistisch begrijpen van de natuur bijna universuul geaccepteerd is geworden. Als de natuur – in de woorden van Hans Kelsen – gezien wordt als “een verzameling objectieve data  samengebonden in termen van oorzaak en gevolg”, dan kan er inderdaad geen enkel eethische aanwijzing aan ontleend worden [3]. Een positivistisch concept van de natuur als puur functioneel, zoals de natuurwetenschappen het beschouwen, is niet in staat een brug te slaan naar ethiek en wet, maar geeft wederom alleen functionele antwoorden. Hetzelfde geld voor de rede, volgens het positivistisch begrip dat alom word gezien als het enige werkelijk wetenschappelijke begrip. Alles wat niet te verifiëren of te vervalsen is, behoort, volgens dit begrip, niet tot de rede zoals de strikt begrepen wordt. Daarom moeten ethiek en religie worden verwezen naar het subjectieve, en zij blijven buiten de rede in de strikte betekenis van het woord. Waar de positivistische rede overheerst, tot uitsluiting van al het andere – zoals ruwweg het geval is in onze publieke mindset – dan worden de klassieke bronnen van kennis van ethiek en wet uitgesloten. Dit is een dramatische situatie die invloed heeft op iedereen, en waarover publiek debat nodig is. Een essentieel doel van deze toespraak is een doen van een urgente uitnodiging deze te openen.

De positivistische benadering van natuur en rede, het positivistische wereldbeeld in het algemeen, is een zeer belangrijke dimensie van de menselijke kennis en kunde waar we geenszins zonder moeten kunnen. Maar op zichzelf genomen is het een onvoldoende cultuur voor de volle breedte van het mens zijn. Wanneer de positivistische rede zichzelf beschouwd als de enige voldoende cultuur en alle andere culturele werkelijkheden reduceert tot de status van subcultuur, dan reduceert het de mens, bedreigt het zelfs zijn menselijkheid. Ik zeg in het bijzonder met Europa in gedachten, waar gecoördineerde pogingen worden gedaan om alleen het positivisme te erkennen als een algemene cultuur en algemene basis voor de wet, en alle andere inzichten en waarden van onze cultuur worden teruggebracht tot subculturen, met het gevolg dat Europa in relatie tot andere wereldculturen achterblijft in een staat van cultuurloosheid en er tegelijkertijd extremistische en radicale bewegingen opkomen om de leegte te vullen. In haar zelfverkondigde excusiviteit lijkt de positivistische rede, die niets anders erkent dan pure functionaliteit, op een betonnen bunker zonder ramen, waarin we zelf zorgen voor licht en lucht, niet alnger bereid om deze te ontvangen vanuit Gods wijde wereld. En toch kunnen we voor onszelf het feit niet verbergen dat, zelfs in deze kunstmatige wereld, we stiekem nog steeds de ruwe materialen van God onttrekken en deze hervormen tot onze eigen produkten. De ramen moeten weer opgegooid worden, we moeten de wijde wereld weer zien, de lucht en de aarde, en leren goed gebruik te maken van dit alles.

Maar hoe moeten we dit doen? Hoe vinden we onze weg de wijde wereld, de big picture, in? Hoe kan de rede haar ware grootheid herontdekken, zonder op het zijspoor van de irrationaliteit te worden gezet? Hoe kan de natuur zichzelf in haar ware diepgang herstellen, met al haar eisen en al haar richtlijnen? Ik zou één van de ontwikkelingen in de recente politieke geschiedenis in herinnering willen reoepn, in de hoop dat ik niet verkeerd begrepen word, of tot teveel eenzijdige polemieken word uitgelokt. Ik zou zeggen dat de opkomst van de ecologische beweging in de Duitse politiek sinds de jaren ’70, hoewel ze niet echt de ramen wijd heeft opengegooid, toch een roep voor fris lucht was en is, die niet moet worden genegeerd of terzijde geschoven, juist omdat het teveel gezien wordt als irrationaliteit. Jonge mensen begrepen dat er iets mis is in onze relatie met de natuur, dat materie nu slechts ruw materiaal is om door ons te vormen naar onze wil, maar dat de aarde en eigen waardigheid heeft en dat we haar richtlijnen moeten volgen. Met dit te zeggen steun ik duidelijk niet één specifieke politieke partij – niets kan verder van mijn bedoelingen afstaan. Als er iets mis is in onz relatie met de werkelijkheid, dan moeten we ons allemaal serieus bezinnen op de hele situatie en zijn we allemaal aangemoedigd de basis van onze cultuur in twijfel te trekken. Sta me toe nog even uit te wijden op dit punt. Het belang van de ecologie wordt niet langer in twijfel getrokken. We moeten luisteren naar de taal van de natuur, en we moeten daargepast op antwoorden. Maar ik wil een punt onderstrepen die, zo lijkt me, vergeten wordt, zowel vandaag als in het verleden: mer is ook een ecologie van de mens. De mens heeft ook een natuur die hij moet respecteren en die hij niet naar zijn eigen wil kan manipuleren. De mens is niet slechts zelf-scheppende vrijheid. De mens schept zichzelf niet. Hij is intellect en wil, maar hij is ook natuur, en zijn wil is juist geordend als hij zijn natuur respecteerd, ernaar luistert en zichzelf accepteerd als wie hij is, als iemand die zichzelf niet gemaakt heeft. Op deze manier, en op geen andere, wordt de ware menselijke vrijheid vervult.

Laten we terugkeren naar de fundamentele concepten van natuur en rede, waarmee we begonnen zijn. De grote tegenstander van het juridisch positivisme, Kelsen, liet op 84-jarige leeft – in 1965 – het dualisme van “is” en “zou moeten zijn” achter zich. (Ik vind het geruststellend dat rationeel denken blijkbaar nog steeds mogelijk is op 84-jarige leeftijd!) Eerder had hij gezegd dat normen alleen voort kunnen komen uit de wil. De natuur kon daarom alleen normen bevatten, voegt hij toe, als een wil ze daar had geplaatst. Maar dit, zegt hij, zou een scheppende God inhouden, wiens wil de natuur was binnengegaan.”Elke poging om de waarheid van dit geloof te bespreken is totaal nutteloos,” merkte hij op [4]. Is het dat echt? – vraag ik mezelf af. Is echt nutteloos om je af te vragen of de objectieve rede die zichzelf manifesteert in de natuur niet een scheppende rede, een Creator Spiritus, inhoudt?

Op dit punt zou het culturele erfgoed van Europa ons te hulp moeten komen. De overtuiging dat er een scheppende God is leidde tothet idee van mensenrechten, het idee van gelijkheid van alle mensen onder we wet, de erkenning van de onschendbaarheid van de menselijke waardigheid in elk persoon en het besef dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun handelen. Ons cultureel geheugen is gevormd door deze rationele inzichten. Dit negeren of afwijzen als iets van het verleden zou onze cultuur totaal aan stukken scheuren en beroven van haar compleetheid. De cultuur van Euopa kwam voort uit de ontmoeting tussen Jeruzalem, Athene en Rome – uit de ontmoeting tussen het monotheïsme van Israel, the filosofische rede van de Grieken en de Romeinse wet. Deze drievoudige ontmoeting heeft de innerlijke identiteit van Europa gevormd. In het besef van de verantwoordelijkheid van de mens in het aangezicht van God en in de erkening van de onschendbare waardigheid van elk menselijk persoon, heeft het de criteria van de wet vastgelegd: deze criteria zijn we geroepen te verdedigen op dit moment in de geschiedenis.

Terwijl hij de ambstmantel aannam, werd de jonge Koning Salomon uitgenodigd een verzoek te doen. Hoe zou het zijn als wij, de wetmakers van vandaag, uitgenodigd werden een verzoek te doen? Waar zouden we om vragen? Ik denk dat, zelfs vandaag, er uiteindelijk niets is waar we om kunnen vragen dan een opmerkzaam hart – de kunde onderscheid te maken tussen ged en kwaad, en zo de ware wet vast te leggen, p, gerechtigheid en vrede te dienen. Ik dank u voor uw aandacht!


[1] Contra Celsum, Boek 1, Hoofdstuk 1. Vg. A. Fürst, “Monotheismus und Monarchie. Zum Zusammenhang von Heil und Herrschaft in der Antike”, Theol.Phil. 81 (2006), pp. 321-338, geciteerd op p. 336; vg. ook J. Ratzinger, Die Einheit der Nationen. Eine Vision der Kirchenväter (Salzburg en München, 1971), p. 60.

[2] VG. W. Waldstein, Ins Herz geschrieben. Das Naturrecht als Fundament einer menschlichen Gesellschaft (Augsburg, 2010), pp. 11ff., 31-61.

[3] Vg. Waldstein, op. cit., pp. 15-21.

[4] Vg. Waldstein, op. cit., p. 19.

2 thoughts on “Het opmerkzaam hart – Overwegingen over de basis van de Wet”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s