Sensus fidei in het Leven van de Kerk

Opmerking vooraf

In de vijfjarige periode van 2009 tot 2014 heeft de Internationale Theologencommissie de aard van de sensus fidei en haar plaats in het leven van de Kerk bestudeerd. Het werk vond plaats in een subcommissie met als voorzitter Mgr. Paul McPartlan en bestaande uit de volgende leden: EH Serge Thomas Bonino, O.P. (secretaris generaal); Zr. Sara Butler, M.S.B.T.; EH Antonio Castellano, S.D.B.; EH Adelbert Denaux, Mgr. Tomislav Ivanĉić, Bisschop Jan Liesen, EH Leonard Santedi Kinkupu, Dr. Thomas Söding, en Mgr. Jerzy Szymik.

De algemene discussies over dit onderwerp vonden in vele bijeenkomsten van de subcommissie en tijdens de Plenaire Sessies van dezelfde Internationale Theologencommissie, gehouden in Rome tussen 2011 en 2014, plaats. De tekst “Sensus fidei in het Leven van de Kerk” werd in forma specifica goedgekeurd door de meerderheid van de leden van de commissie door middel van een schriftelijke stemming, en daarna voorgelegd aan haar President, Kardinaal Gerhard L. Müller, Prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, die opdracht gaf tot publicatie.

Inleiding

1. Door de gave van de Heilige Geest, “de Geest der waarheid, die van de Vader komt” en getuigenis aflegt van de Zoon (Joh. 15:26), hebben alle gedoopten deel aan het profetische ambt van Jezus Christus,  “de getrouwe en waarachtige getuige” (Op. 3:14). Ze dienen in de Kerk en in de wereld te getuigen van het Evangelie en het apostolische geloof. De Heilige Geest zalft hen en rust hen uit voor die hoge roeping, en schenkt hen een zeer persoonlijke en innige kennis van het geloof van de Kerk. In de Eerste Brief van de Heilige Johannes wordt de gelovigen gezegd: “Ook u bent gezalfd door de Heilige, u allen weet dat”, “de zalving die u van Hem ontvangen hebt blijft u bij, u hebt geen andere leraar nodig”, “alles wat zijn zalving u leert, is waar en zonder bedrog” (1 Joh. 2:20, 27).

2. Als gevolg hiervan hebben de gelovigen een instinct voor de waarheid van het Evangelie, dat hen in staat stelt om authentieke christelijke leer en praktijk te herkennen en te onderschrijven, en af te wijzen wat onjuist is. Dit bovennatuurlijke instinct, onlosmakelijk verbonden met de gave van het geloof dat wordt ontvangen binnen de gemeenschap van de Kerk, wordt de sensus fidei genoemd, en het stelt christenen in staat om hun profetische roeping te vervullen. In zijn eerste Angelustoespraak citeerde Paus Franciscus de woorden van een nederige oude vrouw die hij ooit ontmoet had: “Als de Heer alles niet zou vergeven, zou de wereld niet bestaan”, en met bewondering reageerde hij daarop met: “dat is wijsheid die van de Heilige Geest komt” [1]. Het inzicht van de vrouw is een treffend voorbeeld van de sensus fidei, die een zekere onderscheiding mogelijk maakt aangaande de dingen van het geloof, en daarnaast ware wijsheid bevordert en, zoals hier, leidt tot de verkondiging van de waarheid. Het moge dan duidelijk zijn dat de sensus fidei een onmisbare bron is voor de nieuwe evangelisatie, waarop de Kerk in onze tijd sterk is gericht [2].

3. Als theologisch concept verwijst de sensus fidei naar twee werkelijkheden die verschillend maar nauw met elkaar verbonden zijn. De focus van de één is de Kerk, “pijler en de grondslag van de waarheid” (1 Tim. 3:15) [3], en het onderwerp van de ander is de individuele gelovige, die tot de Kerk behoort door de inwijdingssacramenten, en die door middel van het regelmatig vieren van de Eucharistie in het bijzonder, deelneemt aan haar geloof en leven. Aan de ene kant verwijst de sensus fidei naar het persoonlijk vermogen van de gelovige, binnen de gemeenschap van de Kerk, om de waarheid van het geloof te onderscheiden. Aan de andere kant verwijst de sensus fidei naar een gemeenschappelijke en kerkelijke realiteit: het gelovig instinct van de Kerk zelf, waarmee zij haar Heer herkent en Zijn woord verkondigd. In deze betekenis wordt de sensus fidei weergegeven in de samenkomst van de gedoopten in een geleefde navolging van een leerstelling van het geloof of een onderdeel van de christelijke praxis. Deze samenkomst (consensus) heeft een essentiële rol in de Kerk: de consensus fidelium is een betrouwbare maatstaf om te bepalen of een bepaalde leerstelling of praktijk tot het apostolisch geloof behoort [4]. In dit document gebruiken we de term sensus fidei fidelis om de persoonlijke bekwaamheid van de gelovige om een juiste onderscheiding te maken in geloofskwesties aan te geven, en sensus fidei fidelium om te verwijzen naar het eigen geloofsinstinct van de Kerk. Naar gelang de context verwijst sensus fidei naar de eerste of de laatste, en in het laatste geval wordt ook sensus fidelium gebruikt.

4. Het belang van de sensus fidei in het leven van de Kerk is sterk benadrukt door het Tweede Vaticaans Concilie. In plaats van de karikatuur van een actieve hiërarchie en passieve leken, en in het bijzonder het idee van een strenge scheiding tussen de onderwijzende Kerk (Ecclesia docens) en de luisterende Kerk (Ecclesia discens), leerde het concilie dat alle gedoopten op hun eigen passende wijze deel hebben aan de drie ambten van Christus als profeet, priester en koning. In het bijzonder onderwees het dat Christus Zijn profetische ambt niet alleen uitvoert door middel van de hiërarchie, maar ook door middel van de leken.

5. Er ontstaan echter vele vragen in de ontvangst en uitvoering van de leer van het concilie over dit onderwerp, met name wat betreft geschillen over leerstellige of morele zaken. Wat is de sensus fidei precies en hoe kan het worden geïdentificeerd? Wat zijn de Bijbelse bronnen voor dit idee en hoe werkt de sensus fidei in de traditie van het geloof? Hoe verhoudt de sensus fidei zich tot het leerambt van de paus en de bisschoppen en tot de theologie? [5] Wat zijn de voorwaarden voor een authentieke uitoefening van de sensus fidei? Is de sensus fidei iets anders dan de mening van de meerderheid van de gelovigen op een gegeven tijdstip of plaats, en zo ja, hoe verschilt het eerste dan van het laatste? Al deze vragen vereisen antwoorden, wil het idee van de sensus fidei vollediger worden begrepen en met meer zelfvertrouwen worden toegepast in de Kerk van vandaag.

6. Het doel van deze tekst is niet om een uitgebreid overzicht te geven van de sensus fidei, maar simpelweg om een aantal belangrijke aspecten van dit essentiële idee te verduidelijken en te verdiepen om een antwoord te geven op bepaalde kwesties, in het bijzonder over hoe we de authentieke sensus fidei kunnen onderscheiden in controversiële situatues, bijvoorbeeld wanneer er spanningen zijn tussen de leer van het magisterium en meningen die de sensus fidei zeggen weer te geven. Daarom zal het eerst de Bijbelse bronnen van het idee van de sensus fidei overwegen, en de manier waarop dit idee zich heeft ontwikkeld en heeft gewerkt in de geschiedenis en de traditie van de Kerk (hoofdstuk één). Daarna zal de aard van de sensus fidei fidelis worden bekeken, samen met de uitingen hiervan in het persoonlijk leven van de gelovige (hoofdstuk twee). Het document zal zich dan bezinnen op de sensus fidei fidelium, dat wil zeggen de sensus fidei in haar kerkelijke vorm, ten eerste op haar rol in de ontwikkeling van de christelijke leer en praktijk, dan op haar relatie met respectievelijk het magisterium en de theologie, en dan ook op haar belang voor de oecumenische dialoog (hoofdstuk drie). Uiteindelijk zal het pogen de houding te identificeren die nodig is voor een authentieke deelname aan de sensus fidei – deze vormen de criteria voor een onderscheiding van de authentieke sensus fidei – en zal het een aantal toepassingen van haar conclusies op het concrete leven van de Kerk overwegen (hoofdstuk vier).

Hoofdstuk 1: De sensus fidei in Schrift en Traditie

7. De term sensus fidei komt noch in de Schrift, noch in de formele leer van de Kerk van voor het Tweede Vaticaans Concilie voor. Echter, het idee dat de Kerk als geheel onfeilbaar is in haar geloof, omdat zij het lichaam en de bruid van Christus is (vgl. 1 Kor. 12:27; Ef. 4:12; 5:21-32; Op. 21:9), en omdat al haar leden een onderwijzende zalfing hebben ontvangen (vgl. 1 Joh. 2:20, 27) en zijn begiftigd met de Geest der waarheid (vgl. Joh. 16:13), is vanaf het vroegste begin van het christendom overal zichtbaar. Dit hoofdstuk zal de hoofdlijnen van de ontwikkeling van dit idee volgen, eerst in de Schrift en dan in de daaropvolgende geschiedenis van de Kerk.

1. Bijbelse leer

a) Geloof als antwoord op het Woord van God

8. In heel het Nieuwe Testament is geloof het fundamentele en bepalende antwoord van menselijke personen op het Evangelie. Jezus verkondigt het Evangelie om mensen tot geloof te brengen: “De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer u! Heb geloof in de goede boodschap” (Mar. 1:15). Paulus herinnert de vroege christenen aan zijn apostolische verkondiging van de dood en verrijzenis van Jezus Christus om hun geloof te vernieuwen en verdiepen: “Broeders en zusters, ik wijs u nog eens op het evangelie dat ik u heb verkondigd, dat u hebt aanvaard, waarop u gegrondvest bent en waardoor u ook gered wordt, tenminste als u zich houdt aan de bewoordingen waarin ik het u verkondigd heb; anders zou u het geloof zonder nadenken hebben aanvaard” (1 Kor. 15:1-2). Het verstaan van het geloof in het Nieuwe Testament is geworteld in het Oude Testament, en vooral in het geloof van Abram, die volledige vertrouwde op Gods beloften (Gen 15:6; vgl. Rom 4:11, 17). Dit geloof is een vrij antwoord op de verkondiging van het woord van God, en als zodanig is het een gave van de Heilige Geest die ontvangen wordt door hen die werkelijk geloven (vgl. 1 Kor. 12:3). De “gehoorzaamheid van het geloof” (Rom. 1:5) is het gevolg van de genade van God, die mensen bevrijdt en hen lid maakt van de Kerk (Gal. 5:1,13).

9. Het Evangelie zet aan tot geloof omdat het niet simpelweg het doorgeven van religieuze informatie is, maar de verkondiging van het woord van God, en de “goddelijke kracht tot redding,” die werkelijk moet worden ontvangen (Rom. 1:16-17; vgl. Matt. 11:15; Luc. 7:22 [Jes. 26:19; 29:18; 35:5-6; 61:1-11]). Het is de “goede boodschap van Gods genade” (Hand. 20:24), de “openbaring van het geheim”  van God (Rom. 16:25), en het ” woord van de waarheid” (Ef. 1:13). Het Evangelie heeft een wezenlijke inhoud: de komst van het Koninkrijk van God, de verrijzenis en verheffing van de gekruisigde Jezus Christus, het mysterie van de verlossing en verheerlijking door God in de Heilige Geest. Het Evangelie heeft een krachtig onderwerp: Jezus zelf, het Woord van God, die Zijn leerlingen en hun volgelingen uitzendt, en dit neemt de directe vorm aan van geïnspireerde en rechtmatige verkondiging in woorden en daden. Het ontvangen van het Evangelie vereist een antwoord van de gehele persoon “met heel uw hart en met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht” (Mar. 12:30). Dit is het antwoord van het geloof, “de vaste grond voor wat wij hopen, het bewijs van wat wij niet zien” (Heb. 11:1).

10. “Geloof” is zowel een handeling van geloof of vertrouwen en ook datgene wat er gelooft of beleden wordt, respectievelijk fides qua en fides quae. Beide aspecten werken onafscheidelijk samen, want vertrouwen is geen kwestie van vasthouden aan een boodschap met onbegrijpelijke inhoud, en belijdenis kan niet worden gereduceerd tot slechts lippendienst. Het moet uit het hart komen [6]. Het Oude en Nieuwe Testament laten duidelijk zien dat de vorm en de inhoud van het geloof bij elkaar horen.

b) De persoonlijke en kerkelijke dimensies van geloof

11. De Schrift laat zien dat de persoonlijke dimensie van het geloof onderdeel is van de kerkelijke dimensie; zowel de enkelvoudige als de meervoudige vormen van de eerste persoon komen voor: “wij geloven” (vgl. Gal. 2:16) en “ik geloof” (vgl. Gal. 2:10-20). In zijn brieven herkent Paulus het geloof van gelovigen als zowel een persoonlijke en een kerkelijke realiteit. Hij leert dat iedereen die “Jezus is de Heer” belijdt onder invloed van de Heilige Geest is (1 Kor. 12:3). De Geest verenigt iedere gelovige in het lichaam van Christus en geeft hem of haar een bijzondere rol om de Kerk op te bouwen (vgl. 1 Kor. 12:4-27). In de Brief aan de Efeziërs is het belijden van de ene en enige God verbonden met de werkelijkheid van een geloofsleven binnen de Kerk: Er is “één lichaam en één Geest, zoals u ook geroepen bent tot één hoop, waarvoor Gods roeping borg staat. Eén Heer, één geloof, één doop. Eén God en Vader van allen, die is boven allen, met allen en in allen” (Ef. 4:4-6).

12. Het geloof, in haar persoonlijke en kerkelijke dimensies, heeft de volgende essentiële aspecten:

i) Geloof heeft bekering nodig. In de verkondiging van de profeten van Israel en van Johannes de Doper (vgl. Mar. 1:4), evenals de verkondiging van het Goede Nieuws door Jezus zelf (Mar. 1:14 e.v.) en de missie van de apostelen (Hand. 2:38-42; 1 Tess. 1:9 e.v.), betekent bekering het opbiechten van zonden en het begin van een nieuw leven binnen de gemeenschap van het verbond van God (vg. Rom. 12:1 e.v.).

ii) Geloof wordt zowel uitgedrukt in als gevoed door gebed en verering (leiturgia). Gebed kan vele vormen hebben – afsmekend, lovend, dankzeggend – en de geloofsbelijdenis is een bijzondere vorm van gebed. Liturgisch gebed, en in de eerste plaats de viering van de Eucharistie, is vanaf het allereerste begin van essentieel belang voor het leven van de christengemeenschap (vgl. Hand. 2:42). Gebed vindt zowel plaats in het openbaar (vgl. 1 Kor. 14) als privé (vg. Matt. 6:5). Voor Jezus drukt het Onze Vader (Matt. 6:9-13; Luc. 11:1-4) de essentie van het geloof uit. Het is een “samenvatting van het hele Evangelie” [7]. Belangwekkend is dat de taal van dit gebed bestaat uit “wij”, “ons” en “onze”.

iii) Geloof leidt tot kennis. Hij die gelooft is in staat de waarheid van God te herkennen (vgl. Fil. 3:10 e.v.). Deze kennis komt voort uit bezinning op de Godservaring, gebaseerd op de openbaring en gedeeld in de gemeenschap van gelovigen. Dit is de getuigenis van zowel de Oud- als te Nieuwtestamentische Wijsheidstheologie (Ps. 111:10; vgl. Spr. 1:7; 9:10; Matt. 11:27; Luc. 10:22).

iv) Geloof leidt tot belijdenis (marturia). Geïnspireerd door de Heilige Geest weten gelovigen in wie zij hun vertrouwen hebben geplaatst (vgl. 2 Tim. 1:12), en zijn zij in staan rekenschap te geven van de hoop die in hen leeft (vgl.1 Pet. 3:15), dankzij de profetische en apostolische verkondiging van het Evangelie (vgl. Rom 10:9 e.v.). Dat doen zij in hun eigen naam, maar vanuit de gemeenschap van gelovigen.

v) Geloof houdt vertrouwen in. Vertrouwen in God betekent het bouwen van het hele eigen leven op de belofte van God. In Heb. 11 worden vele Oudtestamentische gelovigen genoemd als leden van een grote processie, door tijd en ruimte, naar God in de hemel, geleid door Jezus, de “leidsman en voltooier van ons geloof” (Heb. 12:2). Christenen maken deel uit van deze processie, delend in dezelfde hoop en overtuiging (Heb. 11:1), en al “door zo’n wolk van getuigen omgeven” (Heb. 12:1).

vi) Geloof houdt verantwoordelijkheid in, en in het bijzonder naastenliefde en dienstbaarheid (diakonia). De leerlingen zullen worden gekend “aan hun vruchten” (Matt. 7:20). Deze vruchten horen in wezen bij het geloof, want geloof, dat voortkomt uit het luisteren naar het woord van God, vereist gehoorzaamheid aan zijn wil. Het geloof dat rechtvaardigt (Gal. 2:16) is “het geloof dat werkzaam is door de liefde” (Gal. 5:6; vgl. Jak. 2:21-24). Liefde voor broeder en zuster is in feite het criterium voor de liefde van God (1 Joh. 4:20).

c) Het vermogen van de gelovigen om de waarheid te kennen en ervan te getuigen

13. In Jeremia wordt er een “nieuw verbond” belooft, één die draait om de verinnerlijking van de wil van God: “Ik schrijf mijn Wet in hun binnenste, Ik grif die in hun hart. Ik zal hun God zijn, en zij zullen mijn volk zijn. Dan zal niemand meer zijn medeburger onderrichten, noch tegen zijn broeder zeggen: “Leer de heer kennen.” Want iedereen, groot en klein, kent Mij al – godsspraak van de heer. Ik vergeef hun misstappen, Ik denk niet meer aan hun zonden” (Jer. 31:33-34). Het volk van God zal opnieuw geschapen worden, een “nieuwe geest” ontvangen, om zo de wet te herkennen en deze te volgen (Ez. 11:19-20). Deze belofte wordt vervuld in het dienstwerk van Jezus en het leven van de Kerk door de gave van de Heilig Geest. De vervulling komt in het bijzonder naar voren in de viering van de Eucharistie, waarin de gelovigen de kelk ontvangen die “het nieuwe verbond” door het bloed van de Heer is (Luc. 22:20; 1 Kor. 11:25; vlg. Rom. 11:27; Heb. 8:6-12; 10:14-17).

14. In zijn afscheidsrede, in de context van het Laatste Avondmaal, beloofde Jezus aan zijn leerlingen de “Helper”, de Geest van waarheid (Joh. 14:16, 26; 15:26; 16:7-14). De Geest zou hen de woorden van Jezus in herinnering brengen (Joh. 14:26), hen in staat stellen getuigenis af te leggen van het woord van God (Joh. 15:26-27), “het ongelijk van de wereld aantonen, en laten zien wat zonde, wat gerechtigheid en wat oordeel is” (Joh. 16:8), en voor de leerlingen “leidsman” zijn “naar de volle waarheid” (Joh. 16:13). Dit alles gebeurt dankzij de gave van de Geest door het Paasmysterie, dat wordt gevierd in het leven van de christengemeenschap, in het bijzonder in de Eucharistie, totdat de Heer komt (vgl. 1 Kor. 11:26). De leerlingen hebben een geïnspireerde gevoeligheid voor de altijd actuele waarheid van Gods woord, mensgeworden in Jezus, en diens betekenis voor vandaag (vgl. 2 Kor. 6:2), en dat zet het volk van God, geleid door de Heilige Geest, aan tot getuigenis van hun geloof in de Kerk en in de wereld.

15. Mozes wenste dat alle mensen profeten konden zijn door de geest van de Heer te ontvangen (Num. 11:29). Die wens werd een eschatologische belofte door middel van de profeet Joël, en bij het eerste Pinksteren verkondigde Petrus de vervulling van de belofte: “En het zal gebeuren in de laatste dagen, zegt God, dat Ik mijn Geest zal uitgieten over alle mensen; uw zonen en uw dochters zullen profeteren” (Hand. 2:17; vgl. Joël 3:1). De Geest die was belooft (vgl. Hand. 1:8) wordt over de gelovigen uitgestort en stelt hen in staat te spreken “over de grote daden van God” (Hand. 2:11).

16. De eerste beschrijving van de gemeenschap van gelovigen in Jeruzalem combineert vier onderdelen: “Ze wijdden zich trouw aan het onderwijs dat de apostelen gaven, en aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed” (Hand. 2:42).Toewijding aan deze vier onderdelen laat op krachtige wijze het apostolische geloof zien. Geloof houdt vast aan de ware leer van de apostelen, die zich de leer van Jezus herinneren (vg. Luc. 1:1-4); het brengt gelovigen in onderlinge gemeenschap met elkaar; het wordt vernieuwd door de ontmoeting met de Heer in het breken van het brood, en het wordt gevoed door gebed.

17. Toen er in de kerk van Jeruzalem een conflict ontstond tussen de Hellenisten en de Hebreëen over de dagelijkse ondersteuning, riepen de twaalf apostelen “de hele groep leerlingen” bijeen en namen een beslissing. “De hele groep stemde met dit voorstel in”. De hele gemeenschap koos zeven mannen uit, “die goed bekend staan, vol van de Geest en van wijsheid”, en droegen hen voor aan de apostelen die daarop een gebed uitspraken en hen de handen oplegden (Hand. 6:1-6). Toen er problemen onstonden in de kerk van Antiochië over de besnijdenis en de praktijken van de Torah, werd de kwestie voorgelegd aan het oordeel van de moederkerk in Jeruzalem. De daaropvolgende apostolische bijeenkomst was van het grootste belang voor de toekomst van de Kerk. Lucas beschrijft de opeenvolging van gebeurtenissen zorgvuldig. De apostelen en de oudsten hielden een bijeenkomst “om deze kwestie onder ogen te zien”  (Hand. 15:6). Petrus verhaalde van zijn inspiratie door de Heilige Geest om Cornelius en zijn gezin te dopen, hoewel zij besneden waren (Hand. 15:7-11). Paulus en Barnabas spraken over hun missie-ervaringen in de plaatselijke kerk van Antiochië (Hand. 15:12;vgl.15:1-5). Jakobus overwoog die ervaringen in het licht van de Schrift (Hand. 15:13-18) en stelde een beslissing voor die de eenheid van de Kerk voorstond (Hand. 15:19-21). “Daarop besloten de apostelen en de oudsten in overleg met heel de gemeente enkele afgevaardigden met Paulus en Barnabas naar Antiochië te sturen” (Hand. 15:22). De brief waarin de beslissing werd meegedeeld werd door de gemeenschap met de vreugde van het geloof ontvangen (Hand. 15:3-22). Volgens Lucas laten deze gebeurtenissen passende kerkelijke actie zien, die bestaat uit zowel de pastorale dienstbaarheid van de apostelen en oudsten alsook de medewerking van de leden van de gemeenschap, die door hun geloof bekwaam zijn om mee te werken.

18. Aan de Korinthiërs beschrijft Paulus de dwaasheid van het kruis als de wijsheid van God (1 Kor. 1:18-25). Hij zegt, om uit te leggen hoe deze paradox begrepen moet worden: “Wij echter hebben de gezindheid van Christus” (1 Kor. 2:16;  ἡμεῖς δὲ νοῦν Χριστοῦ ἔχομεν; nos autem sensum Christi habemus in de Vulgaat). ‘Wij’ verwijst hier naar de kerk van Korinthe in eenheid met haar apostel als deel van de gehele gemeenschap van gelovigen (1 Kor. 1:1-2). Het vermogen om de gekruisigde Messias te herkennen als de wijsheid van God is gegeven door de Heilige Geest; het is niet het voorrecht van de wijzen en de Schriftgeleerden( vgl. 1 Kor. 1:20), maar gegeven aan de armen, de uitgeslotenen, en zij die ‘dwaas’ zijn in de ogen van de wereld (1 Kor. 1:26-29). Maar toch beschuldigt Paulus de Korinthiërs ervan dat zij nog “al te menselijk” zijn, nog altijd niet klaar voor “vast voedsel” (1 Kor. 3:1-4). Hun geloof moet groeien en beter worden uitgedrukt in hun woorden en daden.

19. In zijn eigen dienstwerk vertoont Paulus respect voor het geloof van zijn gemeenschappen, evenals een verlangen dit te verdiepen. In 2 Kor. 1:24 beschrijft hij zijn missie als apostel als volgt: “Niet dat wij heer en meester zijn van uw geloof; wij willen alleen bijdragen tot uw vreugde. Want in het geloof staat u stevig genoeg,” en hij bemoedigt de Korinthiërs: “Sta vast in het geloof” (1 Kor. 16:14). Aan de Tessalonicenzen schrijft hij een brief “om u in uw geloof te sterken en te bemoedigen” (1 Tess. 3:2), en hij bidt evenzo voor het geloof van andere gemeenschappen (vg. Kol. 1:9; Ef. 1:17-19). De apostel ijvert niet alleen voor een toename van het geloof van anderen, maar hij weet ook dat zijn eigen geloof daardoor wordt gesterkt, als in een soort van geloofsdialoog: “… om bij u en met u de vertroosting te genieten van ons gemeenschappelijk geloof, het uwe zowel als het mijne” (Rom. 1:12). Het geloof van de gemeenschap is een referentiepunt voor de leer van Paulus en een focus voor zijn pastorale zorg, en leidt tot een wederzijds heilzame uitwisseling tussen hem en zijn gemeenschappen.

20. In de eerste Brief van Johannes wordt de apostolische Traditie genoemd (1 Joh. 1:1-4), en de lezers worden aan hun doop herinnerd: “Ook u bent gezalfd door de Heilige, u allenweet dat” (1 Joh. 2:20). De brief gaat verder: “Wat uzelf aangaat, de zalving die u van Hem ontvangen hebt blijft u bij, u hebt geen andere leraar nodig. Alles wat zijn zalving u leert, is waar en zonder bedrog. Blijf in Hem zoals zijn zalving u heeft geleerd” (1 Joh. 2:27).

21. Uiteindelijke herhaalt Johannes de profeet, in het Boek Openbaring, in al zijn brieven aan de kerken (vgl. Op. 2-3) de formulering: “Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tot de gemeenten zegt” (Op. 2:7 e.v.). De leden van de kerken worden opgedragen acht te slaan op het levende woord van de Geest, het te ontvangen en God te eren. Door de gehoorzaamheid van het geloof, zelf een gave van de Geest, zijn de gelovigen in staat de leer die zij ontvangen te herkennen als werkelijk de leer van dezelfde Geest, en te reageren op de opdrachten die hen zijn gegeven.

2. De ontwikkeling van het idee, en haar plaats in de geschiedenis van de Kerk

22. Het idee van de sensus fidelium werd in de tijd van de Reformatie verder ontwikkeld en op een systematischer manier gebruikt, hoewel de bepalende rol van de consensus fidelium in de onderscheiding en ontwikkeling van de leer over geloof en moraal al erkend werd in de tijd van de Kerkvaders en de Middeleeuwen. Wat echter nog nodig was, was meer aandacht voor de specifieke rol van de leken hierin. Deze kwestie kreeg vooral vanaf de negentiende eeuw aandacht.

a) Tijd van de Kerkvaders

23. De Kerkvaders en theologen van de eerste paar eeuwen beschouwden het geloof van de hele Kerk als een vast referentiepunt om de inhoud van de apostolische Traditie te onderscheiden. Hun overtuiging over de soliditeit en zelfs de onfeilbaarheid van de onderscheiding van de hele Kerk in kwesties van geloof en moraal werd in de context van controverses uitgedrukt. Zij wezen de gevaarlijke nieuwigheden van ketters af door ze te vergelijken met wat in alle kerken werd geloofd en gedaan [8]. Voor Tertullianus (c. 160-c.225) was het feit dat alle kerken in essentie hetzelfde geloof hebben een bewijs voor de aanwezigheid van Christus en de leiding van de Heilige Geest; de dwalenden zijn zij die het geloof van de hele Kerk verlaten [9]. Volgens Augustinus (354-430) getuigt de hele Kerk, “van de bisschoppen tot de minsten van de gelovigen”, van de waarheid [10]. De algemene overeenstemming van christenen geldt als een vaste norm om het apostolisch geloof te bepalen: “Securus judicat orbis terrarum [het oordeel van de hele wereld is zeker]” [11]. Johannes Cassianus (c. 360-435) beweerde dat de algemene instemming van de gelovigen voldoende reden is om ketters te weerleggen [12], en Vincentius van Lérins (gestorven c. 445) stelde het geloof dat overal, altijd en door iedereen als waar werd aangenomen als norm (quod ubique, quod semper, quod ab omnibus creditum est) [13]. 

24. Om meningsverschillen onder de gelovigen op te lossen, wezen de Kerkvaders niet alleen op gezamenlijk geloof, maar ook op de constante traditie van de praktijk. Hiëronymus (c.345-420) vond bijvoorbeeld een rechtvaardiging voor de verering van relieken in de praktijk van de bisschoppen en de gelovigen [14] en Epiphanius (c. 315-403) vroeg, als verdediging voor de blijvende maagdelijkheid van Maria, of iemand ooit haar naam had durven uit te spreken zonder daaraan ‘de Maagd’ toe te voegen [15].

25. De getuigenis van de tijd van de Kerkvaders heeft met name betrekking op de profetische getuigenis van het volk van God als geheel, dat een zekere objectieve aard heeft. Het gelovige volk als geheel kan, zo werd gezegd, kan niet dwalen in kwesties van geloof, omdat zij een zalving van Christus heeft ontvangen, de beloofde Heilige Geest, die hen toerust om de waarheid te kunnen onderscheiden. Sommige Kerkvaders hielden zich ook bezig met het subjectieve  vermogen van christenen die door het geloof zijn bezield en waarin de Heilige Geest huist, om de ware leer in de Kerk te bewaren en dwalingen af te wijzen. Augustinus, bijvoorbeeld, wees hierop toen hij stelde dat Christus, “de innerlijke Leraar” zowel de leken als hun herders in staat stelt om niet alleen de geopenbaarde waarheid te ontvangen maar deze ook goed te keuren en door te geven [16].

26. In de eerste vijf eeuwen bleek het geloof van de Kerk als geheel bepalend te zijn om de canon van de Schrift te bepalen en de belangrijke leerstellingen over bijvoorbeeld de goddelijkheid van Christus, de eeuwige maagdelijkheid en het goddelijk moederschap van Maria, en de verering en het aanroepen van de heiligen vast te stellen. In sommige gevallen, zoals de zalige John Henry Newman (1801-1890) opmerkte, speelde vooral het geloof van de leken een belangrijke rol. Het meest opvallende voorbeeld was de bekende strijd in de vierde eeuw met de Arianen, die veroordeeld waren op het Concilie van Nicaea (325), waar de goddelijkheid van Christus werd vastgelegd. Tussen dat concilie en dat van Constantinopel (381) bleef er echter onzekerheid bestaan onder de bisschoppen. In die periode “werd de goddelijke traditie die toevertrouwd was aan de onfeilbare Kerk veel meer verkondigt en bewaart door de gelovigen dan door de bischoppen”. “Er was een tijdelijke onderbreking van de taken van de “Ecclesia docens.” De bisschoppen als geheel faalden in het belijden van het geloof. Ze zeiden verschillende dingen, de één tegen de ander; na Nicaea was er bijna zestig jaar lang een gebrek aan zekere, onveranderlijke, consistente getuigenis” [17].

b) Middeleeuwen

27. Newman merkte ook op dat “later, toen de geleerde Benedictijnen van Duitsland [vgl. Rabanus Maurus, c. 780-856] en Frankrijk [vgl. Ratramnus, gestorven c. 870] zich verbaasden over de verkondiging van de leerstelling van de Werkelijke Tegenwoordigheid, Paschasius [c. 790-c. 860] door de gelovigen werd gesteund in zijn vasthouden eraan” [18]. Iets vergelijkbaars vond plaats in verband met het dogma  over de gelukzalige aanschouwing, dat de zielen na het vagevuur en voor de dag des oordeels al genieten, zoals gedefiniëerd door Paus Benedictus XII in de constitutie Benedictus Deus (1336) [19]: “de traditie waarop de definitie is gebaseerd, werd zichtbaar in de consensus fidelium, met een helderheid die de opeenvolgende bisschoppen, hoewel velen van hen “Sancti Patres ab ipsis Apostolorum temporibus” waren, niet konden opbrengen”. “Zeer grote eerbied was er voor de “sensus fidelium“; hun advies en meningen werden niet gevraagd, maar hun getuigenis werd gehoord, hun gevoel geraadpleegd, hun ongeduld, zou ik bijna zeggen, gevreesd” [20]. De voortdurende ontwikkeling onder de gelovigen van het geloof in en de toewijding aan de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria, ondanks de tegenwerking van de leer door sommige theologen, is een ander belangrijk voorbeeld van de rol die de sensus fidelium in de Middeleeuwen speelde.

28. De scholastici erkenden dat de Kerk, de congregatio fidelium, niet kan dwalen in geloofskwesties omdat ze door God wordt onderwezen, verenigd is met Christus als haar hoofd en geïnspireerd door de Heilige Geest. Thomas van Aquino neemt dit bijvoorbeeld als vooronderstelling aan op basis van het feit dat de universele Kerk wordt geleid door de Heilige Geest die, zoals de Heer Jezus had beloofd, haar de “volle waarheid” (Joh. 16:13) zou leren [21]. Hij wist dat het geloof van de universele Kerk met gezag werd uitgedrukt door haar geestelijken [22], maar hij was ook bijzonder geïnteresseerd in het persoonlijke geloofsinstinct van iedere gelovige, dat hij onderzocht in relatie tot de theologische deugd van het geloof.

c) Reformatie en post-reformatorische periode

29. De uitdaging die de 16-eeuwse hervormers stelden vroeg om hernieuwde aandacht voor de sensus fidei fidelium, en de eerste systematische verhandeling hierover was het resultaat. De hervormers benadrukten het primaatschap van het woord van God in de Heilige Schrift (Scriptura sola) en het priesterschap van de gelovigen. Volgens hen geeft de innerlijke getuigenis van de Heilige Geest alle gedoopten het vermogen om zelf het woord van God uit te leggen; deze overtuiging weerhield hen er echter niet van om in synodes te onderwijzen en catechismussen te publiceren voor het onderwijs van de gelovigen. Hun stellingen trokken onder andere de rol en status van de Traditie, het leergezag van de paus en de bisschoppen en de onfeilbaarheid van de concilies in twijfel. Als reactie op hun bewering dat de belofte van Christus’ aanwezigheid en de leiding van de Heilige Geest aan de hele Kerk was geschonken, niet alleen aan de Twaalf, maar ook aan iedere gelovige [23], waren katholieke theologen gedwongen om uitgebreider uit te leggen hoe de herders het geloof van het volk moesten dienen. Daarmee gaven zij ook meer aandacht aan het leergezag van de hiërarchie.

30. De theologen van de katholieke Reformatie, verder bouwend op eerdere pogingen om tot een systematische ecclesiologie te komen, rochten zich op de kwestie van openbaring, haar bronnen en hun gezag. Eerst reageerden ze op de kritiek van de hervormers op bepaalde leerstellingen doorde aandacht te vestigenop de onfeilbaarheid van de hele Kerk, leken en geestelijkheid samen, in credendo [24]. Het Concilie van Trente deed zelfs herhaaldelijk een beroep op het oordeel van de gehele Kerk in haar verdediging van betwiste onderdelen van de katholieke leer. Het Decreet over het Sacrament van de Eucharstie (1551) voerde bijvoorbeeld “het universele begrip van de Kerk [universum Ecclesiae sensum]” [25] aan.

31. Melchior Cano (1509-1560), die het Concilie bijwoonde, verzorgde de eerste uitgebreide verhandeling over de sensus fidei fidelium als verdediging van de katholieke waardering van de bewijskracht van de Traditie in het theologisch debat. In zijn verhandeling De locis theologicis (1564) [26] noemt hij de huidige algemene overeenstemming van de gelovigen als één van de vier criteria om te bepalen of een leerstelling of praktijk tot de apostolische traditie behoort [27]. In een hoofdstuk over het gezag van de Kerk op het gebied van de leer stelde hij dat het geloof van de Kerk niet kan dwalen omdat zij de Bruid (Hos. 2; 1 Kor. 11:2) en het Lichaam van Christus is (Ef. 5), en omdat de Heilige Geest haar leidt (Joh. 14:16, 26) [28]. Cano benadrukt ook dat het woord ‘Kerk’ soms alle gelovigen, inclusief de herders, omvat, en soms haar leiders en herders (principes et pastores) alleen aanduidt, omdat ook zij de Heilige Geest bezitten [29]. Hij gebruikt het woord volgens de eerste betekenis wanneer hij beweerde dat de het geloof van de Kerk niet kan dwalen, dat de Kerk niet kan worden misleidt in haar geloof, en dat onfeilbaarheid niet alleen eigen is aan de Kerk van het verleden, maar ook aan de Kerk zoals zij nu bestaat. Hij gebruikte ‘Kerk’ volgens de tweede betekenis wanneer hij onderwees dat haar herders onfeilbaar zijn in het met gezag oordelen over de leer, want zij worden hierin bijgestaan door de Heilige Geest (Ef. 4, 1 Tim. 3) [30].

32. In zijn verdediging van het katholieke geloof tegen haar critici uit de Reformatie, nam Robertus Bellarminus (1542-1621) de zichtbare Kerk, het “geheel van alle gelovigen” als beginpunt. Volgens hem was alles dat de gelovigen als de fide beschouwden, en alles dat de bisschoppen onderwezen over het geloof, noodzakelijkerwijs waar en diende te worden geloofd [31]. Hij hield vol dat de concilies van de Kerk niet kunnen dwalen omdat zij in het bezit zijn van deze consensus Ecclesiae universalis [32].

33. Andere theologen uit de post-Tridentijnse periode bleven de onfeilbaarheid van de Ecclesia (waarmee zij de gehele Kerk, inclusief haar herders, bedoelden) in credendo bevestigen, maar begonnen vrij scherp onderscheid te maken tussen de ‘onderwijzende Kerk’ en de ‘lerende Kerk’. De vroegere nadruk op de actieve onfeilbaarheid van de Ecclesia in credendo werd geleidelijk vervangen door een nadruk op de actieve rol van de Ecclesia docens. Het werd gemeengoed om te zeggen dat de Ecclesia discens slechts een ‘passieve’ onfeilbaarheid had.

d) De negentiende eeuw

34. De negentiende eeuw was een bepalende periode voor de leer van de sensus fidei fidelium. Binnen de katholieke kerk, deels als antwoord op kritiek van vertegenwoordigers van de moderne cultuur en van christenen van andere tradities, en deels vanuit een innerlijke wasdom, vond de opkomst van een historisch bewustzijn plaats, een herleving van interesse in de Kerkvaders en de middeleeuwse theologen, en een hernieuwde ontdekking van het mysterie van de Kerk. In deze context schonken katholieke theologen zoals Johann Adam Möhler (1796-1838), Giovanni Perrone (1794-1876) en John Henry Newman nieuwe aandacht aan de sensus fidei fidelium als een locus theologicus om uit te leggen hoe de Heilige Geest de gehele Kerk in waarheid behoudt en om ontwikkelingen in de leer van de Kerk te verantwoorden. Theologen benadrukten de actieve rol van de gehele Kerk, met name de bijdrage van de lekengelovigen, in het bewaren en doorgeven van het geloof van de Kerk; en in het proces dat zou leiden tot het definiëren van de Onbevlekte Ontvangenis (1854) bevestigde het magisterium deze inzichten indirect.

35. Als verdediging van het katholieke geloof tegen het rationalisme wilde de Tübinger geleerde Johann Adam Möhler de Kerk als een levend organisme verbeelden, en de principes begrijpen die de ontwikkeling van de leer bepaalden. Volgens hem wekt, leid en verenigd de Heilige Geest de gelovigen als een gemeenschap in Christus, en brengt in hen zo een kerkelijk ‘bewistzijn’ van het geloof tot stand (Gemeingeist of Gesamtsinn), vergelijkbaar met een Volksgeist of nationaal bewustzijn [33]. Deze sensus fidei, de subjectieve dimensie van de Traditie, omvat noodzakelijkerwijs een objectief element, de leer van de Kerk, omdat de christelijke ‘gevoeligheid’ van de gelovigen, dat in hun harten leeft en vrijwel overeenkomt met de Traditie, niet losstaat van haar inhoud [34].

36. In de eerste plaats onderzocht John Henry Newman de sensus fidei fidelium om de problemen die hij had met de ontwikkeling van de leer op te lossen. Hij was de eerste die een volledige verhandeling over dit onderwerp, An Essay on the Development of Christian Doctrine (1845), uitgaf, en de eerste die de kenmerken van gelovige ontwikkeling uitwerkte. Om onderscheid te maken tussen goede en verkeerde ontwikkelingen nam hij de regel van Augustinus aan – de algemene instemming van de gehele Kerk, ‘Securus judicat orbis terrarum’ – maar hij zag in dat er een onfeilbare autoriteit nodig was om de Kerk in de waarheid te houden.

37. Met behulp van inzichten van Möhler en Newman [35] herwon Perrone het patristische begrip van de sensus fidelium om een antwoord te geven op het wijdverbreide verlangen naar een pauselijke definitie van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria: in de unanieme instemming, of conspiratio, van de gelovigen en hun herders vond hij een rechtvaardiging voor de apostolische oorsprong van deze leer. Hij hield vast aan het idee dat de voornaamste theologen bewijskracht aan de sensus fidelium toeschreven, en dat de kracht van één ‘werktuig van de traditie’  het gebrek van een ander kon goedmaken, bijvoorbeeld ‘het zwijgen van de Kerkvaders’ [36].

38. De invloed van het onderzoek van Perrone op de beslissing van Paus Pius IX om tot een definitie te komen van de Onbevlekte Ontvangenis is zichtbaar in het feit dat e paus, voordat hij het vastlegde, de bisschoppen van de wereld vroeg om in schrift verslag te doen van de devotie van hun geestelijken en gelovigen tot de ontvangenis van de Onbevlekte Maagd [37]. In de apostolische constitutie waarin de definiëring is vastgelegd, Ineffabilis Deus (1854), schrijft Paus Pius IX dat hij, ondanks dat hij de mening van de bisschoppen over dit onderwerp al kende, de bisschoppen in het bijzonder had gevraagd om hem te informeren over de godsvrucht en devotie van hun gelovigen in deze context, en hij stelde vast dat “de Heilige Schrift, de eerbiedwaardige Traditie, de vasthoudende mening van de Kerk [perpetuus Ecclesiae sensus], de opmerkelijke instemming van de katholieke bisschoppen en de gelovigen [singularis catholicorum Antistitum ac fidelium consiratio],  en de gedenkwaardige handelingen en constituties van onze voorgangers” allen op wonderlijke wijze de leerstelling weergaven en verkondigden [38]. Zo gebruikte hij de taal van de verhandeling van Perrone om de gezamenlijke getuigenis van de bisschoppen en de gelovigen te omschrijven. Newman benadrukte het woord conspiratio en stelde: “de twee, de onderwijzende en de lerende Kerk, worden samengevoegd als een tweevoudige getuigenis, elkaar weerspiegelend, om nooit gescheiden te worden” [39].

39. Toen Newman later On Consulting the Faithful in Matters of Doctrine (1859) schreef, had hij de bedoeling om te laten zien dat de gelovigen (los van hun herders) hun eigen actieve rol hebben te spelen in het bewaren en doorgeven van het geloof. “De [T] raditie van de apostelen” is “toegewijd aan de gehele Kerk met al haar verschillende onderdelen en functies per modum unius“, maar de bisschoppen en de lekengelovigen getuigen er op verschillende manieren van. De Traditie, zo zegt hij, “manifesteert zich op verschillende manieren op verschillende tijden: soms door de mond van het episcopaat, soms door de leraren, soms door het volk, soms door liturgieën, riten, ceremoniën en gewoonten, door gebeurtenissen, meningsverschillen, bewegingen, en al die andere verschijnselen die bestaan onder de naam geschiedenis” [40]. Voor Newman “bestaat er iets in de ‘pastorum et fidelium conspiratio’ dat niet bestaat in de herders alleen” [41]. In dit werk citeert Newman uitgebreid uit de argumenten die meer dan tien jaar eerder door Giovanni Perrone werden voorgesteld voor de definiëring van de Onbevlekte Ontvangenis [42].

40. De dogmatische constitutie Pastor Aeternus van het Eerste Vaticaans Concilie, waarin het onfeilbare leerambt van de paus werd vastgelegd, negeerde op generlei wijze de sensus fidei fidelium; integendeel, het vooronderstelde het. De oorspronkelijke eerste versie van de constitutie Supremi Pastoris, waaruit het ontwikkelt werd, bevatte een hoofdstuk over de onfeilbaarheid van de Kerk (hoofdstuk negen) [43]. Toen de volgorde van discussie werd aangepast om het vraagstuk van de pauselijke onfeilbaarheid op te lossen, werd het debat over dit onderwerp echter uitgesteld en nooit weer hervat. In zijn relatio over de definitie van pauselijke onfeilbaarheid legt Bisschop Vincent Gasser echter toch uit dat de bijzondere bijstand die de paus gegeven is hem niet loskoppelt van de Kerk en raadpleging en samenwerking niet uitsluit [44]. De definitie van de Onbevlekte Ontvangenis was, zo zei hij, een voorbeeld van een kwestie “die zo moeilijk was dat de paus het voor het vergaren van zijn informatie noodzakelijk achtte om de bisschoppen te raadplegen, als standaard manier, over de gedachten van de kerken” [45]. In een passage die bedoelt is om Gallicanismen uit te sluiten, stelt Pastor Aeternus dat ex cathedra gedane leerstellige uitspraken van de paus over geloof en moraliteit “in zichzelf en niet vanwege de instemming van de Kerk [ex sese non autem ex consensu ecclesiae]” onweerlegbaar zijn [46], maar dat maakt de consensus Ecclesiae niet overbodig. Wat hiermee wordt uitgesloten is de theorie dat zulke bepalingen deze instemming vooraf of achteraf vereisen als een voorwaarde voor het gezag ervan [47]. In antwoord op de Modernistische crisis bevestigde een decreet van het Heilig Officie, Lamentabili (1907), de vrijheid van de Ecclesia docens vis-à-vis de Ecclesia discens. Het decreet keurde een voorstel af dat inhield dat herders alleen dat mochten onderwijzen wat de gelovigen al geloofden [48].

e) De twintigste eeuw

41. In de twintigste eeuw verkenden katholieke theologen de leer van de sensus fidei fidelium in de contact van een theologie van de Traditie, een hernieuwde ecclesiologie en een theologie van de leken. Zij benadrukten dat de ‘de Kerk’ niet identiek is aan haar herders, dat de gehele Kerk door het werk van de Heilige Geest onderwerp of ‘orgaan’ van de Traditie is; en dat leken een actieve rol te spelen hebben in het doorgeven van het apostolisch geloof. Het magisterium onderschreef deze ontwikkeling in zowel de raadpleging die zou leiden tot het vastleggen van de glorievolle Tenhemelopneming van de Heilige Maagd Maria, als in het hervinden en bevestigen van de leer van de sensus fidei tijdens het Tweede Vaticaans Concilie.

42. In 1946, naar voorbeeld van zijn voorganger, schreef Paus Pius XII een encycliek, Deiparae Virginis Mariae, aan alle bisschoppen van de wereld met de vraag hem “te informeren over de devotie van uw geestelijken en mensen (rekening houdend met hun geloof en vroomheid) tot de Tenhemelopneming van de Allerheiligste Maagd Maard”. Zo herbevestigde hij de gewoonte om de gelovigen te raadplegen alvoren een dogmatische definitie uit te vaardigen, en in de apostolische constitutie  Munificentissimus Deus (1950) meldde hij de “bijna algemene stem” die hij gekregen had [49]. Het geloof in de Tenhemelopneming van Maria was zeker “diep in de harten der christengelovigen ingeworteld” [50]. Paus Pius XII verwees naar de “overeenstemmende leer van het gewone leerstellige gezag en het overeenstemmende geloof van het christenvolk,” en zei met betrekking tot het geloof in de Tenhemelopneming van Maria, zoals Paus Pius IX had gezegd aangaande het geloof in haar Onbeveltke Ontvangenis, dat er een “catholicorum Antistitum et fidelium conspiratio” was. Hij voegde daaraan toe dat de conspiratie “absoluut zeker en van iedere dwaling gevrijwaard ” liet zien dat de Tenhemelopneming van Maria “een door God geopenbaarde waarheid is en in die goddelijke geloofsschat berust, die Christus aan zijne Bruid schonk om hem getrouw te bewaren en onfeilbaar uit te leggen” [51]. In beide gevallen bevestigden en vierden de pauselijke vaststellingen dus het diepgewortelde geloof van de gelovigen.

——————-

[1] Paus Franciscus, Angelustoespraak, 17 maart 2013.

[2] vgl. Paus Franciscus, Apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium (2013), nn. 119-120.

[3] Bijbelcitaten komen uit de Willibrordvertaling. Tenzij anders vermeld zijn citaten uit de documenten van het Tweede Vaticaans Concilie genomen uit de vertalingen zoals beschikbaar op rkdocumenten.nl. De volgende conciliedocumenten zullen als volgt worden aangegeven: Apostolicam Actuositatem (AA), Ad Gentes (AG), Dei Verbum (DV), Gaudium et Spes (GS), Lumen Gentium (LG), Perfectae Caritatis (PC), Sacrosanctum Concilium (SC). Verwijzingen naar Heinrich Denzinger, Enchiridion symbolorum definitionum et declarationum de rebus fidei et morum, worden aangegeven met DH en het paragraafnummer; verwijzingen naar de Catechismus van de Katholieke Kerk (1992) worden aangegeven met CKK en het paragraafnummer; verwijzingen naar J. P. Migne, red., Patrologia Latina (1844-1864) woorden aangegeven met PL en het deel- en kolomnummer.

[4] In haar document over De Interpretatie van Dogma (1989) sprak de Internationale Theologencommissie (ITC) over de sensus fidelium als een “innerlijk bewustzijn” waarmee het volk van God “in verkondiging herkent dat de woorden die van God zijn, en niet van de mens, en deze aanneemt en beschermt met onverbrekelijke trouw” (C, II, 1). Het document onderstreept ook de rol van de consensus fidelium in het interpreteren van dogma (C, II, 4).

[5] In haar recente document met de titel Theologie Vandaag: Perspectieven, Principes en Criteria (2012) beschreef de ITC de sensus fidei als een fundamentele locus of referentiepunt voor de theologie (n. 35).

[6] Theologie Vandaag, §13.

[7] Tertullianus, De oratione, I, 6; Corpus Christianorum, latina-serie (hierna CCSL), 1, p.258.

[8] Yves M.-J. Congar identificeert verschillende doctrinaire kwesties waarin de sensus fidelium werd gebruikt in Jalons pour une Théologie du Laïcat (Paris: Éditions du Cerf, 1953), 450-53.

[9] Tertullianus, De praescriptione haereticorum, 21 en 28, CCSL 1, pp. 202-203 en 209.

[10] Augustinus, De praedestinatione sanctorum, XIV, 27 (PL 44, 980). Hij zegt dit in verwijzing naar de canoniciteit van het Boek Wijsheid.

[11] Augustinus, Contra epistolam Parmeniani, III, 24 (PL 43, 101). Vgl. De baptismo, IV, xxiv, 31 (PL 43, 174) (wat betreft het dopen van zuigelingen): “Quod universa tenet Ecclesia, nec conciliis institutum, sed semper retentum est, nonnisi auctoritate apostolica traditum rectissime creditur’”.

[12] Cassianus, De incarnatione Christi, I, 6 (PL 50, 29-30): “Sufficere ergo solus nunc ad confutandum haeresim deberet consensus omnium, quia indubitatae veritatis manifestatio est auctoritas universorum”.

[13] Vincentius van Lérins, Commonitorium II, 5 (CCSL, 64, p.149).

[14] Hiëronymus, Adversus Vigilantium 5 (CCSL 79C, p.11-13).

[15] Epiphanius van Salamis, Panarion haereticorum, 78, 6; Die griechischen christlichen Schriftsteller der ersten Jahrhunderte, Epiphanius, Bd 3, p. 456.

[16] Augustinus, In Iohannis Evangelium tractatus, XX, 3 (CCSL 36, p.204); Ennaratio in psalmum 120, 7 (PL 37, 1611).

[17] John Henry Newman, On Consulting the Faithful in Matters of Doctrine, geredigeerd met een inleiding van John Coulson (London: Geoffrey Chapman, 1961), pp.75-101; op 75 en 77. Zie ook zijn The Arians of the Fourth Century (1833; 3rd ed. 1871). Congar raadde voorzichtigheid aan wat betreft het gebruik van de analyse van Newman in deze kwestie; zie Congar, Jalons pour une Théologie du Laïcat, p.395

[18] Newman, On Consulting the Faithful, p.104.

[19] Zie DH 1000.

[20] Newman, On Consulting the Faithful, p.70.

[21] Thomas van Aquino, Summa theologiae, IIa-IIae, q.1, a.9, s.c.; IIIa, q.83, a.5, s.c. (met betrekking op de liturgie van de Mis); Quodl. IX, q.8 (met betrekking op heiligverklaringen). Vgl. ook Bonaventura, Commentaria in IV librum Sententiarum, d.4, p.2, dub. 2 (Opera omnia, vol.4, Quaracchi, 1889, p.105): ‘[Fides Ecclesiae militantis] quamvis possit deficere in aliquibus personis specialiter, generaliter tamen numquam deficit nec deficiet, iuxta illud Matthaei ultimo: “Ecce ego vobiscum sum usque ad consumationem saeculi”’; d.18, p.2, a. un. q.4 (p.490). In Summa theologiae, IIa-IIae, q.2, a.6, ad 3, verbindt de heilige Thomas di onvermogen van de universele Kerk tot dwalen aan de belofte van Jezus aan Petrus, dat zijn geloof niet zou bezwijken (Luc. 22:32).

[22] Summa theologiae, IIa-IIae, q.1, a.10; q.11, a.2, ad 3

[23] Zie Maarten Luther, De captivitate Babylonica ecclesiae praecludium, WA 6, 566-567, en Johannes Calvijn, Institutio christianae religionis, IV, 8, 11; de beloften van Christus worden gevonden in Matt. 28:19 en Joh. 14: 16, 17.

[24] Zie Gustav Thils, L’Infaillibilité du Peuple chrétien ‘in credendo’: Notes de théologie post-tridentine (Parijs: Desclée de Brouwer, 1963).

[25] DH 1637; zie ook DH 1726. Voor vergelijkbare uiteenzetting, zie Yves M.-J. Congar, La Tradition et les traditions, II. Essai théologique (Parijs: Fayard, 1963), pp.82-83.

[26] De locis theologicis, red. Juan Belda Plans (Madrid, 2006). Cano somt tien loci op: Sacra Scriptura, traditiones Christi et apostolorum, Ecclesia Catholica, Concilia, Ecclesia Romana, sancti veteres, theologi scholastici, ratio naturalis, philosophi, humana historia.

[27] De locis theol., Bk. IV, h. 3 (Plans red., p.117). ‘Si quidquam est nunc in Ecclesia communi fidelium consensione probatum, quod tamen humana potestas efficere non potuit, id ex apostolorum traditione necessario derivatum est.’

[28] De locis theol., Bk. I, h. 4 (p. 144-46).

[29] De locis theol., Bk. I, h. 4 (p. 149): ‘Non solum Ecclesia universalis, id est, collectio omnium fidelium hunc veritatis spiritum semper habet, sed eundem habent etiam Ecclesiae principes et pastores’. In Boek IV bevestigt Cano het gezag van de Roomse paus wanneer deze een leerstelling ex cathedra vastlegt.

[30] De locis theol., Bk. I, h. 4 (p. 150-51): ‘Priores itaque conclusiones illud astruebant, quicquid ecclesia, hoc est, omnium fidelium concio teneret, id verum esse. Haec autem illud affirmat pastores ecclesiae doctores in fide errare non posse, sed quicquid fidelem populum docent, quod ad Christi fidem attineat, esse verissimum.’

[31] Robertus Bellarminus, De controversiis christianae fidei (Venetië, 1721), II, I, lib.3, cap.14: ‘Et cum dicimus Ecclesiam non posse errare, id intelligimus tam de universitate fidelium quam de universitate Episcoporum, ita ut sensus sit eius propositionis, ecclesia non potest errare, idest, id quod tenent omnes fideles tanquam de fide, necessario est verum et de fide; et similiter id quod docent omnes Episcopi tanquam ad fidem pertinens, necessario est verum et de fide’ (p.73).

[32] De controversiis II, I, lib.2, cap.2: ‘Concilium generale repraesentat Ecclesiam universam, et proinde consensum habet Ecclesiae universalis; quare si Ecclesia non potest errare, neque Concilium oecumenicum, legitimum et approbatum, potest errare’ (p. 28).

[33]  J. A. Möhler, Die Einheit in der Kirche oder das Prinzip des Katholizismus [1825], red. J. R. Geiselmann (Keulen en Olten: Jakob Hegner, 1957), 8ff., 50ff.

[34]  J. A. Möhler, Symbolik oder Darstellung der dogmatischen Gegensätze der Katholiken und Protestanten, nach ihren öffentlichen Bekenntnisschriften [1832], red. J.R. Geiselmann (Keulen en Olten: Jakob Hegner, 1958), §38. Als weerwoord tegen het protestantse principe van de persoonlijke interpretatie herbevestigde hij het belang van het oordeel van de gehele Kerk.

[35] In 1847 ontmoette Newman Perrone en bespraken zij Newmans ideeën over de ontwikkeling van de leer. Newman gebruikte het idee van de sensus ecclesiae in deze context. Cf. T. Lynch, red., ‘The Newman-Perrone Paper on Development’, Gregorianum 16 (1935), pp.402-447, m. n. ch.3, nn.2, 5.

[36] Ioannis Perrone, De Immaculato B. V. Mariae Conceptu an Dogmatico Decreto definiri possit (Romae, 1847), 139, 143-145. Perrone kwam tot de conclusie dat de christengelovigen ‘ten diepste verontwaardigd’ zouden zijn als de Onbevlekte Ontvangenis van Maria ‘ook maar enigszins in twijfel zou worden getrokken’ (p. 156). Hij vond andere voorbeelden waarin het magisterium op de sensus fidelium vertrouwde om tot leerstellige definities te komen, bijvoorbeeld de leerstelling dat de zielen van de rechtvaardigen al voor de verrijzenis van de doden de zalige aanschouwing genieten (pp. 147-148).

[37] Zie Paus Pius IX, Encycliek Ubi primum (1849), n.6.

[38] Paus Pius IX, Apostolische Constitutie Ineffabilis Deus (1854).

[39] Newman, On Consulting the Faithful, pp.70-71.

[40] Newman, On Consulting the Faithful, p.63, vg. p.65. Newman maakt gewoonlijk onderscheid tussen de ‘herders’ en de ‘gelovigen’. Soms voegt hij de ‘leraren’ (theologen) toe als een afzondelrijke groep getuigen, en hij omvat de lagere geestelijken in de ‘gelovigen’ tenzij hij spreekt over de ‘lekengelovigen’.

[41] Newman, On Consulting the Faithful, p.104.

[42] Newman, On Consulting the Faithful, pp.64-70; vg. hierboven §37.

[43] Mansi, III (51), 542-543. Het stelt dat de onfeilbaarheid van de Kerk betrekking heeft op alle geopenbaarde waarheid, in de Schrift en de Traditie – dat will zeggen het geheel van het geloof – en op alles wat nodig is om dit te verdedigen en te bewaren, ook al is dit niet geopenbaard.

[44] Mansi, IV (52), 1213-14.

[45] Idem., 1217. Gasser voegt hieraan toe: ‘sed talis casus non potest statui pro regula’.

[46] DH 3074. Eén van de ‘Vier Artikelen’ van het Gallicanisme is dat het oordeel van de paus “niet onweerlegbaar is tenzij het de instemming van de Kerk heeft”.

[47] Zie Gasser, in Mansi, 52, 1213-14.

[48] Het afgekeurde voorstel luidt: “De ‘lerende Kerk’ en de ‘onderwijzende Kerk’ werken op zo’n manier samen in het bepalen van waarheden dat de enige overgebleven taak van de ‘onderwijzende Kerk’ het bevestigen van de meningen van de ‘lerende Kerk’ is” (DH 3406).

[49] Paus Pius XII, Apostolische Constitutie Munificentissimus Deus, n.12.

[50] Munificentissimus Deus, n.41.

[51] Munificentissimus Deus, n.12.

http://www.vatican.va/roman_curia/congregations/cfaith/cti_documents/rc_cti_20140610_sensus-fidei_en.html

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s