“Hij kan beter met een molensteen om zijn nek in zee gegooid worden…”

…dan dat hij een van deze kleinen ten val brengt” (Luc 17, 2). Tien jaar van beschuldigingen, rechtszaken en veroordelingen voor pedofilie onder de geestelijkheid. Een interview met Charles J. Scicluna, promotor van het recht voor de Congregatie voor de Geloofsleer. Uit ‘Avvenire’, 13 maart 2010.

door Gianni Cardinale

ROME – Mgr. Charles J. Scicluna is de ‘promotor van het recht’ van de Congregatie van de Geloofsleer. In feite is hij de aanklager van het tribunaal van het vroegere Heilige Officie, wiens taak het is de zogeheten ‘delicta graviora’ te onderzoeken; dat wil zeggen de misdaden die de Katholieke Kerk als het meest ernstig van alle beschouwt: misdaden tegen de Eucharistie en tegen de heiligheid van het Sacrament van Boete, en misdaden tegen het zesde Gebod (“Gij zult geen overspel plegen”) begaan door een geestelijke tegen een persoon jonger dan 18. Volgen de motu proprio “Sacramentum sanctitatis tutela” uit 2001, vallen deze misdaden onder de bevoegdheid van de Congregatie voor de Geloofsleer. In feite behandelt de ‘promotor van het echt’ onder andere de vreselijke kwestie van priesters die beschuldigt zijn van pedofilie, dat om de zoveel tijd naar voren komt in de massamedia. Mgr. Scicluna, een innemende en beleefde Maltees, heeft de reputatie de hem toevertrouwde taken zorgvuldig uit te voeren, zonder aan anderen te delegeren.

V: Monseigneur, u heeft de reputatie ‘hard’ te zijn, maar toch wordt de Katholieke Kerk systematisch beschuldigd van toegevendheid naar ‘pedofiele priesters’.

A: Het kan zijn dat in het verleden – wellicht vanuit een misplaatst verlangen de goede naam van het instituut te beschermen – sommige bisschoppen in de praktijk te toegevend waren naar dit trieste fenomeen. En ik zeg in de praktijk omdat in principe de veroordeling van dit soort misdaden altijd streng en onmiskenbaar is geweest. Denk bijvoorbeeld aan, om ons tot de laatste eeuw te beperken, de beroemde Instructie “Crimen sollicitationis” uit 1922.

V: Was dat niet uit 1962?

A: Nee, de eerste versie dateert van het pontificaat van Pius XI. Daarna, onder de Zalige Johannes XXIII, bracht het Heilig Officie een nieuwe versie uit voor de Concilievaderen, maar daarvan zijn maar 2000 stuks van gedrukt, wat niet voldoende was, en dus werd de verspreiding sine die uitgesteld. In ieder geval, dat waren procedurele regels die gevolgd moesten worden in geval van ongepastheden tijdens de biecht, en andere ernstiger sexueel gemotiveerde misdaden, zoals het sexueel misbruik van minderjarigen.

V: Maar regels die geheimhouding aanraden…

A: Een slechte Engelse vertaling van die tekst heeft mensen doen denken dat de Heilige Stoel geheimhouding afdwong om de feiten te verdoezelen. Maar dat was niet zo. Geheimhouding tijdens de onderzoeksfase diende om de goede naam van alle betrokkenen te beschermen; in de eerste plaats de slachtoffers zelf, en dan de beschuldigde priesters die het recht hebben – zoals iedereen – om als onschuldig beschouwd te worden tot het tegendeel bewezen is. De Kerk pronkt niet graag met gerechtigheid. Regels over sexueel misbruik zijn nooit beschouwd als een verbod om de misdaden aan te klagen bij de burgerautoriteiten.

V: Maar toch wordt dat document geregeld genoemd om de huidige paus, toen hij prefect was van het voormalige Heilige Officie, te beschuldigen van objectieve betrokkenheid bij een beleid van de Heilige Stoel om de feiten te verbergen…

A: Die beschuldiging is vals en lasterlijk. Hierover wil ik een aantal feiten benadrukken. Tussen 1975 en 1985 zijn, naar ik meen, geen zaken van pedofilie door priesters bij onze Congregatie gemeld. Na de publicatie van het Kerkelijk Wetboek in de editie uit 1983 was er een periode van onzekerheid over welke ‘delicta graviora’ onder de bevoegdheid van dit dicasterie. Pas na het motu prioprio uit 2001 viel de misdaad van pedofilie exclusief onder onze bevoegdheid. Vanaf dat moment liet Kardinaal Ratzinger grote wijsheid en duidelijkheid zien in die zaken, evenals grote dapperheid in het onderkennen van een aantal van de moeilijkste en pijnlijkste zaken, ‘sine acceptione personarum.’ Het beschuldigen van de huidige paus van verdoezelen van feiten is daarom, en ik herhaal, vals en lasterlijk.

V: Wat gebeurt er als een priester beschuldigd wordt van een ‘delictum gravius’?

A”Als de beschuldiging goed onderbouwd is is de bisschop verplicht zowel de juistheid als het onderwerp van de beschuldiging te onderzoeken. Als de uitkomst van dit eerst onderzoek overeenkomt heeft hij niet langer enige macht om in die zaak te handelen en moet hij de zaak overgeven aan onze Congregatie waar deze door de afdeling strafrecht.

V: Hoe wordt die afdeling samengesteld?

A: Naast mijzelf als één van de superieuren van het dicasterie, en ik houd mij ook met andere zaken bezig, is er het hoofd van het bureau, Pedro Miguel Funes Diaz, zeven priesters en een lekenadvocaat die deze zaken volgen. Andere ambtenaren van de Congregatie dragen ook op waardevolle wijze bij, afhankelijk van de taal en de specifieke vereisten van elke zaak.

V: Die afdeling wordt er van beschuldig weinig en langzaam te werken…

A: Dat zijn niet-onderbouwde opmerkingen. In 2003 en 2004 kregen wij een grote hoeveelheid zaken te verwerken. Vele daarvan kwamen uit de Verenigde Staten en handelden over het verleden. In de laatste jaren is, God zij dank, het aantal flink afgenomen, en nu proberen we nieuwe zaken te behandelen zodra zo voorkomen.

V: Hoeveel heeft u er tot nu toe behandeld?

A: In totaal hebben we, in de laatste negen jaar (2001-2010), zo’n 3000 zaken van diocesane en religieuze priesters behandelt, die misdaden behandelen van de laatste vijftig jaar.

V: Dat zijn dus drieduizend gevallen van pedofiele priesters?

A: Nee, dat kan je niet zo zeggen. We kunnen zeggen dat ongeveer zestig procent van de zaken voornamelijk over sexuele neigingen naar jongvolwassenen van hetzelfde geslacht ging, nog eens dertig procent ging over heterosexuele relaties, en de overgebleven tien procent waren gevallen van pedofilie volgens de ware betekenis van het woord: dat wil zeggen, gebaseerd op sexuele aantrekking tot minderjarige kinderen. Het aantal gevallen van priesters die beschuldigd werden van pedofilie telde ongeveer driehonderd in de afgelopen negen jaar. Begrijp me alstublieft niet verkeerd, dat zijn er natuurlijk te veel, maar het moet duidelijk zijn dat het fenomeen niet zo wijdverspreid is als wel wordt gedacht.

V: Er zijn dus drieduizend verdachten. Hoeveel zijn er berecht en veroordeeld?

A; Op het moment kunnen we zeggen dat er in twintig procent van de gevallen een volledige rechtszaak, strafrechtelijk of administratief, is geweest, die gewoonlijk plaatsvinden in het eigen bisdom – altijd onder ons toezicht – en slechts heel zelden hier in Rome. We doen dit mede om het proces te versnellen. In zestig procent van de gevallen is er geen rechtszaak geweest, vooral vanwege de hoge leeftijd van de verdachten, maar er zijn wel administratieve en disciplinaire maatregelen tegen hen genomen, zoals het verbod om de Mis te vieren met gelovigen, het verbod de biecht te horen, en de verplichting tot een teruggetrokken leven van gebed. Het moet absoluut duidelijk zijn dat in deze gevallen, waarvan sommige bijzonder opvallend zijn en de aandacht van de media hebben getrokken, er geen absolutie is geschonken. Het is waar dat er geen formele veroordeling is geweest, maar als een persoon verplicht wordt tot een leven van stilte en gebed, moet er een reden voor zijn…

V: Dan blijft er nog twintig procent over…

A: In tien procent van de gevallen, met name de bijzonder ernstige waarin het bewijs overweldigend is, heeft de Heilige Vader de pijnlijke verantwoordelijkheid genomen een decreet van verwijdering uit de geestelijkheid uit te geven. Dit is een zeer ernstige maar onontkoombare maatregel, genomen via administratieve kanalen. In de overige tien procent van de gevallen heeft de beschuldigde priester zelf verzocht om dispensatie van de verplichtingen van het priesterschap, een verzoek dat meteen werd ingewilligd. De betrokkenen bij deze zaken waren priesters in bezit van pedofiel pornografisch materiaal en om die reden veroordeeld door de burgerautoriteiten.

V: Waar komen die drieduizend vandaan?

A: Vooral uit de Verenigde Staten die, over de jaren 2003-2004, ongeveer 80 procent van het totaal aantal zaken uitmaken. In 2009 was het “aandeel” van de Verenigde Staten gezakt tot ongeveer 25 procent van de 223 zaken van over de hele wereld. In recente jaren (2007-2009) was het jaarlijkse gemiddelde van zaken die van over de hele wereld aan de Congregatie werden gemeld 250. Veel landen kenden slechts één of twee gevallen. Er is dus een groeiende variatie en aantal van landen waar zaken plaatsvinden, maar het fenomeen zelf is sterk gereduceerd. We moeten ook onthouden dat het totale aantal diocesane en religieuze priesters in de wereld 400,000 is, maar deze cijfers komen niet overeen met de suggestie die wordt gewekt als deze trieste gevallen de voorpagina’s van de kranten domineren.

V: En in Italië?

A: Tot nu toe lijkt het gebeuren nog geen dramatische proporties te hebben aangenomen, maar het baart me wel zorgen dat er een zekere cultuur van stilte is die nog steeds te wijd verspreid is in het land. De Italiaanse bisschoppenconferentie biedt een prima technisch-juridische adviesdienst voor bisschoppen die met zulke dingen te maken krijgen. Ik ben ook heel blij de steeds grotere toewijding van de Italiaanse bisschoppen te zien om licht te werpen op de gevallen die aan hen worden gemeld.

V: U zei dat er in ongeveer twintig procent van de drieduizend gevallen die u in de afgelopen negen jaar heeft onderzocht een rechtszaak is geweest. Mondden die allemaal uit in een veroordeling van de verdachte?

A: Veel rechtszaken in het verleden eindigden inderdaad met de veroordeling van de verdachte. Maar er zijn ook gevallen geweest waarin de priester onschuldig werd verklaard, of waarin de beschuldigingen niet van voldoende bewijs waren voorzien. Maar in alle gevallen is er niet een onderzoek naar de schuld of onschuld van de beschuldigde priester, maar ook een onderscheiden van zijn geschiktheid voor het openbaar dienstwerk.

V: Een terugkerende beschuldiging tegen de kerkelijke hiërarchie is dat de burgerlijke autoriteiten niet worden ingeschakeld als zij melding krijgen van gevallen van pedofilie.

A: In sommige Engelstalige landen, maar ook in Frankrijk, zijn bisschoppen verplicht misdaden die door hun priesters zijn gepleegd te melden bij de rechterlijke macht, als zij er van horen buiten de Biecht. Dit is een bezwarende taak omdat de bisschoppen iets moeten dan dat vergelijkbaar is met een vader die zijn eigen zoon onteigend. Maar onze richtlijn in deze situaties is het respecteren van de wet.

V: En in landen waar bisschoppen deze wettelijke plicht niet hebben?

A: In die gevallen dwingen we bisschoppen niet om hun priesters te onteigenen, maar moedigen we hen aan contact op te nemen met de slachtoffers en hen te verzoeken de priesters door wie zij zijn misbruikt te onteigenen. Verder verzoeken wij bisschoppen alle geestelijke – en niet alleen geestelijke – begeleiding te geven aan die slachtoffers. In een recent geval van een priester die door een burgertribunaal in Italië was veroordeeld, raadde juist deze Congregatie de aanklagers, die zich naar ons hadden gewend voor een kerkrechtelijke veroordeling, aan de burgerautoriteiten er in te betrekken, in het belang van de slachtoffers en om andere misdaden te voorkomen.

V: Een laatste vraag: kunnen “delicta graviora” verjaren?

A: Hier raakt u in mijn opzicht een gevoelig punt. In het verleden, voor 1898, was een verjaring onbekend in het kerkrecht. Voor de ernstigste misdaden werd pas in het motu proprio van 2001 een verjaring na tien jaar ingevoerd. In overeenstemming met deze regels in gevallen van sexueel misbruik, begint de periode van tien jaar op de dag dat de minderjarige achttien wordt.

V: Is dat voldoende?

A: De praktijk leert dat de grens van tien jaar in deze gevallen niet voldoende is, en het zou beter zijn om terug te keren naar het vroegere systeem waarin “delicta graviora” niet kunnen verjaren. Op 7 november 2002 gaf de Eerbiedwaardige Dienaar Gods Johannes Paulus II dit dicasterie toestemming de verjaring per geval in te trekken na een redelijk verzoek van de bisschop in kwestie. En dat verzoek wordt gewoonlijk ingewilligd.

3 thoughts on ““Hij kan beter met een molensteen om zijn nek in zee gegooid worden…””

  1. Na wat er vandaag (10/9/10 gebeurd is, nl. de persconferentie van dr. Adriaensens in Brussel, voel ik mij in zekere zin bekocht. Ik weet dat er zo iets bestaat als „esprit de corps” zoals men het in het Frans noemt: als een lid van een korps als de magistratuur, het leger of de Kerk beschuldigd wordt, worden allen andere leden van het korps verondersteld front te vormen om het lid te beschermen. Maar misd

  2. Na wat er vandaag (10/9/10 gebeurd is, nl. de persconferentie van dr. Adriaensens in Brussel, voel ik mij in zekere zin bekocht. Ik weet dat er zo iets bestaat als „esprit de corps” zoals men het in het Frans noemt: als een lid van een korps als de magistratuur, het leger of de Kerk beschuldigd wordt, worden allen andere leden van het korps verondersteld front te vormen om het lid te beschermen. Maar misdaden tegen minderjarigen zijn onvergeeflijk. Zie het citaat in de hoofding van het artikel (dat bijna letterlijk bij de drie „synoptici” voorkomt. Al degenen die zich aan kinderen vergrepen in de Kerk hebben dat gelezen. Maar blijkbaar zijn er toch die dat vergeten.
    Het feit dat dat in alle „korpsen” voorkomt is geen excuus voor bedienaars van de Kerk, integendeel. Het kan zijn dat het niet expliciet in de militaire codex of de gerechtelijke deontologie staat, maar het staat verdomme in de bijbel!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s