Homilie voor Goede Vrijdag 2013

“Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid. Allen worden gratis door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is. Voor wie gelooft heeft God Hem aangewezen als middel van verzoening door zijn bloed. God wilde zo zijn gerechtigheid tonen … opdat zou blijken dat Hijzelf rechtvaardig is door ieder rechtvaardig te maken die leeft vanuit het geloof in Jezus” (Rom. 3:23-26).

We zijn aangekomen bij het hoogtepunt van het Jaar van Het geloof en het beslissende moment ervan. Dit is het geloof dat redt, het “kan de wereld overwinnen” (1 Joh. 5:5)! Geloof – door de toeëigening ervan maken we de verlossing die Christus behaalde de onze, waardoor we de mantel van Zijn gerechtigheid op ons nemen. Aan de ene kant is er de uitgestrekte hand van God die de mens Zijn genade biedt; aan de andere kant, de hand van de mens die ernaar reikt door het geloof. Het “nieuwe en altijddurende verbond” is verzegeld met een handdruk tussen God en mens.

We hebben de kans om op deze dag de belangrijkste beslissing te nemen van ons leven, één die voor ons de deuren van de eeuwigheid wijd opengooit: te geloven! Te geloven dat Jezus “is overgeleverd vanwege onze overtredingen en is opgewekt ter wille van onze rechtvaardiging” (Rom 4:25)! In een Paashomilie uit de vierde eeuw sprak de bisschop deze buitengewoon moderne en, men zou kunnen zeggen, existentialistische woorden: “Voor iedere mens is het begin van het leven het moment dat Christus werd opgeofferd voor hem. Maar Christus wordt geofferd voor hem op het moment dat hij de genade herkent en zich bewust wordt van het leven dat voor hem door het offer is verkregen” (Paashomilie van het Jaar 387: SCh, 36 p. 59f).

Wat buitengewoon! Deze Goede Vrijdag in het Jaar van het Geloof en in de aanwezigheid van de nieuwe opvolger van Petrus kan, als we willen, het begin zijn van een nieuw soort bestaan. Bisschop Hilarius van Poitiers, die als volwassene tot het Christendom werd bekeerd, zei, terugkijkend op zijn leven: “voor ik U ontmoette, bestond ik niet”. Het enige dat nodig is is dat we ons niet verschuilen voor de aanwezigheid van God, zoals Adam en Eva na hun zonde deden, dat we erkennen dat we het nodig hebben om gerechtvaardigd te worden; dat we onszelf niet kunnen rechtvaardigen. De tollenaar uit de gelijkenis kwam naar de tempel en bad een kort gebed:  “O God, genade voor een arme zondaar!” En Jezus zegt dat de man “gerechtvaardigd” naar huis terugkeerde, dat wil zeggen, tegenover Hem rechtvaardig geworden, vergeven, een nieuw schepsel gemaakt en, zo vermoed ik, met vreugde in zijn hart (Luc. 18:14). Wat heeft hij gedaan dat zo bijzonder was? Niets, hij had zichzelf in waarheid tegenover God geplaatst, en dat is het enige dat God nodig heeft om te handelen.

Net als degene die bij het bergbeklimmen een gevaarlijke stap heeft gezet en een moment stopt om op adem te komen en het nieuwe utizicht te bewonderen dat voor hem ligt, zo is ook de apostel Paulus aan het begin van hoofdstuk 5 van de brief aan de Romeinen, nadat hij de rechtvaardiging door het geloof heeft verkondigt:

“Gerechtvaardigd door het geloof leven wij in vrede met God door Jezus Christus onze Heer. Hij is het die ons door het geloof de toegang heeft ontsloten tot die genade waarin wij staan; door Hem ook mogen wij ons beroemen op onze hoop op de heerlijkheid van God. Meer nog, wij zijn zelfs trots op onze beproevingen, in het besef dat verdrukking leidt tot volharding, volharding tot beproefde deugd en die weer tot hoop. En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken” (Rom 5:1-5).

Tegenwoordig worden er door kunstmatige satellieten infraroodfoto’s van grote gebieden van de aarde en van de hele planeet genomen. Hoe anders ziet het landschap er van boven uit, in het licht van die stralen, vergeleken met wat we door natuurlijk licht van hier beneden zien! Ik herinner me één van de eerste satellietfoto’s die werden gepubliceerd; het gaf het hele Sinaï-schiereiland weer. De kleuren waren anders, het reliëf en de laagvlakten waren opvallender. Het is een symbool. Zelfs het menselijk leven, gezien door de infrarode stralen van het geloof, van bovenop Calvarië, ziet er anders uit dan wat je “met het blote oog” ziet.

“Iedereen,”  zei de wijze man uit het Oude Testament, “ondergaat ook eenzelfde lot: rechtvaardigen en slechte mensen … Nog iets anders zag ik onder de zon: op de plaats van het recht heerst onrecht, op de stoel van de rechter zit de schuldige” (Pred. 9:2, 3:16). En de mens heeft in feite in alle tijden ongerechtigheid zien overwinnen en de onschuld vernederd gezien. Maar om te voorkomen dat mensen gaan geloven dat er iets vaststaat en zeker is in de wereld, zo merkt Bossuet op, zie: soms zie je het tegenovergestelde, namelijk, onschuld op de troon en wetteloosheid in het schavot. Maar welke conclusie trok Prediker uit dit alles? “Ik zei tegen mezelf: God oordeelt over goeden en slechten, want elk ding, elk werk heeft zijn tijd”  (Pred. 3:17). Hij vondt het uitkijkpunt dat de ziel vrede schenkt.

Wat Prediker niet kon weten en wij wel is dat dit oordeel al is gevallen: “Nu,” zegt Jezus aan het begin van Zijn lijden, “wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu gaat de vorst van deze wereld onttroond worden. Ikzelf moet van de aarde omhoog geheven worden en zo haal Ik allen naar Mij toe” (Joh. 12:31-32).

In de dode en verrezen Christus heeft de wereld haar eindbestemming bereikt. Menselijke vooruitgang vindt tegenwoordig duizelingwekkend snel plaats en de mensheid ziet nieuwe en onverwachte vergezichten voor zich, het resultaat van zijn ontdekkingen. Toch kan gezegd worden dat het einde der tijden al gekomen is, want in Christus, die tot de rechterhand van de Vader is opgestegen, heeft de mensheid haar uiteindelijke doel bereikt. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn al aangebroken.

Ondanks alle wanhoop, onrecht, de monsterlijke daden hier op aarde, heeft Hij de uiteindelijke orde in de wereld al ingehuldigd. Wat we met onze eigen ogen zien geeft misschien iets anders aan, maar in werkelijkheid zijn het kwade en de dood voor altijd verslagen. Hun bronnen staan droog; de werkelijkheid is dat Jezus de Heer van de wereld is. Het kwade is radicaal verslagen door de verlossing die Hij bereikt heeft. De nieuwe wereld is er al.

Eén ding lijkt bovenal anders, gezien door de ogen van het geloof: de dood! Christus ging de dood binnen zoals wij een donkere gevangenis binnengaan; maar Hij kwam er via de tegenoverliggende muur weer uit. Hij keerde niet terug zoals Hij was gegaan, zoals Lazarus toen hij uit de dood terugkeerde om opnieuw te sterven. Hij opende een deur naar het leven die niemand ooit kan sluiten, en waardoorheen iedereen Hem kan volgen. De dood is niet langer een muur waartegen elke menselijke hoop kapot wordt geslagen; het is een brug naar de eeuwigheid geworden. Een “brug van zuchten”, misschien omdat niemand wil sterven, maar een brug, niet langer een bodemloze put die alles opslokt. “De liefde is sterk als de dood,” vertelt het Hooglied ons (Hl. 8:6). In Christus was het sterker dan de dood!

In zijn Historia ecclesiastica gentis Anglorum vertelt Beda Venerabilis hoe het christelijk geloof haar weg baande in het noorden van Engeland. Toen de missionarisen uit Rome in Northumberland arriveerden, riep de plaatselijke koning een raad van hoogwaardigheidsbekleders bijeen om te besluiten om hen wel of niet toe te staan de nieuwe boodschap te verspreiden. Sommigen van de aanwezigen waren ervoor, anderen ertegen. Het was winter, en buiten woedde een sneeuwstorm, maar de zaal was licht en warm. Op een gegeven moment kwam er een vogel uit een gat in de muur, fladderde angstig wat rond in de zaal en verdween toen door een gat in de tegenoverliggende muur.

Toen stond één van de aanwezigen op en zei: “Sire, ons leven in deze wereld lijkt op die vogel. We weten niet waar we vandaan komen, een korte tijd genieten we het licht en de warmte van deze wereld en dan verdwijnen we weer in de duisternis, zonder te weten waar we heengaan. Als deze mannen in staat zijn om ons iets van het mysterie van ons leven te laten zien, dan moeten we naar ze luisteren”. Het christelijk geloof kan in ons werelddeel en in de geseculariseerde wereld terugkeren om dezelfde reden waarmee het in eerste instantie kwam: als de enige boodschap die een zeker antwoord heeft op de grote vragen van leven en dood.

Het kruis scheidt ongelovigen van gelovigen, want voor de één is het schande en waanzin, voor de ander is het macht en wijsheid van God (vg. 1 Kor. 1:23-24); maar op een diepere wijze verenigt het alle mensen, gelovigen en ongelovigen. “Jezus zou inderdaad sterven … niet alleen voor zijn volk, maar ook om de kinderen van God die verstrooid zijn, te verzamelen en tot eenheid te brengen” (Joh. 11:51-52). De nieuwe hemel en de nieuwe aarde behoren iedereen toe en zijn voor iedereen, omdat Christus voor iedereen is gestorven.

De urgentie die uit dit alles voortkomt is die van de evangelisatie: “De liefde van Christus laat ons geen rust, sinds wij hebben ingezien dat één mens gestorven is voor allen” (2 Kor. 5:14). Het zet ons aan tot evangeliseren! Laten we de wereld het goede nieuws verkondigen: “Voor hen dus die in Christus Jezus zijn, bestaat er nu geen vonnis meer. De wet van de Geest die in Christus Jezus het leven schenkt, heeft u vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood” (Rom 8:1-2).

Een bepaald kort verhaal van Franz Kafka is een krachtig religieus symbool. Het krijgt een nieuwe, bijne profetische, betekenis op Goede Vrijdag. Het heet “Bij de bouw van de Chinese Muur”. Het gaat over een koning die op zijn sterfbed een onderdaan bij zich roept en een boodschap in zijn oor fluistert. De boodschap is zo belangrijk dat hij het de onderdaan het weer in zijn oor laat herhalen. Dan stuurt hij de boodschapper met een hoofdknik weg, en hij gaat op weg. Maar laten we nu van de schrijver zelf de rest van het verhaal horen, gekenmerkt door de dromerige en bijna nachtmerrie-achtige stijl van deze schrijver:

“Duwend met zijn linker- en dan weer met zijn rechterarm baant hij zich een weg door de menigte: als hij tegenstand ondervindt wijst hij op zijn borst, waar het symbool van de zon schittert. Maar de massa’s zijn zo groot; hun aantal kent geen einde. Als hij maar de open velden kon bereiken, hoe snel kon hij dan voortgaan, en dan zou je ongetwijfeld al snel het welkome geklop van zijn vuisten op je deur horen. Maar hoe vergeefs verspilt hij in plaats daarvan zijn krachten; hij baant zich nog steeds maar een weg door de kamers van het binnenste paleis; hij zal het einde nooit bereiken; en als hem dat zou lukken zou hij er niks bij winnen; hij moet zich daarna een weg van de trap af banen; en als hem dat zou lukken zou hij er niks bij winnen; de binnenplaatsen moeten nog worden overgestoken; en na de binnenplaatsen het tweede buitenste paleis; en zo voort, duizenden jaren lang; en als hij eindelijk door de buitenste poort zou breken – maar dat kan nooit, nooit gebeuren – zou de keizerlijke hoofdstad voor hem liggen, het centrum van de wereld, barstensvol gepropt met zijn eigen bezinksel. Niemand kan zich hier een weg doorheen vechten, zelfs niet met de boodschap van een dode man. Maar jij zit voor je raam als de avond valt en droomt het naar jezelf toe.”

Vanaf Zijn sterfbed vertrouwde Christus de Kerk ook een boodschap toe: “Trek heel de wereld door om aan elk schepsel de goede boodschap te verkondigen” (Mar. 16:15). Er zijn nog steeds vele mensen die voor het raam staan en dromen, zonder het te weten, van een boodschap als deze. Johannes, die we zojuist gehoord hebben, zegt dat de soldaat de zijde van Christus aan het kruis doorstak “omdat het schriftwoord in vervulling moest gaan … Ze zullen opzien naar Hem die ze hebben doorstoken” (Joh. 19:37). In de Openbaring voegt hij toe: “Zie, Hij komt met de wolken, en elk oog zal Hem aanschouwen, ook zij die Hem doorstoken hebben; en alle stammen op aarde zullen over Hem weeklagen” (Op. 1:7).

Deze profetie kondigt niet de laatste komst van Christus aan, als het niet langer de tijd van bekering zal zijn, maar van oordeel. Het beschrijft de werkelijkheid van de evangelisatie van de volkeren. Hierin vindt een mysterieuze maar echte komst van de Heer plaats, die hen verlossing brengt. Hun roep zal geen kreet van wanhoop zijn, maar van boete en verzoening. Dit is de betekenis van de profetische passage uit het Evangelie dat Johannes werkelijkheid ziet worden in de doorstoken zijde van Christus, en dat is de passage uit Zacharia 12:10: “Maar over het huis van David en de bevolking van Jeruzalem zal Ik een geest van mededogen uitstorten, die hen tot bidden brengt. Dan zullen zij opzien naar hem die zij doorstoken hebben”.

De evangelisatie heeft een mystieke oorsprong; het is een geschenk dat afkomstig is van het kruis van Christus, uit die open zijde, uit dat bloed en dat water. De liefde van Christus is, zoals die van de Drieëenheid waar het de manifestatie in de geschiedenis van is, “diffusivum sui“, het heeft de neiging zich uit te breiden en alle schepselen te bereiken, “in het bijzonder degenen die uw hulp het meeste nodig hebben.” Christelijke evangelisatie is geen verovering, geen propaganda; het is het geschenk van God aan de wereld in Zijn Zoon Jezus. Het is het geschenk aan het Hoofd van de vreugde om leven te voelen stromen van Zijn hart naar Zijn lichaam, tot het leven brengt aan de verste ledematen.

We moeten al het mogelijke doen zodat de Kerk nooit mag lijken op dat ingewikkelde en volle kasteel dat Kafka beschreef, en de boodschap naar buiten mag komen, net zo vrij en vreugdevol als toen de boodschapper aan zijn weg begon. We weten wat de obstakels zijn die de boodschapper tegen kunnen houden: scheidingsmuren, te beginnen met de muren die de verschillende christelijke kerken van elkaar scheiden, het overschot aan bureaucratie, het residu van voorbije ceremonieëen, wetten en geschillen, nu slechts afval.

In de Openbaring zegt Jezus dat Hij voor de deur staat en aanklopt (Op. 3:20). Soms, zoals onze Paus Franciscus heeft opgemerkt, klopt Hij niet om binnen te komen, maar klopt Hij van binnen om naar buiten te gaan. Om te reiken naar de “existentiële buitenwijken van zonde, lijden, onrecht, religieuze intolerantie en onverschilligheid, en alle vormen van ellende.”

Zoals gebeurt met bepaalde oude gebouwen. In de loop der eeuwen, passen zij zich aan aan de behoeften van het moment, ze worden gevuld met scheidingswanden, trappenhuizen, kamers en kasten. De tijd komt dat wij ons zullen beseffen dat al deze aanpassingen niet langer voldoen aan de huidige behoeften, maar veel eerder een obstakel zijn, dus moeten we de moed hebben om ze af te breken en het gebouw terug te brengen naar de eenvoud en rechtlijnigheid van zijn oorsprong. Dit was de missie die op een dag werd ontvangen door een man die voor de Crucifix van San Damiano bad: “Ga, Franciscus, en herstel mijn Kerk”.

“Wie is bekwaam voor zo’n taak?” vroeg de apostel zich ontzet af over de bovenmenselijke taak om in de wereld “een reukoffer van Christus” te zijn; en hier is zijn antwoord, dat vandaag nog steeds van toepassing is: “Dit betekent niet dat wij van onszelf bekwaam zijn, zodat wij iets als ons werk in rekening kunnen brengen. Heel onze bekwaamheid komt van God. Hij is het die ons bekwaam heeft gemaakt om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet van de letter maar van de Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend” (2 Kor. 2:16, 3:5-6).

Moge de Heilige Geest, op dit moment dat er een nieuwe tijd begint voor de Kerk, vol hoop, in mensen die voor het raam staan in afwachting van de boodschap, en in de boodschapper, opnieuw de wil opwekken om bereikt te worden, zelfs ten kost van hun leven.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s