Lumen Fidei

ENCYCLIEKE BRIEF

LUMEN FIDEI

VAN ZIJNE HEILIGHEID

PAUS FRANCISCUS

AAN DE BISSCHOPPEN

PRIESTERS EN DIAKENS

GODGEWIJDE PERSONEN

EN LEKENGELOVIGEN

OVER HET GELOOF

1. Het licht van het Geloof: zo spreekt de traditie van de Kerk over het grote geschenk van Jezus. In het Evangelie van Johannes zegt Christus over zichzelf: “Als een licht ben Ik in de wereld gekomen, zodat niemand die in Mij gelooft, in de duisternis blijft” (Joh. 12:46). De heilige Paulus gebruikt hetzelfde beeld: “Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart” (2 Kor. 4:6). De heidense wereld die hunkerende naar het licht, zag de opkomst van de cultus van de zonnegod, Sol Invictus, die iedere dag bij zonsopkomst werd aangeroepen. Maar hoewel de zon elke ochtend opnieuw werd geboren, was zij duidelijk niet in staat om haar licht op het gehele menselijk bestaan te werpen. De zon verlicht niet alle werkelijkheid; haar stralen kunnen niet doordringen in de schaduw van de dood, de plaats waar de ogen van de mensen zijn gesloten voor haar licht. “Niemand” – zo schrijft de heilige Justinus de Martelaar – “is ooit bereid geweest te sterven voor zijn geloof in de zon” [1]. Zich bewust van de immense vergezichten die hun geloof voor hen opende, riepen christenen Jezus aan als de ware zon “wier stralen leven geven”[2]. Tegen Martha, rouwend om de dood van haar broer Lazarus, zei Jezus: ‘Heb Ik je niet gezegd dat je de heerlijkheid van God zult zien als je maar gelooft?” (Joh. 11:40). Zij die geloven, zien; zij zien in een licht dat hun gehele reis verlicht, want het komt van de verrezen Christus, de morgenster die nooit ondergaat.

Een denkbeeldig licht?

2. Maar als we spreken over het licht van het geloof dan horen we al bijna de tegenwerpingen van velen van onze tijdgenoten. Vanuit de huidige tijd gezien mocht dat licht misschien voldoende zijn geweest voor de oude maatschappijen, maar voor de nieuwe tijd, voor een volwassen wordende mensheid, trots op zijn redelijkheid en verlangend de toekomst op nieuwe manier te verkennen, werd het als niet langer van nut beschouwd. Geloof scheen dus voor sommigen een denkbeeldig licht dat de mensheid ervan weerhield om vrijmoedig op weg te gaan op zoek naar kennis. De jonge Nietzsche moedigde zijn zuster Elisabeth aan om risico’s te nemen, om “nieuwe wegen…” te gaan, “met alle onzekerheid van iemand die zijn eigen weg moet gaan”, eraan toevoegend: “dit is waar de wegen van de mensheid zich scheiden: als je vrede in de ziel en geluk wenst, geloof dan, maar als je een volgeling van de waarheid wilt zijn, zoek dan” [3]. Geloof zou onverenigbaar zijn met zoeken. Vanuit dit beginpunt zou Nietzsche zijn kritiek op het christendom ontwikkelen, dat het de volle betekenis van het menselijk bestaan afzwakte en het leven van nieuwheid en avontuur ontdeed. Geloof zou zo de illusie van licht zijn, een illusie die de weg van een bevrijdde mensheid naar zijn toekomst blokkeerde.

3.Geleidelijk werd het geloof geassocieerd met duisternis. Er waren er die het geloof probeerden te redden door er plaats voor te maken naast het licht van de rede. Die ruimte zou ontstaan waar het licht van de rede niet zou kunnen doordringen, waar zekerheid niet langer mogelijk was. Geloof werd zo gezien als hetzij een sprong in de duisternis, te doen in afwezigheid van het licht en gedreven door blinde emotie, hetzij als een subjectief licht, wellicht in staat om het hart te verwarmen en persoonlijke troost te schenken, maar niet iets dat aan anderen kon worden voorgesteld als een objectief en gedeeld licht dat de weg wijst. Maar langzaam maar zeker zou het duidelijk worden dat het licht van de onafhankelijke rede niet genoeg is om de toekomst te verlichten; de toekomst blijft uiteindelijk in schaduw gehuld en vol van angst voor het onbekende. Als een gevolg daarvan zwoer de mensheid de zoektocht naar een groter licht, de Waarheid zelf, af, om genoegen te nemen met zwakkere lichten die het vluchtig moment verlichten, maar niet in staat blijken om de weg aan te geven. Maar in afwezigheid van het licht raakt alles verward; het is onmogelijk om goed van kwaad te onderscheiden, of de weg naar onze bestemming van andere wegen die ons in eindeloze cirkels laten lopen, nergens naar op weg.

Een licht om terug te winnen.

4. Er is dan een dringende behoefte om opnieuw te begrijpen dat geloof een licht is, want als de vlam van het geloof eenmaal is uitgedoofd, beginnen alle lichten te verzwakken. Het licht van het geloof is uniek, want het is in staat om elk aspect van het menselijk bestaan te verlichten. Een zo krachtig licht kan niet van onszelf komen, maar uit een oerbron: kort gezegd, het moet van God komen. Geloof komt voort uit een ontmoeting met de levende God die ons roept en zijn liefde openbaart, een liefde die ons voorgaat en waarop we voor troost en het opbouwen van ons leven kunnen steunen. Veranderd door deze liefde krijgen we nieuw zicht, nieuwe ogen om te zien; we begrijpen dat het een grote belofte van vervulling bevat, en dat een visie op de toekomst zich voor ons ontvouwt. Geloof, van God ontvangen als een bovennatuurlijk geschenk, wordt een licht op ons pad, onze reis door de tijd geleidend. Aan de ene kant is het een licht uit het verleden, het licht van de fundamentele herinnering aan Jezus die zijn volmaakt betrouwbare liefde openbaarde, een liefde die in staat is om de dood te overwinnen. Maar omdat Jezus is verrezen en ons voorbij de dood verheft, is het geloof ook een licht vanuit de toekomst en opent het voor ons grote vergezichten die ons uit ons geïsoleerde zelf naar de breedte van de gemeenschap leiden. We gaan zien dat geloof niet in schaduw en duisternis huist; het is een licht voor onze duisternis. In de Goddelijke Komedie beschrijft Dante, na zijn geloof tegenover de heilige Petrus te hebben beleden, dat geloof is als een “vonk die dan een brandende vlam wordt en als een hemelse ster in mij schijnt” [4]. Het is dit licht dat ik nu zou willen overwegen, zodat het kan groeien en het heden kan verlichten, een ster kan worden om de horizon van onze reis te verlichten in een tijd dat de mensheid bijzonder veel behoefte heeft aan licht.

5. Op de avond voor Zijn lijden verzekerde Christus Petrus: “Ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zou bezwijken” (Luc. 22:32). Daarna zei Hij hem zijn broeders en zusters in datzelfde geloof te sterken. Zich bewust van de taak van de Opvolger van Petrus kondigde Benedictus XVI het Jaar van het Geloof af, een tijd van genade die ons helpt de grote vreugde van geloven te ervaren en onze verwondering over de enorme vergezichten die het geloof voor ons ontvouwt te vernieuwen, om dan dat geloof te belijden in haar uniciteit en integriteit, trouw aan de herinnering aan de Heer en onderhouden door Zijn aanwezigheid en door het werk van de Heilige Geest. De overtuiging die voortkomt uit een geloof dat grootsheid en vervulling aan het leven schenkt, een geloof gericht op Christus en op de kracht van de genade, inspireerde de missie van de eerste christenen. In de handelingen van de martelaren lezen we de volgende dialoog tussen de Romeinse prefect Rusticus en een christen genaamd Hierax: ““Waar zijn uw ouders?”, vraagt de rechter aan de martelaar. Hij antwoordde: “Onze ware vader is Christus, en onze moeder is geloof in Hem”” [3]. Voor die eerste christenen was geloof, als een ontmoeting met de levende God geopenbaard in Christus, inderdaad een “moeder”, want het had hen aan het licht gebracht en in hen leven geschonken aan het goddelijk licht, een nieuwe ervaring en een lichtende visie op het bestaan waarvan zij bereid waren openbaar te getuigen, tot het einde.

6. Het Jaar van het Geloof werd afgekondigd op de vijftigste verjaardag van de opening van het Tweede Vaticaans Concilie. Dit is op zichzelf een duidelijke aanwijzing dat Vaticanum II een concilie over het geloof was [6], in zoverre dat het ons vroeg het primaatschap van God in Christus in het hart van ons leven te herstellen, zowel als Kerk als als individuen. De Kerk neemt geloof nooit als vanzelfsprekend aan, maar weet dat dit geschenk van God moet worden gevoed en gesterkt zodat het onze pelgrimsweg kan blijven begeleiden. Het Tweede Vaticaans Concilie liet het licht van het geloof onze menselijke ervaring van binnenuit verlichten en de mannen en vrouwen van onze tijd op hun reis vergezellen. Het liet duidelijk zien hoe geloof het leven in al zijn dimensies verrijkt.

7. Deze overwegingen over het geloof – in samenhang met alles wat het magisterium van de Kerk heeft verklaard over deze theologische deugd [7] – zijn bedoeld als aanvulling op wat Benedictus XVI heeft geschreven in zijn encyclieke brieven over liefde en hoop. Hijzelf had de eerste versie van een encycliek over het geloof bijna af. Hiervoor ben ik hem ten diepste dankbaar, en als zijn broeder in Christus heb ik zijn goede werk overgenomen en een aantal bijdragen van mijzelf toegevoegd. De Opvolger van Petrus, gisteren, vandaag en morgen, is altijd geroepen om zijn broeders en zusters te sterken in de kostbare schat van dat geloof dat God heeft gegeven als een licht op de weg van de mensheid.

In Gods geschenk van het geloof, een bovennatuurlijke doordrenkte waarde, beseffen wij dat ons een grote liefde is aangeboden, een goed woord is gesproken, en dat wanneer we dat woord, Jezus Christus het vleesgeworden Woord, ontvangen, de Heilige Geest ons verandert, onze weg naar de toekomst verlicht en ons in staat stelt met vreugde verder te gaan op die weg, op vleugels van hoop. Zo wonderbaarlijk verweven zijn geloof, hoop en liefde de drijvende kracht van het christelijk leven op weg naar volle eenheid met God. Maar hoe is die weg die het geloof voor ons opent? Wat is de bron van dit krachtige licht dat de reis van een succesvol en vruchtbaar leven verheldert?

—————-

[1] Dialogus cum Tryphoen Iudaeo, 121, 2: PG 6,758.

[2] Clemens van Alexandrië, Protrepticus, IX: PG 8, 195.

[3] Brief an Elisabeth Nietzsche (11 juni 1865), in Werke in Drie Bänden, München, 1954, 953ff.

[4] Paradiso XXIV, 145-147.

[5] Acta Sanctorum, Junii, I, 21.

 [6] “Hoewel het Concilie niet uitdrukkelijk over het geloof handelt, spreekt het erover op elke pagina, het erkent het levende, bovennatuurlijke karakter ervan, het neemt het als volledig en sterk aan, en het basseert haar leer erop. Het voldoet om de verklaring van het Concilie in herinnering te brengen … om het essentiële belang dat het Concilie , overeenkomstig de doctrinale tradtie van de Kerk, aan het geloof, het ware geloof dat haar bron in Christus heeft, en het magisterium van de Kerk alskanaal, hecht” (Paulus VI, Algemene Audiëntie [8 maart 1967]: Insegnamenti V [1967], 705).

[7] Vg., bijvoorbeeld, Eerste Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over het Katholiek Geloof Dei Filius, H. 3: DS 3008-3020; Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie, Dogmatische Constitutie over de Goddelijke Openbaring Dei Verbum, 5; Catechismus van de Katholieke Kerk, Nos. 153-165.

One thought on “Lumen Fidei”

  1. Thank you for your translation in Dutch of the prologue of the encyclical letter: it has been a very useful aid to share these amazing pages of pope Francis with a Dutch friend of mine, in order to present the letter and hopefully invite him to the reading of the whole letter in english or german.
    I lived more than one year in Netherlands and I truly love your country and people and I pray for them.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s