Intima Ecclesiae natura

Apostolische Brief
‘Motu Proprio’ uitgegeven,

Van de hoogste pontifex
BENEDICTUS XVI

OVER HET DIENSTWERK VAN DE LIEFDE

Inleiding

Het wezen van de Kerk drukt zich uit in een drievoudige opdracht: verkondiging van het Woord van God (kerugma-marturia), viering van de sacramenten (leiturgia) en het dienstwerk van de liefde (diakonia). Het zijn opgaven die elkaar wederzijds veronderstellen en die niet van elkaar los te maken zijn” (Deus Caritas Est, 25).

Het dienstwerk van de liefde is ook een constituerend onderdeel van de missie van de Kerk en een onmisbare uitdrukking van haar diepste wezen (vg. idem); alle gelovigen hebben het recht en de plicht om zich persoonlijk toe te wijden aan het gebod dat Christus ons heeft nagelaten (vg. Joh. 15:12), en om onze tijdgenoten niet alleen materiële hulp te bieden, maar ook verfrissing en zorg voor hun zielen (vg. Deus Caritas Est, 28). De Kerk is ook als geheel geroepen tot de uitoefening van de diakonia van de liefde, hetzij in kleine gemeenschap of bepaalde Kerken of op het niveau van de wereldkerk. Dit vereist organisatie “als voorwaarde voor een geordend gemeenschappelijke dienen” (vg. idem, 20), een organisatie die een veelheid van institutionele uitdrukkingen omvat.

Wat betreft deze diakonia van liefde, legde ik in mijn encycliek Deus Caritas Est uit dat volgens ” de bisschoppelijke structuur van de Kerk, […] in de particuliere Kerken de bisschoppen als opvolgers van de apostelen de eerste verantwoordelijkheid […] dragen” voor de uitvoering van het dienstwerk van de liefde (N. 32); maar tegelijkertijd merkte ik op: “Het Kerkelijk Wetboek behandelt in de canones over het bisschopsambt de caritatieve activiteit niet uitdrukkelijk als een eigen terrein van de bisschoppelijke werkzaamheid” (idem). Hoewel “het Directorium voor de herderlijke dienst van de Bisschoppen de plicht tot liefdadigheid, als een wezenlijke opdracht van de Kerk in haar geheel en van de Bisschop in zijn bisdom, concreter [heeft] uitgewerkt” (idem), was er nog steeds een noodzaak om de voornoemde hiaat te vullen en in kerkelijke wetgeving zowel de essentiële aard van het dienstwerk van liefde in de Kerk en haar constitutieve relatie met het bisschoppelijk dienstwerk juist uit te drukken, en de wettelijke aspecten van deze kerkelijke dienst te omschrijven, met name als zij wordt uitgevoerd op georganiseerde wijze en met de expliciete steun van de bisschoppen.

Gezien dit alles wil ik met dit Motu Proprio een organisch en wetgevend raamwerk bieden voor een betere algemene regulering van de verschillende georganiseerde vormen van het dienstwerk van liefde, die nauwverwant zijn aan de diaconale aard van de Kerk en het bisschoppelijk dienstwerk.

Het is echter van belang om te weten dat “[d]e concrete actie [tekort schiet], als daarin niet de liefde tot de mens zelf merkbaar wordt, die gevoed wordt vanuit de ontmoeting met Christus” (idem, 34). In de uitvoering van hun liefdadige activiteiten zullen de verschillende katholieke organisaties zich daarom niet moeten beperken tot slechts het verzamelen en verspreiden van fondsen, maar bijzondere zorg tonen voor personen in nood en een waardevolle onderwijskundige functie binnen de christengemeenschapuit oefenen, en de mensen helpen het belang van delen, respect en liefde in de geest van het Evangelie van Christus te waarderen. Het dienstwerk van liefde van de Kerk moet op alle niveau’s het risico ontwijken om slechts weer een andere vorm van georganiseerde maatschappelijke hulp te worden (vg. idem, 31).

De georganiseerde liefdadige initiatieven die op verschillende plaatsen door  gelovigen worden ondernomen verschillen veel van elkaar en vragen om het juiste beheer. Op bijzondere wijze is het werk van de Caritas gegroeid op het paorchiële, diocesane, nationale en internationale niveau. Caritas is een door de kerkelijke hiërarchie gesteunde instantie die terecht de waardering en het vertrouwen van de gelovigen en vele andere mensen over de hele wereld heeft gewonnen, voor haar constante getuigenis van het geloof en haar sterke vermogen om te reageren op de noden van de armen. Naast diot brede initiatief, officieel gesteund door de autoriteit van de Kerk, zijn er vele andere initiatieven op verschillende plaatsen opgekomen vanuit het vrije ondernemen van de gelovigen, die zelf op verschillende manieren willen helpen om een vaste getuigenis van liefdadigheid naar mensen in nood te geven. Hoewel deze verschillen in hun origine en juridische status, zijn beide uitdrukkingen van gevoeligheid en een verlangen te reageren op dezelfde dringende nood.

Als instantie staat de Kerk niet buiten die georganiseerde initiatieven die een vrije uitdrukking van de zorg van de gedoopten voor individuen en mensen in nood vertegenwoordigen. De herders van de Kerk moeten deze initiatieven altijd toejuichen als een teken van het delen van alle gelovigen in de missie van de Kerk; ze dienen de specifieke kenmerken en administratieve autonomie die deze initiatieven genieten te respecteren, in overeenstemming met hun aard, als een beeld van de vrijheid van de gedoopten.

Hiernaast heeft de autoriteit van de Kerk, op haar eigen initiatief, specifieke instanties die institutioneel voorzien in het toewijzen van donaties van de gelovigen bevorderd, daarbij de juiste wettelijke en administratieve methoden volgend die voorzien in een effectiever antwoord op concrete noden.

Toch is er, voorzover zulke activiteiten door de hierarchie zelf worden bevorderd, of expliciet worden gesteund door de autoriteit van de herders van de Kerk, een noodzaak om te verzekeren dat zij worden beheerd in overeenstemming met de eisen van de leer van de Kerk en de intenties van de gelovigen, en dat zij evenzeer de wettelijke normen van de burgerautoriteiten respecteren. Gezien deze vereisten is het nodig geworden om bepaalde belangrijke normen vast te leggen in de Kerkelijke wet, gebasseerd op de algemene criteria van het kanonieke strafrecht, die in deze activiteitensector duidelijk moeten makenwat de wettelijke erantwoordelijkheden zijn van de verschillende betrokkenen, in het bijzonder de autoriteitspositie en de leiding die aan de diocesane bisschop toebehoort. Tetgelijkeritjd moeten de normen in kwestie breed genoeg zijn om de belangrijke variatie van de katholiek geÏnspireerde instantie de also zodanig betrokken zijn in deze sector te omvatten, of deze nu voortkomen uit de hierarchie of het directe initiatief van de gelovigen, ontvangen en aangemoedigd door de plaatselijke herders. Terwijl het nodig was normen op dit gebied vast te leggen, was het ook nodig om de vereisten van het recht en de verantwoordelijkheid van bisschoppen tegenover de gelovigen te overwegen,  de wettelijke autonomie van elke instantie respecterend.

Beschikkingsdeel

Als gevolg, en op voorstel van de Kardinaal-President van de Pauselijke Raad Cor Unum, en na de Pauselijke Raad voor Wetsteksten te hebben geconsulteerd, bepaal en roep ik het volgende af:

Art. 1. – § 1. De gelovigen hebben het recht om lid te worden van verenigingen en instanties op te richten om specifieke liefdadige diensten uit te oefenen, in het bijzonder namens de armen en zieken. Voor zover deze zijn verbonden aan het dienstwerk van liefde van de herders van de Kerk en/of bedoeld zijn om voor dit doel bijdragen van de gelovigen te gebruiken, moeten zij hun eigen statuten indienen ter goedkeuring van de bevoegde kerkelijke autoriteit en zich voegen naar de volgende normen.

§ 2. Het is evenzeer het recht van de gelovigen om stichtingen op te richtenom concrete liefdadige initiatieven financieel te ondersteunen, in overeenstemming met de normen van canones 1303 van het Kerkelijk Wetboek (CIC) en 1047 van het Kerkelijk Wetboek van de Oosterse Kerken (CCEO).  Als stichtingen van deze soort overeenkomen met de kenmerken zoals omschreven in §1, zullen zij zich ook, congrua congruis referendo, aan de voorzieningen van de huidige wet houden.

§ 3. Naast het volgen van de kerkelijke wetgeving zijn de gezamenlijke liefdadige initiatieven, waar dit Motu Propri naar verwijst, ok gebonden aan het navolge van katholieke principes in hun handelen, en zij mogen geen verplichtingen aangaan die op enigerlei wijze het navolgen van deze principes beïnvloedt.

§ 4. Agentschappen en stichtingen met liefdadige doeleinden die door de Instituten van Gewijd Leven en Stichtingen van Apostolisch leven worden gesteurnd, zijn verplicht om zich aan deze normen te houden, en zij moeten de voorschriften van canones 312 § 2 CIC en 575 § 2 CCEO volgen.

Art. 2. – § 1. De statuten van elke liefdadige instelling, zoals naar verwezen in et voorgaande artikel, moeten ook, naast de institutionele functies en beheerstructuren in overeenstemming met canon 95 § 1 CIC, ook de leiddraden, principes en doeleinden van het initiatief, het beheer van fondsen, het profiel van haar werknemers, en de rapporten en informatie die aan de bevoegde kerkelijke autoriteit moeten worden gepresenteerd, bevatten.

§ 2. Een liefdadige instelling mag allen de baneming ‘katholiek’ gebruiken met de geschreven toestemming van de bevoegde autoriteit, zoals omschreven in canon 300 CIC.

§ 3. Instellingen die voor liefdadige doeleinden door de gelovigen worden bevorderd kunnen een Kerkelijke Assistent hebben, in overeenstemming met de normen van canones 324 § 2 en 317 CIC.

§ 4. Tevens moet de kerkelijke autoriteit zich bewust zijn van zijn plicht om de rechten van de gelovigen te beschermen, volgens canones223 § 2 CIC en 26 § 3 CCEO, en zo de opkomst van liefdadige initiatieven voorkomen, als dit hun activiteiten en effectiviteit volgens hun vastgelegde doelstellingen tegenwerkt.

Art. 3. – § 1. Wat betreft de voorgaande artikelen wordt aangenomen dat de bevoegde autoriteit op de verschillende niveau’sdegen is zoals aangegeven in canones 313 CIC en 575 CCEO.

§ 2. Voor instanties die niet op nationaal niveau zijn goedgekeurd, ook als werken zij in verschillende bisdommen, is de bevoegde autoriteit de diocesane bisschop van de plaats waar de instantie haar hoofdkantoor heeft. In ieder geval is de instantie verplicht om de bischoppen van andere bisdommen waar zij werkt te informeren en de richtlijnen voor het handelen van de verschillende liefdadigeidinstellingen in die bisdommen te respecteren.

Art. 4. § 1. De diocesane bisschop (vg. canon 134 § 3 CIC en canon 987 CCEO) oefent zijn rectmatige pastorale zorg ten dienste van de liefde uit in de Kerk die aan hem als herder, gids en hoofdverantwoordelijke voor dat dienstwerk is toevertrouwd.

§ 2. De diocesane bisschop bemoeigt en steunt de initiativen en het dienstwerk aan de naaste in zijn secifieke Kerk, en moedigt in de gelovigen de geest van praktische liefdadigheid aan als een uitdrukking van het christelijk leven en delend in de missie van de Kerk, zoals aangegeven in canones 215 en 222 CIC en 25 en 18 CCEO.

§ 3. De diocesane bisschop heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen dat de normen van de universele en plaatselijke wetten van de Kerk, evenals de intenties van de gelovigen die donaties hebben gedaan voor die specifieke doeleinden, worden gerespecteerd in de activiteiten en het beheer van deze instanties (vg. canones 1300 CIC en 1044 CCEO).

Art. 5. – De diocesane bisschop dient ervoor te zorgen dat de Kerk het recht geniet om liefdadig dienstwerk uit te oefenen,en hij dient ervoor te zorgen dat de gelovigen en de instanties onder zijn supervisie zich houden aan de rechtmatige burgerwetgeving op dit gebied.

Art. 6. – Het is de verantwoordelijkheid van de diocesnae bisschop, zoals aangegeven in canones 394 § 1 CICend 203 § 1 CCEO, om binnen zijn gebied de verschillende werken van liefdadigheid, zowel door de hierachie gesteund als die voortkomen uit de initiatieven van de gelovigen, te coördineren, zonder vooroordeel aangaande hun gepaste autonomie in overeenstemming met hun respectievelijke statuten. Hij dient in het bijzonder te zorgen dat hun activiteiten de geest van het Evangelie levend houden.

Art. 7. – § 1. De instaties bedoeld in Artikel 1 § 1 dienen hun werknemers te selecteren uit mensen die de katholieke identiteit van deze werken delen, of tenminste respecteren.

§ 2. Om de getuigenis van het Evangelie in het dienstwerk van de liefde te verzekeren, dient de diocesane bisschop zorg te dragen dat degenen die in het liefdadigheidapostolaat van de Kerk werkzaam zijn, naast de juiste professionele competentie, voorbeelden zijn van christelijk leven en getuigen van een vorming die een geloof dat werkt door de liefde laat zien. Hierom moet hij ook zorg dragen voor hun theologische en pastorale vorming, door specifieke curricula in overeenstemming  met de vertegenwoordigers van verschillende instanties en door geschikte hulpmiddelen voor het geestelijk leven.

Art. 8. – Waar nodig, door het aantal en de veelzidjigheid van initiatieven, dient de diocesane bisschop in de Kerk onder zijn zorg een afdeling op te richten om het dienstwerk van liefde in zijn naam te overzien en te sturen.

Art. 9. – § 1. De bisschop dient in elke parochie in zijn gebied de oprichting van een plaatselijke Caritas of vergelijkbare instantie, die ook in de hele gemeenschap educatieve activiteiten gericht op het ontwikkelen van een geest van delen en ware liefdadigheid bevorderd, aan te moedigen. Waar dat gepast is dient dit door verschillende parochies in hetzelfde gebied gezaenlijk opgericht te worden.

§ 2. Het is de verantwoordelijkheid van de bisschop en de plaatselijke parochiepriester om te verzekeren dat naast Caritas ook andere liefdadige inittiaven kunnen bestaan onder het algemeen beheer van de parochiepriester, daarbij in overweging nemende de voorschriften van Artikel 2 § 4 hierboven.

§ 3. Het is de taak van de diocesane bisschop en de plaatselijke parochiepriester om er op toe te zien dat op dit gebied de gelovigen niet tot verkeerde opvattingen of vergissingen worden geleid; daarom moeten zij voorkomen dat er publiciteit wordt gegeven, door parochiële of diocesane structuren, aan initiatieven die, hoewel deze zich als liefdadig presenteren, keuzes of methoden voorstellen die niet overeenkomen met de leer van de Kerk.

Art. 10. – § 1. Het is de verantwoordelijkheid van de bisschop om de kerkelijke goederen van de liefdadigheidsinstellingen onder zijn autoriteit te overzien.

§ 2. Het is de taak van de diocesane bisschop om te verzekeren dat de opbrengsten van collectes, behaald in overeenstemming met canones 1365 en 1266 CIC en canones 1014 en 1015 CCEO, worden gebruikt voor de vastgestelde doeleinden [vg. canones 1267 CIC, 1016 CCEO].

§ 3. De diocesane bisschop dient in het bijzonder te verzekeren dat liefdadige instellingen die van hem afhankelijk zijn geen financiële steun ontvangen van groepen of instanties die doeleinden nastreven die tegen de leer van de Kerk ingaan. Evenzo, om te voorkomen dat de gelovigen aanstoot wordt gegeven, dient de diocesane bisschop te verzekeren dat deze liefdadige instellingen geen bijdragen accepteren voor initiatieven waarvan de doeleinden, of de wijze waarop deze behaald worden, niet overeen komen met de leer van de Kerk.

§ 4. Op specifieke wijze dient de bisschop toe te zien dat het beheer van initiatieven die van hem afhankelijk zijn een getuigenis van de christelijke eenvoud van het leven bieden. Hiertoe zal hij verzekeren dat salarissen en operationele onkosten, de eisen van het recht en een noodzakelijk professioneel niveau overwegend, in verhouding staan tot vergelijkbare uitgaven van zijn diocesane Curie.

§ 5. Om de kerkelijke autoriteit zoals genoemd in Artikel 3 § 1 zijn overzichtstaak te kunnen later uitvoeren zijn de instanties genoemd in Artikel 1 § 1 verplicht om de bevoegde Ordinarius jaarlijks een financieel raport voor te leggen, op een wijze die hijzelf zal aangeven.

Art. 11. – De diocesane bisschop is verplicht om, waar noodzakelijk, aan de gelovigen bekend te maken dat het werk van een bepaalde liefdadige instelling niet langer wordt uitgevoerd in overeenstemming met de leer van de Kerk, en dan om die instelling te verbieden de benaming “katholiek” te gebruiken en de nodige stappen te zetten mochten er persoonlijke verantwoordelijkheden verrijzen.

Art. 12. – § 1. De diocesane bisschop dient de nationale en internationale activiteiten van de liefdadige instellingen onder zijn zorg aan te moedigen, in het bijzonder de samenwerking met armere kerkelijke rechtsgebieden, overeenkomstig de voorschriften van canones 1274 § 3 CIC en 1021 § 3 CCEO.

§ 2. De pastorale zorg voor liefdadige werken kan, afhankelijk van tijd en plaats, samen met verschillende bisschoppen, wat betreft een aantal Kerken, en in overstemming met de normen van de wet, worden uitgeoefend. Als zulke gezamenlijke activiteiten een internationaal karakter hebben, dient de bevoegde dicasterie van de Heilige Stoel tevoren worden geraadpleegt. Wat betreft liefdadige initiatieven op nationaal niveau is het passend dat de bisschop de desbetreffende afdeling van de Bisschoppenconferentie raadpleegt.

Art. 13. – De plaatselijke kerkelijke autoriteit behoudt het volledige recht om toestemming te geven voor initiatieven door katholieke instelling binnen zijn rechtsgebied, met respect voor de kanonieke normen en specifieke identiteit van de verschillende instellingen. Het is ook een taak van de bisschop om te verzekeren dat de activiteiten die in zijn bisdom worden uitgevoerd overeenkomen met de kerkelijke orde, hetzij door deze te verbieden of de noodzakelijke maatregelen te nemen wanneer die orde niet wordt gevolgd.

Art. 14. – Wanneer toespasselijk dient de bisschop liefdadige iniatieven te bevorderen in samenwerking met andere kerken of kerkelijke gemeenschapping, met respect voor de gepaste identiteit van elk.

Art. 15. – § 1. De Pauselijke Raad Cor Unum heeft de opdracht om de toepassing van deze wetgeving te bevorderen en te verzekeren dat het op alle niveau’s wordt toegepast, zonder inbreuk op de bevoegdheid van de Pauselijke Raad voor de Leken voor de verenigingen van gelovigen zoals voorzien in Artikel 133 van de Apostolische Constitutie Pastor Bonus, de bevoegdheid van de afdeling voor Relaties met de Staten van het Staatssecretariaat en de algemene bevoegdheid van andere dicasteriën en instituten van de Romeisne Curie. De Pauselijke Raad Cor Unum dient in het bijzonder zorg te dragen dat het liefdadig dienstwerk van katholieke instanties op het internationale niveau altijd in eenheid met de verschillende plaatselijke Kerken wordt uitgevoerd.

§ 2. De Pauselijke Raad Cor Unum is ook bevoegd voor de kanonieke oprichting van liefdadige instanties op het internationale niveau; zij neemt zo de verantwoordelijkheid voor de wettelijke handhaving en bevordering op zich.

Ik beveel dat alles wat ik in deze Motu Proprio uitgegeven Apostolische Brief heb omschreven volledige wordt nagevolgd, niettegenstaande het tegendeel, zelfs wanneer dat waard is specifiek te benoemen, en ik bepaal dat het door middel van publicatie in het dagelijks nieuwsblad L’Osservatore Romano wordt uitgevaardigd en van kracht wordt op 10 december 2012.

Gegeven te Rome, te St. Pieter, op 11 november, in het jaar 2012, het achtste van mijn pontificaat.

BENEDICTUS PP. XVI

One thought on “Intima Ecclesiae natura”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s