Pacem in Terris

ENCYCLIEK VAN PAUS JOHANNES XXIII
OVER HET BEREIKEN VAN UNIVERSELE VREDE IN WAARHEID,
GERECHTIGHEID, LIEFDE EN VRIJHEID

11 APRIL 1963

Aan onze Eerbiedwaardige Broeders: de Patriarchen, Primaten, Aartsbisschoppen, Bisschoppen en alle plaatselijke Ordinarissen die in vrede en eenheid met de Apostolische Stoel leven, en aan de Geestelijkheid en Gelovigen in de hele Katholieke Wereld, en aan alle Mensen van Goede Wil.

Eerbiedwaardige Broeders en Geliefde Zonen, Welzijn en Apostolische Zegen.

Vrede op Aarde – waar de mens door alle eeuwen zo naar verlangt en gezocht heeft – kan nooit worden bereikt, nooit worden verzekerd, behalve door het zorgvuldig navolgen van de goddelijk vastgelegde orde.

Orde in het Universum

2. Dat een wonderbaarlijke orde overheerst in de wereld van levende wezens en in de krachten van de natuur is de duidelijke les die de vooruitgang van modern onderzoek en de ontdekkingen van de technologie ons heeft geleerd. En het is onderdeel van de grootsheid van de mens dat hij die orde kan waarderen, en manieren kan ontwikkelen om die krachten ten eigen voordele te beteugelen.

3. Maar in de allereerste plaats komt uit de vooruitgang van de wetenschappelijke kennis en de uitvindingen van de technologie de oneindige grootsheid van God zelf, die zowel mens als unviersum heeft geschapen, naar voren. Ja; uit niets schiep Hij alle dingen, en vulde deze met de volheid van Zijn eigen wijsheid en goedheid. Vandaar zijn dit de woorden die de heilige Psalmist gebruikt tot lof van God: “Heer, onze Heer, hoe machtig is uw naam overal op aarde” [1]. En elders zegt hij: “Hoe veelzijdig is wat U doet, o heer, alles hebt U met wijsheid gemaakt” [2].

Bovendien [2a] schiep God de mens “naar Zijn beeld en gelijkenis” [3], gaf hem intelligentie en vrijheid, en maakte hem heer van de schepping. Dit alles verkondigt de Psalmist als hij zegt: “U hebt van de mens bijna een god gemaakt, omkranst met glorie en pracht. U laat hem heersen over het werk van uw handen, alles hebt U aan zijn voeten gelegd” [4].

Orde in de Mens

4. En toch bestaat er een verdeeldheid tussen individuen en tussen naties die in opvallend contrast staat met deze perfecte orde in het universum. Men zou denken dat de relaties die mensen samenbinden alleen met kracht zouden kunnen worden beheerst.

5. Maar de Schepper van de wereld heeft een orde gedrukt op het meest innerlije wezen van de mens, die aan hem wordt geopenaard door zijn geweten; en dit geweten staat erop dat de mens deze orde bewaart. Mensen “tonen dat wat de wet vereist, in hun hart geschreven staat. Hun geweten getuigt daarvan” [5]. En hoe kan het ook anders zijn? Alles wat geschapen is weerspiegelt de oneindige wijsheid van God. Hoe hoger op de schaal van perfectie, hoe duidelijker het dit weergeeft [6].

6. Maar het onheil wordt vaak veroorzaakt door onjuiste meningen. Veel mensen denken dat de wetten die de relaties tussen mens en Staat besturen dezelfde zijn als die de blinde, elementaire krachten van het universum reguleren. Maar dat is niet zo; de weten die de mens besturen zijn heel anders. De Vader van het universum heeft deze gegrift in de aard van de mens, en daar moeten we ze zoeken; daar en nergens anders.

7. Deze wetten geven duidelijk aan hoe de mens zich moet gedragen tegenover zijn naasten in de maatschappij, en hoe de wederzijdse relaties tussen de leden van een Staat en de functionarissen ervan ten uitvoer moeten worden gebracht. Ze laten ook zien welke principes de relaties tussen Staten moeten besturen; en als laatste, wat de relaties tussen individuen of Staten aan de en kant, en de wereldwijde gemeenschap van naties aan de andere moet zijn. De gemeenschappelijke belangen van de mens maken het absoluut noodzakelijk dat er uiteindelijk een wereldwijde gemeenschap van naties tot stand komt.

1. ORDE TUSSEN MENSEN

8. We moeten onze aandacht ten eerste vestigen op die orde die tussen mensen onderling moet heersen.

9. Elke goed georganiseerde en productieve vereniging van mensen in de maatschappij vereist de acceptatie van één fundamenteel principe: dat elk individueel mens werkelijk een persoon is. Dat wil zeggen dat zijn aard is bedeeld met intelligentie en vrije wil.Als zodanig heeft hij rechten en plichten, die gezamenlijk voortkomen uit en als een direct gevolg van zijn aard. Deze rechten en plichten zijn universeel en onschendbaar, en daarom volledig onvervreemdbaar [7].

10. Wanneer wij dan voorts de persoonlijke waardigheid van de mens beschouwen van het standpunt van de goddelijke openbaring, wordt onze inschatting ervan onvermijdelijk en onmetelijk vergroot. De mens is vrijgekocht door het bloed van Jezus Christus. De gendade heeft hen zonen en vrienden van God gemaakt, en erfgenamen van de eeuwige glorie.

Rechten

11. Maar eerst moeten we spreken over de rechten van de mens. De mens heeft he recht te leven. Hij heeft recht op lichamelijke integriteit en op de middelen die nodig zijn voor de juiste ontwikkeling, in het bijzonder voedsel, kleding, onderdak, medische zorg, rust en, uiteindelijk, de nodige sociale diensten. Als gevolg heeft hij het recht om verzorgd te worden wanneer zijn gezondheid slecht is; wanneer hij invalide raakt als gevolg van zijn werk; in geval van weduwschap, ouderdom, gewongen werkeloosheid, of wanneer hij, buiten zijn schuld om, wordt beroofd van de middelen van bestaan [8].

Rechten met betrekking op Morele en Culturele Waarden

12. Bovendien heeft de mens het natuurlijke recht om gerespecteerd te worden. Hij heeft recht op zijn goede naam. Hij heeft recht om in vrijheid naar de waarheid te zoeken en – binnen de grenzen van de moraliteit en het algemeen welzijn – op vrijheid van spreken en publiceren, en op vrijheid om welk beroep hij ook kiest na te streven. Hij heeft ook het recht om op correcte wijze te worden geïnformeerd over algemene gebeurtenissen.

13. Hij heeft het natuurlijke recht om te delen in de baten van de cultuur, en vandaaruit goed algemeen onderwijs te ontvangen, en een technische of professionele opleiding overeenkomstig de onderwijsontwikkeling van zijn land. Verder moet er een systeem tot stad komen om begiftigde leden van de maatschappij de mogelijkheid te bieden om verdere opleidingen te ondernemen, om zo, voor zover mogelijk, verantwoordelijkheid te nemen voor de maatschappij, in lijn met hun natuurlijke talenten en verworven vaardigheden [9].

Het Recht om God te aanbidden volgens het eigen Geweten

14. Eén van de rechten van de mens is het recht om God te aanbidden volgens de juiste richtlijnen van zijn eigen geweten, en om zijn religie zowel privé als in het openbaar te belijden. Volgens de heldere leer van Lactantius, “dit is de voorwaarde van onze geboorte, dat we God die ons gemaakt heeft geven wat Hem toekomt; dat we Hem erkennen als God, en Hem volgen. Vanuit deze verbinding van vroomheid, die ons met God verbind en verenigd, komt de religie aan haar naam” [10].

Om die reden, ook, verklaarde Paus Leo XIII dat “ware vrijheid, vrijheid die de zonen van God waardig is, is die vrijheid die het meest de waardigheid van de menselijke persoon waarborgt. Het is terker dan welk geweld of onrecht ook. Zo is de vrijheid die altijd door de Kerk verlangt is, en die zij het meest koestert. Het is het sort vrijheid dat de apostelen vastberaden voor zichzelf opeisten. De verdedigers van het geloof verdedigden het in hun geschriften; duizenden martelaren hebben het met hun bloed gewijdt” [11].

Het Recht om in Vrijheid de eigen Levensstaat te Kiezen

15. Mensen hebben ook het recht om voor zichzelf te kiezen wat voor soort leven hen aantrekt: hetzij het stichten van een gezin – waarin zowel de man als de vrouwen gelijke rechten en plichten genieten – of het priesterschap of het religieuze leven te omarmen [12].

16. Het gezin, gebasseerd op een vrij aangegaan huwelijk, één en onverbreekbaar, moest beschouwd worden als de natuurlijke, primaire cel van de menselijke maatschappij. De belangen van het gezin moeten daarom heel in het bijzonder meegnomen worden in maatschappelijke en economische beschouwingen, evenals op de gebieden van geloof en moraliteit. Want dit heeft allemaal invloed op de versterking van het gezin en heltp het haar missie te vervolmaken.

17. Natuurlijk is de ondersteuning en het onderwijzen van kinderen een recht dat vooral aan de ouders toebehoort [13].

Economische Rechten

18. Op het gebied van de economie is het duidelijk dat de mens niet alleen het recht heeft om de kans te krijgen om te werken, maar ook om eigen initiatief uit te oefenen in het werk dat hij doet [14].

19. De omstandigheden waarin een mens werkt vormen een noodzakelijk uitvloeisel van deze rechten. Deze moeten hem niet lichamelijk of moreel verzwakken, of zich verheffen tegen de juiste ontwikkeling van adolescenten tot volwassenen. Vrouwen moeten werkomstandigheden hebben die overeenkomen met hun behoeften en verantwoordelijkheden als echtgenotes en moeders [15].

20. Een verder gevolg van de persoonlijke waardigheid van de mens is zijn recht om economisch actief te zijn op een wijze die past bij zijn mate van verantwoordelijkheid [16]. De werkende heeft tevens recht op een loon dat is bepaald in overeenstemming met de voorschriften van het recht. Dit moet benadrukt worden. De hoeveelheid die een werkende ontvangt moet voldoende zijn, in verhouding tot de beschikbare fondsen, om hem en zijn gezin een levensstandaard toe te staan in overeenstemming met de menselijke waardigheid. Paus Pius XII drukte dit in de volgende bewoordingen uit:

“De natuur legt de mens werk op als een plicht, en de mens heeft het daarmee samenhangende recht om te eisen dat het werk dat hij doet hem zal voorzien van het levensonderhoud voor hemzelf en zijn kinderen. Dit is het categorisch imperatief van de natuur voor het behoud van de mens” [17].

21. Als een verder gevold van de menselijke aard, heeft de mens het recht op privé-eigendom van bezit, waaronder dat van productiegoederen. Zals we al elders hebben gezegd, is dit “een recht dat een werkzaam middel vormt om de eigen persoonlijkheid te bevestigen en verantwoordelijkheid uit te oefenen op ieder gebied, een vorm van vastigheid en zekerheid voor het gezinsleven, en van grotere vrede en voorspoed in de Staat”  [18].

22. Als laatste is het wenselijk om op te merken dat het recht om privé-eigendom te bezitten ook een maatschappelijke verplichting is [19].

Het Recht van Bijeenkomst en Vereniging

23. De mens is van nature sociaal, en als gevolg daarvan heeft hij het recht om samen te komen met anderen en verenigingen met hun naasten te vormen. Zij hebben het recht om deze samenkomsten te organiseren op de manier die zij het beste achten om hun doelstellingen te bereiken.  Ze hebben ook het recht om hun eigen initiatieven te ontplooien en op eigen verantwoordelijkheid binnen deze verenigingen te handelen om de verlangde resultaten te bereiken [20].

24. Zoals wij benadrukten in onze encycliek Mater et Magistra, is het oprichten van een groot aantal van zulke tijdelijke groepen of verenigingen voor het nastreven van doeleinden die een individu alleen niet doeltreffend kan bereiken, een kwestie van grote haast. Zulke groepen en verenigingen moeten als absoluut essentieel beschouwd worden voor het beschermen van de persoonlijke vrijheid en waardigheid van de mens, daarbij tegelijkertijd een gevoel van verantwoordelijkheid in stand houdend [21].

Het Recht tot Emi- en Immigratie

25. Nogmaals, ieder mens heeft het recht op vrijheid van verplaatsing en wonen binnen de grenzen van zijn eigen Staat. Er als gerehtigde redenen voor zijn, moet hem worden toegestaan om naar andere landen te emigreren en daar te gaan wonen [22]. Het feit dat hij een burger is een van een bepaalde Staat ontneemt hem niet het lidmaatschap van de menselijke familie, noch van het burgerschap van die universele maatschappij, de algemene wereldwijde broederschap van de mens.

Politieke Rechten

26. De persoonlijke waardigheid van de mens houdt uiteindelijk zijn recht in om een actieve rol te spelen in het openbare leven, en om zijn eigen bijdrage te leveren aan het algemeen welzijn van zijn medeburgers. Zoals Paus Pius XII zei, “de mens op zich is, verre van een object of, als het ware een bewengingloos onderdeel van de maatschappij, in plaats daarvan het onderwerp ervan, de basis en het doel: en zo moet hij worden gewaardeerd” [23].

27. Als menselijk persoon heeft hij recht op de wettelijke bescherming van zijn rechten, en die bescherming moet effectief, onbevooroordeeld en streng rechtvaardig zijn. Om wederom Paus Pius XII te citeren: “Als gevolg van die juridische orde die God gewild heeft, heeft de mens zijn eigen onvervreemdbare recht op wettelijke bescherming. Aan hem is gegeven een zekere, goed-gedefiniëerde wetssfeer, immuun voor willekeurige aanvallen” [24].

Plichten

28. De natuurlijke rechten waarover we tot nu toe hebben gesproken zijn onverbrekelijk verbonden met evenveel plichten, die allemaal van betrekking zijn op één en dezelfde persoon. Deze rechten en plichten hebben hun oorsprong en krijgen hun onderhoud en onverwoestbaarheid uit de natuurwet, die door het ene toe te kennen het andere oplegt.

29. Zo houdt het recht op leven, bijvoorbeeld, de plicht in om het eigen leven te bewaren; het recht op een goede levensstandaard, de plicht om op gepaste wijze te leven; het recht op de vrijheid de waarheid te zoeken, de plicht om zich toe te wijden aan een steeds diepere en bredere zoektocht ernaar.

Wederzijdse Rechten en Plichten tussen Personen

30. Zodra dit wordt erkent, volgt dat in de menselijke maatschappij het natuurlijke recht van de ene mens leidt tot een corresponderende plicht voor andere mensen; de plicht om dat recht te erkennen en te respecteren. Elk menselijk recht haalt haar autoriteit uit de natuurwet, die dit toekent en verbindt aan de bijbehorende plicht. Daarom is het opeisen van de eigen rechten en de eigen plichten te negeren, of slechts half uit te voeren, zoals het bouwen van een huis met de ene hand en het afbreken met de andere.

Wederzijdse Samenwerking

31. Omdat mensen van nature sociaal zijn, moeten ze samen leven en elkaar’s interesses raadplegen. Dat mensen hun respectievelijke rechten en plechten moeten erkennen en uitvoeren is van groot belang voor een goed geordende maatschappij. Maar het resultaat zal zijn dat elk individu zijn hartgrondige bijdrage zal leveren aan het creëren van een maatschappelijke orde waarin rechten en plichten steeds getrouwer en effectiever worden bijgehouden.

32. Het is bijvoorbeeld zinloos om toe te geven dat een mens het recht heeft op de noodzakelijkheden van het leven, tenzij we alles in onze macht doen om het middelen te verschaffen die voloende zijn voor levensonderhoud.

33. Daarom moet de maatschappij niet alleen goed geordend zijn, maar het moet mensen ook voorzien van overvloedige middelen. Dit veronderstelt niet alleen de wederzijdse erkenning en uitvoering van rechten en plichten, maar ook de betrokkenheid en medewerking van alle mensen in de vele ondernemingen die onze huidige maatschappij mogelijk maakt, bevordert of zelfs vereist.

Een Verantwoordelijke Houding

34. De persoonlijke waardigheid van de mens vereist daarnaast dat hij vrijheid geniet en in staat is om zelf na te denken als hij handelt. In zijn vereniging met zijn naasten is er daarom alle reden waarom zijn erkenning van rechten, bijhouden van plichten, en veelzijdige samenwerking met andere mensen, in de eerste plaats een kwestie moet zijn waarover hij persoonlijk beslist. Iedere mens moet op eigen initiatief, overtuiging en verantwoordelijkheidsgevoel handelen, niet onder de constante druk van uiterlijke  dwang of verlokking. Er is niets menselijks aan een maatschappij die door kracht aan elkaar is gesmeedt. In plaats van, zoals het zou moeten, het bereiken van menselijke vooruitgang en perfectie te bevorderen, is het slechts een obstakel voor zijn vrijheid.

Sociaal Leven in Waarheid, Gerechtigheid, Liefde en Vrijheid

35. Daarom moet, voordat een maatschappij als goed geordend, creatief en overeenstemmend met menselijke waardigheid kan worden beschouwd, deze op waarheid zijn gebasseerd. De heilige Paulus drukte het als volgt uit: “Daarom, doe de leugen weg; iedereen moet tegen zijn naaste de waarheid spreken, want wij zijn elkaars ledematen” [25]. En zo zal het zijn als elke mens gemeend zijn eigen rechten en zijn eigen plichten naar anderen onderkent.

De menselijke maatschappij, zoals we die hier afschilderen, vereist dat mensen geleid worden door rechtvaardigheid, de rechten van anderen respecteren en hun plicht doen. Het vereist ook dat ze worden bewogen door een liefde die hen de behoeften van anderen doet aanvoelen zoals hun eigen behoeften, en hen aanzet om hun eigendommen met anderen te delen en in de wereld alle mensen evenzeer erfgenamen te maken van de edelste intellectuele en geestelijke waarden. Maar dit is niet voldoende, want de menselijke maatschappij gedijt op vrijheid; op het gebruik van middelen die in overeenstemming zijn met de waardigheid van haar individuele leden die, bedeeld als zij zijn met rede, verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen handelen.

36. En dus, geliefde zoons en broeders, moeten we de menselijke maatschappij beschouwen als een voornamelijk geestelijke werkelijkheid. Door de middelen ervan kunnen verlichten mensen hun kennis van de waarheid delen, hun rechten opeisen en hun plichten vervullen, aanmoediging ontvangen in hun streven naar de gaven van de geest, hun genot delen van alle heilzame genoegens van de wereld, en steeds werken aan het doorgeven van al het beste van zichzelf aan anderen en zich de geestelijke rijkdommen van anderen eigen maken. Deze geestelijke waarden hebben een leidende invloed op cultuur, economie, maatschappelijke instanties, politieke bewegingen en vormen, wetten, en alle andere onderdelen die de uiterlijke gemeenschap van mensen en haar voortdurende ontwikkeling vormen.

God en de Morele Orde

37. De orde die in de menselijke maatschappij overheerst is volledig onstoffelijk van aard. De basis is de waarheid, en het moet worden uitgevoerd door gerechtigheid. Het moet tot leven worden gebracht en geperfectioneerd door de liefde van de ene mens voor de andere en het moet streven naar een balans in de maatschappij die steeds menselijker van aard wordt, daarbij de vrijheid in stand houdend.

38. Maar zo’n orde – universeel, absoluut en onveranderlijk in de principes ervan – vindt zijn oorsprong in de werkelijke, persoonlijke en transcendente God. Hij is de eerste waarheid, de soevereine goedheid, en als zodanig de diepste bron van waaruit de menselijke maatschappij, als zij goed opgebouwd, creatief en de menselijke waardigheid waardig wil zijn, haar ware levenskracht uit put [26]. Dit si wat de Heilige Thomas van Aquino bedoelt wanneer hij zegt: “De menselijke rede is de standaard waaraan de goedheid van de menselijke wil wordt afgemeten, en als zodanig is het een afgeleide van de eeuwige wet, de goddelijke rede … Daarom is het duidelijk dat de goedheid van de menselijke wil veel meer afhankelijk is van de eeuwige wet dat van de menselijke rede” [27].

Kenmerken van de Moderne Tijd

39. Er zijn drie dingen die onze moderne tijd kenmerken.

40.Op de eerste plaats zien we een toenemende verbetering in de economische en sociale omstandigheden van de werkende mens. Zij begonnen hun rechten op te eisen, oorspronkelijk op economisch en maatschappelijk gebied, en daarna eisten zij ook hun politieke rechten op. Uiteindelijk hebben zij hun aandacht gericht op het verkrijgen van de meer culturele voordelen van de maatschappij.

Today, therefore, working men all over the world are loud in their demands that they shall in no circumstances be subjected to arbitrary treatment, as though devoid of intelligence and freedom. They insist on being treated as human beings, with a share in every sector of human society: in the socio-economic sphere, in government, and in the realm of learning and culture.

41. Secondly, the part that women are now playing in political life is everywhere evident. This is a development that is perhaps of swifter growth among Christian nations, but it is also happening extensively, if more slowly, among nations that are heirs to different traditions and imbued with a different culture. Women are gaining an increasing awareness of their natural dignity. Far from being content with a purely passive role or allowing themselves to be regarded as a kind of instrument, they are demanding both in domestic and in public life the rights and duties which belong to them as human persons.

42. Finally, we are confronted in this modern age with a form of society which is evolving on entirely new social and political lines. Since all peoples have either attained political independence or are on the way to attaining it, soon no nation will rule over another and none will be subject to an alien power.

43. Thus all over the world men are either the citizens of an independent State, or are shortly to become so; nor is any nation nowadays content to submit to foreign domination. The longstanding inferiority complex of certain classes because of their economic and social status, sex, or position in the State, and the corresponding superiority complex of other classes, is rapidly becoming a thing of the past.

——————-

[1] Ps 8:2
[2] Ps. 104:24
[2a] In de Latijnse tekst is deze paragraaf onderdeel van de voorgaande, daarom hebben wij er geen nummer aan toegekent. Om redenen van vormgeving hebben op enkele plaatsen de paragrafen onderbroken, maar de nummering van de Latijnse paragrafen vastgehouden. – Red. van TSP
[3] vg. Gen. 1:26
[4] Ps. 8: 6-7
[5] Rom. 2:15
[6] Vg. Ps. 19:8-11
[7] Vg. Radioboodschap van Pius XII, Kerst 1942, AAS 35 (1943) 9-24; en de homilie van Johannes XXIII, 4 januari 1963, AAS 55 (1963) 89-91.
[8] Vg. Pius XI, Encycliek Divini Redemptoris, AAS 29 (1931) 78; en Pius XII, Radioboodschap voor Pinksteren, 1 juni 1941, AAS 33 (1941) 195-205.
[9] Vg. Pius XII, Radioboodschap voor Kerst 1942, AAS 35 (1943) 9-24.
[10] Divinae Institutiones, lib. IV, c.28.2; PL 6.535.
[11] Encycliek “Libertas praestantissimum”, Acta Leonis XIII, VIII, 1888, pp. 237-238
[12] Vg. Pius XII, Radioboodschap, Kerst 1942, AAS 35 (1943) 9-24.
[13] Vg. Pius XI, Encycliek Casti connubii, AAS 22 (1930) 539-592, en Pius XII, Radioboodschap voor Kerst 1942, AAS 35 (1943) 9-24.
[14] Vg. Pius XII, Radioboodschap voor Pinksteren, 1 juni 1941, AAS 33 (1941) 201.
[15] Vg. Leo XIII, Encycliek Rerum novarum, Acta Leonis XIII, XI, 1891, pp. 128-129
[16] Vg. Johannes XXIII, Encycliek Mater et Magistra, AAS 53 (1961) 422
[17] Vg. Pius XII, Radioboodschap voor Pinksteren, 1 juni 1941, AAS 33 (1941) 201
[18] Johannes XXIII, Encycliek Mater et Magistra, AAS 53 (1961) 428
[19] Vg. idem, p. 430; TPS v. 7, no. 4, p. 318
[20] Vg. Leo XIII, Encycliek Rerum novarum, Acta Leonis XIII, XI, 1891, pp. 134-142; Pius XI, Encycliek Quadragesimo anno, AAS 23 (1931) 199-200; en Pius XII, Encycliek Sertum laetitiae, AAS 31 (1939) 635-644
[21] Vg. AAS 53 (1961) 430
[22] Vg. Pius XII, Radioboodschap voor Kerst, 1952, AAS 45 (1953) 36-46
[23] Vg. Pius XII, Radioboodschap voor Kerst, 1944, AAS 37 (1945) 12
[24] Vg. Pius XII, Radioboodschap voor Kerst, 1942, AAS 35 (1943) 21
[25] Ef. 4:25
[26] Vg. Pius XII, Radioboodschap voor Kerst, 1942, AAS 35 (1943) 14
[27] Summa Theol. Ia-IIae, q. 19, a.4; cf. a.9

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s