Schepping en evolutie

Ik wil slechts benadrukken dat God en Christus met ons optrekken en ook in de natuur aanwezig zijn, zoals de apostel Paulus in zijn toespraak op de Areopagus bevestigde: “Want in Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij” (Hand. 17:28). Wanneer we in Genesis het scheppingsverhaal lezen lopen we het risico om ons God voor te stellen als een tovenaar met een toverstok waarmee Hij alles kan. Maar zo was het niet. Hij schiep wezens en liet hen zich ontwikkelen volgens de innerlijke wetten die Hij elk wezen gegeven had, zodat zij zich zouden ontwikkelen en hun volheid zouden bereiken. Hij gaf de wezens van dit universum autonomie, gaf bestaan aan alle werkelijkheid, op hetzelfde moment dat Hij hen  Zijn altijddurende aanwezigheid beloofde. En zo ging de schepping voort, eeuw na eeuw, millennium na millennium, tot het werd wat we nu kennen, juist omdat God geen demiurg of tovenaar is, maar de Schepper die aan alles het bestaan schonk. Het begin van de wereld was niet het werk van chaos, dat voortkomt uit iets anders, maar het komt rechtstreeks voort uit het hoogste principe, die schept vanuit liefde. De Big Bang, die tegenwoordig aan de oorsprong van de wereld wordt geplaatst, spreekt de goddelijke tussenkomst niet tegen, maar vereist het. Evolutie in de natuur spreekt het idee van de schepping niet tegen, want evolutie vooronderstelt de schepping van zich ontwikkelende wezens.

Wat betreft de mens, daarentegen, is er iets anders en nieuws. Als we, op de zesde dag van het verhaal in Genesis, bij de schepping van de mens komen geeft God de mens een andere autonomie, anders dan die van de natuur, en dat is vrijheid. En Hij zegt de mens om alles een naam te geven en voorwaarts te gaan in de geschiedenis. Hij maakt hem verantwoordelijk voor de schepping, ook zodat hij de schepping zal beheersen, dat hij het zal ontwikkelen en zo verder tot aan het einde der tijden. Daarom is de houding die bij de wetenschapper past, en vooral bij de christelijke wetenschapper, één waarmee hij zichzelf bevraagt over de toekomst van de mensheid en de aarde en waarmee hij, als een vrij en verantwoordelijk wezen, bijdraagt aan de ontwikkeling en bescherming ervan en de bedreigingen van het milieu, natuurlijk of menselijk, probeert weg te nemen. Maar tegelijkertijd moet de wetenschapper gedreven worden door vertrouwen in die verborgen natuur, in de zich ontwikkelende mechanismen, het intelligentie en vrij potentieel ervan, om te ontdekken en te handelen en zo bij ontwikkeling uit te komen, dat in het plan van de Schepper ligt. Dan neemt het handelen van de mens, hoewel beperkt, deel aan de kracht van God en is het in staat een wereld te bouwen die aangepast is aan dit tweevoudige lichamelijke en geestelijk leven; een menselijke wereld voor allen te bouwen – voor alle mensen, en niet slechts voor een groep of bevoorrechte klasse. Deze hoop in en vertrouwen op God, auteur van de natuur, en de mogelijkheden van de menselijke geest, kunnen de onderzoeker nieuwe energie en een diepgaande rust geven. Maar het is ook zo dat het handelen van de mens, wanneer zijn vrijheid autonomiteit wordt, de schepping verwoest en hij de plaats van de Schepper inneemt. En dit is een ernstige zonde tegen God de Schepper.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s