Homilie voor de opening van het Jaar van het Geloof

Geliefde broeders bisschoppen,
Geliefde broeders en zusters!

Vandaag, vijftig jaar na de opening van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, beginnen we met vreugde aan het Jaar van het geloof. Ik ben verheugd u allen te begroeten, in het bijzonder Zijne Heiligheid Bartholomaios I, Patriarch van Constantinopel, en Zijne Excellentie Rowan Williams, Aartsbisschop van Canterbury. Een speciale groet aan de Patriarchen en Grootaartsbisschoppen van de Oosterse Katholieke Kerken, en aan de Voorzitters van de Bisschoppenconferenties. Om het Concilie, waarvan sommige aanwezigen de genade hadden dit zelf mee te maken – en ik groet hen met bijzondere affectie -, in herinnering te roepen is deze viering verrijkt met een aantal bijzondere tekenen: de openingsprocessie, bedoelt om de gedenkwaardige processie van de Concilievaders, toen zij deze basiliek binnentraden, in herinnering te brengen; de intronisatie van een kopie van het Evangelieboek dat tijdens het Concilie werd gebruikt; de toewijzing van de zeven laatste Boodschappen van het Concilie, en van de Katechismus van de Kathoieke Kerk, dat ik zal doen voor de laatste zegen. Deze tekenen helpen ons niet alleen herinneren, zij bieden ons ook de kans om het herdenken te overstijgen. Zij nodigen ons uit dieper binnen te gaan in de geestelijke beweiging die Vaticanum II kenmerkte, het ons eigen te maken en het te ontwikkelen volgens de ware betekenis ervan. En die ware betekenis was en blijft het geloof in Christus, het apostolisch geloof, tot leven gebracht door het innerlijk verlangen om Christus te delen met individuën en alle mensen, in de pelgrimstocht van de Kerk over de wegen van de geschiedenis.

Het Jaar van het Geloof dat we vandaag openen is op harmonieuze wijze verbonden met de hele weg van de Kerk in de afgelopen vijftig jaar: van het Concilie, via het leerambt van de Dienaar Gods Paulus VI, die in 1967 een Jaar van het Geloof afkondigde, tot het Grote Jubeljaar 2000, waarmee de Zalige Johannes Paulus II aan de gehele mensheid Jezus Christus opnieuw voorstelde als de ene Verlosser, gisteren, vandaag en morgen. Tussen deze twee pausen, Paulus VI en Johannes Paulus II bestond er een diepgaande convergentie, precies in Christus als centrum van het universum en van de geschiedenis, en in de apostolische ijver om Hem aan de wereld te verkondigen. Jezus is het centrum van het christelijk geloof. De christen gelooft in God wiens aangezicht werd geopenbaard door Jezus Christus. Hij is de vervolmaking van de Schrift en de definitieve vertaler ervan. Jezus Christus is niet alleen onderwerp van het geloof, maar, zoals er staat geschreven in de Brief aan de Hebreeën, Hij is “de leidsman en voltooier van ons geloof” (12:2).

Het Evangelie van vandaag vertelt ons dat Jezus Christus, door de Vader gewijd in de Heilige Geest, het ware en eeuwige onderwerp van evangelisatie is. “De Geest van de Heer rust op mij; daartoe heeft Hij mij gezalfd.  Om aan armen de goede boodschap te brengen” (Luc. 4:18). Deze missie van Christus, deze beweging van Hem, gaat door in ruimte en tijd, door eeuwen en werelddelen. Het is een beweging die begint bij de Vader en die, in de kracht van de Geest, uitgaat om het goede nieuws aan de armen, zowel materieel als geestelijk, te brengen. De Kerk is het eerste en meest noodzakelijke werktuig van dit werk van Christus omdat het met Hem verenigd is als een lichaam met het hoofd. “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie” (Joh. 20:21), zegt de Verrezene aan Zijn leerlingen, en Zijn adem over hen blazend voegt Hij toe, “Ontvang de Heilige Geest” (22). Door Christus is God het belangrijkste onderwerp van de evangelisatie in de wereld; maar Christus zelf wilde Zijn eigen missie dorgeven aan de Kerk; dit deed Hij, en blijft Hij doen, tot aan het einde der tijden, Zijn Geest uitgietend over de leerlingen, dezelfde Geest die over Hem kwam en in Hem bleef gedurende Zijn hele aardse leven, en Hem de kracht gaf “om aan gevangenen hun vrijlating aan te kondigen en aan blinden het licht in hun ogen, om verdrukten in vrijheid te laten gaan” en “een jaar af te kondigen dat de Heer welgevallig is” (Luc. 4:18-19).

Het Tweede Vaticaans Concilie wilde het onderwerp van het geloof niet in één specifiek document behandelen. Het was echter gedreven door een verlangen om zich, als het ware, onder te dompelen in het christelijk mysterie om het zo op vruchtbare wijze opnieuw voor te stellen aan de moderne mens. De Dienaar Gods Paulus VI drukte het, twee jaar na het einde van het Concilie, als volgt uit: “Zelfs als het Concilie niet uitdrukkelijk over het geloof spreekt, spreekt het erover op elke pagina, erkent het haar uiterst belangrijke en bovennatuurlijke aard, neemt het haar aan als compleet en sterk, en bouwt het voort op haar leringen. We hoeven slechts te denken aan een aantal van de verklaringen van het Concilie om het grote belang te begrijpen dat het Concilie, overeenkomstig de doctrinale traditie van de Kerk, aan het geloof, het ware geloof, met Christus als haar bron en het leerambt van de Kerk als kanaal, hecht” (Algemene Audiëntie, 8 maart 1967). Aldus Paulus VI.

We richten ons nu op degene die het Tweede Vaticaans Concilie bijeen riep en het opende: de Zalige Johannes XXIII. In zijn openingstoespraak presenteerde hij het belangrijkste doel van het Concilie op deze wijze: “Wat het Oecumenisch Concilie bovenal aangaat is het volgende: dat het heilige erfgoed van de christelijke leer wordt bewaard en effectiever wordt onderwezen […] Daarom is het belangrijkste doel van dit Concilie niet de discussie over dit of dat leerstellige onderwerp… Daar is geen Concilie voor nodig… [maar] deze zekere en onveranderlijke leer, dat gelovig moet worden gerespecteerd, moet worden verkend en gepresenteerd op een manier die overeenstemd met de noden van onze tijd” (AAS 54 [1962], 790,791-792).

Gezien deze woorden, kunnen we begrijpen wat ik zelf toentertijd voelde: tijdens het Concilie was er een emotionele spanning tegenover de algemene taak om de waarheid en schoonheid van het geloof in onze tijd te laten stralen, zonder het op te offeren aan de eisen van het heden of het aan het verleden gebonden te laten: de eeuwige aanwezigheid van God weerklinkt in het geloof, de tijd overstijgend, maar het kan alleen door ons worden ontvangen in ons eigen onherhaalbare heden. Daarom geloof ik dat het het belangrijkste is, vooral op zo’n significante gelegenheid als deze, om in de hele Kerk die positieve spanning, dat verlangen om Christus wederom aan de moderne mens te verkondigen, opnieuw tot leven te brengen.  Maar om deze innerlijke druk naar de nieuwe evangelisatie noch zomaar een idee te laten blijven, noch te laten verdwalen in verwarring, moet het op een concrete en duidelijke basis worden opgebouwd, en deze basis is de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie, de plaats waar het tot uitdrukking is gekomen. Daarom heb ik vaak gestaan op de noodzaak om, als het ware, terug te keren naar de “letter” van het Concilie – dat wil zeggen de teksten – mede om hieruit de ware geest te onderscheiden, en waarom ik heb herhaald dat het ware erfgoed van Vaticanum II hierin te vinden is. Verwijzen naar de documenten beschermt ons tegen de extremen van anachronistische nostalgie en te snel vooruit lopen, en laat wat nieuw is worden ontvangen in een context van continuïteit. Het Concilie heeft niets nieuws geformuleerd in de zaken van het geloof, noch heeft het het oude willen vervangen. Veeleer heeft het zich beziggehouden met zien dat hetzelfde geloof in de huidige tijd beleefd kan blijven worden, dat het een levend geloof kan blijven in een wereld van verandering.

Als we onszelf in harmonie plaatsen met de authentieke benadering die de zalige Johannes XXIII heeft willen geven aan Vaticanum II, zullen we in staat zijn dit te realiseren tijdens dit Jaar van het Geloof, dezelfde weg van de Kerk volgend, die constant ijvert om het erfgoed van het geloof, aan haar toevertrouwd door Christus, uit te diepen. De Concilievaders wilden het geloof op een betekenisvolle manier aanbieden, en als zij zich vol vertrouwen openstelden voor dialoog met de moderne wereld, dan is dat omdat zij zeker waren in hun geloof, de sterke rots waarop zij stonden. In de jaren die volgden, echter, accepteerden velen kritiekloos de overheersende mentaliteit, daarbij dezelfde basis van het erfgoed van het geloof in twijfel brengend, dat zij helaas niet maar als waarheid konden aannemen.

Als de Kerk vandaag de dag een Jaar van het Geloof en een nieuwe evangelisatie aankondigt, dan is dat niet ter ere van een jubileum, maar omdat er nood aan is, meer nog dan vijftig jaar geleden! En het antwoord dat op deze nood gegeven moet worden is het antwoord dat verlangd werd door de pausen, door de Concilievaders en gevat in haar documenten. Zelfs het initiatief om een Pauselijke Raad voror de bevordering van de nieuwe evangelisatie, die ik dank voor hun bijzondere inzet voor het Jaar van het geloof, op te zetten, dient te worden begrepen in dit verband. De afgelopen decennia waren getuige van de opkomst van een geestelijke “woestijnvorming”. In de tijd van het Concilie was het al mogelijk om vanuit enkele tragische pagina’s van de geschiedenis te weten hoe een leven of een wereld zonder God er uit zou zien, maar nu zien we het iedere dag om ons heen. De leegte heeft zich uitgebreid. Maar door te beginnen met de ervaring van deze woestijn, deze leegte, kunnen we opnieuw de vreugde van geloven, het levensbelang ervan voor ons, mannen en vrouwen, ontdekken. In de woestijn herontdekken we de waarde van wat van essentieel belang voor het leven is; zo zijn er in de wereld van vandaag ontelbare tekenen, vaak impliciet of negatief uitgedrukt, van de dorst naar God,  naar de ultieme betekenis van het leven. En in de woestijn zijn er mensen van geloof nodig die met hun eigen levens de weg wijzen naar het Beloofde Land en de hoop levend houden. Levend geloof opent het hart voor de genade van God, dat ons bevrijdt van pessimisme. Vandaag, meer dan ooit, betekent evangeliseren getuigen van het nieuwe leven, veranderd door God, en zo de weg wijzen. De eerste lezing sprak over de wijsheid van de reiziger (vg. Sir. 34:9-13): de reis is een metafoor voor het leven, en de wijze reiziger is iemand die de kunst van het leven heeft geleerd, en het kan delen met zijn broeders – zoals gebeurt met pelgrims op de Weg van Jacobus of vergelijkbare routes die, niet toevallig, tegenwoordig weer populair zijn geworden. Hoe komt het dat zoveel mensen tegenwoordig de noodzaak voelen om deze reizen te maken? Is het niet omdat zij daar de betekenis van ons bestaan in de wereld vinden, of tenminste aanvoelen? Zo kunnen we ons dan het Jaar van het Geloof voorstellen: een pelgrimstocht in de woestijn van de moderne wereld, waarbij we alleen wat nodig is meenemen: geen stok, geen reistas, geen brood, geen geld, noch extra kleren – zoals de Heer zei tot degenen die Hij op missie stuurde (vg. Luc. 9:13), maar het Evangelie en het geloof van de Kerk, waarvan de documenten van het Concilie een heldere uitdrukking zijn, net zoals de Katechismus van de Katholieke Kerk, twintig jaar geleden uitgegeven, dat is.

Eerbiedwaardige en geliefde broeders, 11 oktober 1962 was het feest van de Allerheiligste Maagd Maria, Moeder van God. Laat ons aan haar het Jaar van het Geloof toevertrouwen, zoals ik vorige week deed op pelgrimstocht naar Loreto. Moge de Maagd Maria altijd als een ster schijnen over de weg van de nieuwe evangelisatie. Moge zij ons helpen de aansporing van de Heilige Paulus in de praktijk te brengen: “Laat het woord van Christus in volle rijkdom onder u wonen. Leer en vermaan elkaar met alle wijsheid […] Doe alles wat u in woord of daad verricht in de naam van de Heer Jezus, God de Vader dankend door Hem” (Kol. 3:16-17).

Amen.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s