Homilie tijdens de Mis voor Paus Johannes Paulus II

Eerbiedwaardige broeders in het Bisschopsambt en het Priesterschap,

Beste Broeders en Zusters!

We zijn verzameld rond het altaar, vlakbij het graf van de Apostel Petrus, om het Eucharistisch offer op te dragen voor de eeuwige rust van de verkozen ziel van de Eerbiedwaardige Johannes Paulus II, op de vijfde verjaardag van zijn dood. We doen dit een paar dagen te vroeg, omdat 2 april dit jaar Goede Vrijdag is. We zitten in elk geval in de Goede Week – een context die des te beter geschikt is voor bezinning en gebed, waarin de liturgie is des te intenser de laatste dagen van Jezus’ leven op aarde laat beleven. Ik wil mijn dank uitdrukken aan u allen die deelnemen aan deze Mis. Ik groet in vriendschap de kardinalen – in het bijzonder Aartsbisschop Stanislao Dziwisz – de bisschoppen, priesters, religieuze mannen en vrouwen, evenals de pelgrims die vanuit Polen hierheen zijn gekomen, en zo vele jonge mensen en ontelbare gelovigen die deze vieren niet wilden missen.

In de eerste Bijbeltekst die we hoorden presenteert de profeet Jesaja het beeld van een ‘dienaar van God’, die tegelijkertijd zijn uitverkorene is, waarin Hij behagen schept. De dienaar zal handelen met onverbrekelijke strengheid, met een energie die niet aflaat tot hij de taak die hem was gegeven heeft volbracht. Maar hij zal niet de menselijke middelen tot zijn beschikking hebben die onmisbaar lijken om op zo’n grootse wijze te handelen. Hij zal zichzelf geven met de kracht van overtuiging, en de Geest die God hem heeft geven zal hem de kracht geven om in nederigheid en kracht te handelen, en hem verzekeren van uiteindelijk succes.

Dat wat de profeet zegt over de dienaar kunnen wij toepassen op onze geliefde Johannes Paulus II: de Heer riep hem in zijn dienst en gaf hem steeds verantwoordelijker taken, vergezelde hem ook van zijn genade en zijn blijvende hulp. Gedurende zijn lange pontificaat hield hij zich bezig met het streng verkondigen van de wet, zonder zwakte of twijfel, vooral wanneer hij werd tegengewerkt, of met vijandschap en afwijzing werd geconfronteerd. Hij wist dat God hem in zijn hand hield, en dit maakte het hem mogelijk om een zeer vruchtbaar dienstwerk uit te oefenen waarvoor we, wederom, vurig dank zeggen tot God.

Het Evangelie dat we hoorden neemt ons mee naar Bethanië waar, zoals de evangelist opmerkt, Lazarus, Martha en Maria een maaltijd voor de Meester gaven (Jo. 12:1). Dit banket in het huis van drie vrienden van Jezus wordt gekenmerkt door de voorgevoelens van spoedige dood: de zes dagen voor Pesach, de verwijzing naar de verrader Judas, Jezus’ antwoord dat verwijst naar één van de gelovige begrafenisdaden van Maria, de aanwijzing dat Hij niet altijd bij hen zal zijn, het besluit om Lazarus te elimineren, waarin de wil om Jezus te doden wordt weerspiegeld.

In dit Evangelieverhaal wil ik uw aandacht vestigen op een bepaalde handeling: Maria van Bethanië “kwam met een litra echte, heel dure nardusbalsem naar Jezus toe, zalfde daarmee zijn voeten en droogde die met haar haren af” (Joh 12:3). Maria’s daad is een uitdrukking van groot geloof en liefde naar de Heer: voor haar was het niet voldoende om de voeten van de Meester met water te wassen, maar ze wast ze met een grote hoeveelheid kostbare balsem dat – zoals Judas aangeeft – verkocht had kunnen worden voor driehonderd denariën; Ze zalft dus niet het hoofd, zoals de gewoonte was, maar de voeten: Maria biedt Jezus al het kostbare wat ze heeft in een daad van diepgaande aanbidding. Liefde berekent niet, meet niet, maakt zich niet druk om uitgaven, stelt geen grenzen, maar kan met vreugde geven, zoekt alleen het welzijn van de ander, overstijgt gierigheid, geldzucht, afkeuring, de bekrompenheid die de mens soms in zijn hart draagt.

Maria zet zichzelf neer aan de voeten van Jezus, in de nederige houding van dienstbaarheid, zoals de Meester zelf zal doen tijdens het Laatste Avondmaal: Hij “stond van tafel op, legde zijn bovenkleren af en bond een linnen schort om zijn middel. Daarna goot Hij water in een waskom en begon Hij de voeten van zijn leerlingen te wassen” (Joh. 13: 4-5), want, zo zegt Hij, “je moet doen zoals Ik voor jullie heb gedaan” (v. 15): de regel van de gemeenschap van Jezus is die van dienstbare liefde tot aan het opgeven van het eigen leven.

En de balsem wordt uitgegoten: “Het huis,” zo zegt de evangelist, “werd vervuld van de balsemgeur” (Joh. 12:3). De betekenis van Maria’s daad, een antwoord op de oneindige liefde van God, wordt onder alle gasten verspreid; elke daad van liefde en van ware devotie tot Christus blijft niet slechts persoonlijk, gaat niet alleen over de relatie tussen het individu en de Heer, maar gaat het hele lichaam van de Kerk aan. Het is besmettelijk: het geeft liefde, vreugde, licht.

“In zijn eigen huis is Hij gekomen, en zijn eigen mensen hebben Hem niet opgenomen” (Joh 1:11): in contrast met Maria’s daad zijn de woorden en houding van Judas die, onder het mom van hulp aan de armen, het egoïsme en de valsheid van de in zichzelf teruggetrokken man verbergt, geketend door de hebzucht van bezit, die zichzelf niet laat opnemen in het de goede geur van de hemelse liefde. Judas berekent waar niet berekend kan worden, hij komt met een gierige geest in een ruimte van liefde, van geven, van totale toewijding. En Jezus, die tot dat moment had gezwegen, komt tussenbeide ten faveure van Maria: “Laat haar! Ze moest die balsem bewaren voor de dag van mijn begrafenis” (Joh. 12:7).

Jezus begrijpt dat Maria de liefde van God aanvoelt en geeft aan dat nu Zijn ‘uur’ naderbij komt, het ‘uur’ waarin de Liefde zijn ultieme uitdrukking vindt op het hout van het Kruis: de Zoon van God geeft zichzelf, zodat de mens kan leven; Hij daalt af in de afgrond van de dood om de mens te verheffen naar de hoogte van God; Hij is niet bang zichzelf nederig te maken en gehoorzaam te worden “tot de dood, de dood aan een kruis” (Fil. 2:8). In de homilie over deze passage uit het Evangelie, spreekt Sint Augustinus tot ieder van ons, met uitdrukkelijke woorden, over de uitnodiging om binnen te gaan in deze liefdescirkel, in navolging van de daad van Maria, en onszelf binnen de navolging van Christus te plaatsen. Augustinus schrijft: “Elke ziel die trouw wil zijn, verenigd zichzelf met Maria die met kostbare olie de voeten van de Heer balsemt. (…) Balsem de voeten van de Heer: volg de voetstappen van de Heer door een waardig leven te leiden. Droog Zijn voeten met je haar: als er iets overbodig is, geef het aan de armen, en je zult de voeten van de Heer hebben gedroogd” (In Ioh. evang., 50, 6).

Beste broeders en zusters! Het hele leven van de Eerbiedwaardige Johannes Paulus II ontvouwde zich in het teken van deze liefde, in het zichzelf vrijgevig geven, zonder voorwaarden, zonder beperkingen, zonder berekening. Wat hem dreef was de liefde voor Christus, aan wie hij zijn leven had gewijd, een overvloedige en onvoorwaardelijke liefde. Precies omdat hij steeds dichter naar God groeide in liefde, kon hij een medereiziger van de moderne mens zijn, de geur van de liefde van God verspreidend in de wereld. Wie de vreugde had hem te kennen en te bezoeken, kon met de hand voelen hoe levend de zekerheid was in hem, van “de goedheid van de heer te genieten in dit land van de levenden”, zoals we hoorden in de antwoordpsalm (26/27: 13); een zekerheid die hem gedurende zijn bestaan vergezelde en die in het bijzonder duidelijk werd in de laatste dagen van zijn pelgrimstocht op deze aarde: de toenemende lichamelijke zwakheid had nooit een effect op dit rotsvaste geloof, deze lichtende hoop, deze vurige liefde. Hij liet zichzelf door Christus opnemen, voor de Kerk, voor de hele wereld: hij beleefde zijn lijden tot aan het einde voor en met liefde.

In de homilie voor de 25e verjaardag van zijn pontificaat deelde hij dat hij op het moment van zijn verkiezing zeer sterk de vraag van Jezus aan Petrus voelde in zijn haart: “Heb je Me lief, meer dan de anderen hier?” (Joh. 21: 15); en hij voegt daar aan toe: “Iedere dag vindt in mijn hart dezelfde dialoog plaats tussen Jezus en Petrus. Geestelijk richt ik mijn blik op de liefdevolle blik van de Verrezen Christus. Hij echter, bewust van mijn menselijke zwakheid, moedigt me aan om in vertrouwen zoals Petrus te antwoorden: “Heer, U die alles weet, U beseft toch wel dat ik van U houd” (Joh. 21:17). En dan nodigt Hij me uit om de verantwoordelijkheid te nemen die Hij zelf aan mij heeft toevertrouwd” (16 oktober 2003). Dit zijn woorden beladen met geloof en liefde, liefde van God, dat alles overwint.

[in het Pools]

Als laatste wil ik de Polen hier aanwezig begroeten. Velen van jullie zijn rond het graf van de Eerbiedwaardig Dienaar Gods bijeen gekomen met een speciaal gevoel, als dochter en zonen van hetzelfde land, opgegroeid in dezelfde cultuur en spirituele traditie. Het leven en werk van Johannes Paulus II, grote Pool, kan voor jullie reden voor trots zijn.

Maar het is nodig dat jullie je ook herinneren dat dit ook een grote oproep is om gelovig te getuigen van het geloof, de hoop en de liefde, dat hij ons zonder onderbreken leerde. Moge op voorspraak van Johannes Paulus II de zegen van de Heer jullie altijd ondersteunen.

[In het Italiaans]

Terwijl we de Eucharistische viering voort zetten aan de vooravond van de glorievolle dagen van het Lijden, Sterven en Verrijzen van de Heer, laten we ons met zekerheid toevertrouwen – naar het voorbeeld van de Eerbiedwaardige Johannes Paulus II – aan de tussenkomst van de Heilige Maagd Maria, Moeder van de Kerk, zodat zij ons zal ondersteunen in de toewijding om in alle omstandigheden onvermoeibare apostelen te zijn van haar goddelijke Zoon en zijn genadige Liefde. Amen!

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s