Toespraak tot het Europees Parlement

Meneer de President en Vicepresidenten,

Leden van het Europees Parlement,

Allen die betrokken zijn bij het werk van dit Instituut,

Beste vrienden,

Ik dank u voor uw uitnodiging om dit instituut, dat van fundamenteel belang is voor het leven van de Europese Unie, toe te spreken en voor deze kans om u toe te spreken en door u de meer van 500 miljoen burgers van de 28 lidstaten die u vertegenwoordigt. Ik ben u, Meneer de President, bijzonder dankbaar voor uw warme welkom namens deze gehele vergadering.

Mijn bezoek vindt maar dan een kwart eeuw na dat van Paus Johannes Paulus II plaats. Sindsdien is er in Europa en de wereld als geheel veel veranderd. De tegenover staande blokken die het continent toen in tweeën deelden bestaan niet langer, en langzamerhand wordt de hoop werkelijkheid dat “Europa, bedeeld met soevereine en vrije instellingen, ooit de volheid zal bereiken die de geografie en, meer nog, de geschiedenis haar hebben gegeven”. [1]

Terwijl de Europese Unie is uitgebreid is de wereld zelf complexer en veranderlijker geworden; het is steeds meer onderling verbonden en globaler geworden en als gevolg steeds minder “Eurocentrisch”. Ondanks een grotere en sterkere Unie lijkt Europa het idee te geven dat ze enigszins oud en vermoeid is, zich steeds minder een deelnemer voelt in een wereld die haar vaak afstandelijk, wantrouwend en soms zelfs met achterdocht benaderd.

In mijn toespraak vandaag zou ik als een herder een boodschap van hoop en bemoediging aan alle burgers van Europa willen geven.

Het is een boodschap van hoop op basis van het vertrouwen dat onze  problemen sterke krachten voor eenheid kunnen worden om al die angsten die Europa – samen met de hele wereld – tegenwoordig meemaakt te overwinnen. Het een boodschap van hoop in de Heer die het kwade veranderd in het goede en dood in leven.

Het is een boodschap van bemoediging om terug te keren naar de vaste overtuiging van de stichters van de Europese Unie, die een toekomst voorzagen op basis van het vermogen om samen te werken om verdeeldheid te overbruggen en vrede en broederschap tussen alle volkeren in dit werelddeel te bevorderen. In het hart van dit ambitieuze politieke project stond het vertrouwen in de mens, niet zozeer als burger of economisch middel, maar in de mens, in mannen vrouwen, als personen met een allesoverstijgende waardigheid.

Ik voel me verplicht om de nauwe band tussen deze twee woorden te benadrukken: “waardigheid” en “allesoverstijgend”. “Waardigheid” was het centrale punt in het wederopbouwproces na de Tweede Wereldoorlog. Ons recente verleden is gekenmerkt geweest door de zorg voor het beschermen van de menselijke waardigheid, in tegenstelling tot de vele voorbeelden van geweld en discriminatie die, zelfs in Europa,  in de loop der eeuwen hebben plaatsgevonden. Erkenning van het belang van mensenrechten kwam tot stand na een langdurig proces dat veel lijden en opoffering inhield, en dat hielp een bewustzijn tot stand te brengen van de unieke waarde van elke individuele menselijke persoon. Dit bewustzijn was niet alleen op historische gebeurtenissen gebaseerd, maar vooral op het Europese denken, gekenmerkt als het is door een verrijkende ontmoeting waarvan de “verre bronnen veelvoudig zijn, afkomstig uit Griekenland en Rome, uit Keltische, Germaanse en Slavische bronnen, en van het christendom dat hen ten diepste gevormd heeft” [2], en vormde zo het idee van de “persoon”.

Tegenwoordig staat het bevorderen van mensenrechten centraal in de toewijding van de Europese Unie om de waardigheid van de persoon te bevorderen, zowel binnen de Unie als in haar relaties met andere landen. Dit is een belangrijke en lovenswaardige toewijding, want er zijn nog steeds teveel situaties waarin de mens behandelt wordt als een object wiens verwekking, vorm en bruikbaarheid geprogrammeerd kan worden, en die kan worden afgedankt als hij niet meer bruikbaar is vanwege zwakheid, ziekte of ouderdom.

Welke soort waardigheid bestaat uiteindelijk zonder de kans om in vrijheid de eigen gedachten uit te drukken of het eigen religieuze geloof te belijden? Welke waardigheid kan er zijn zonder een duidelijk juridisch raamwerk die het recht van de sterkste beperkt en de wet de macht van de tirannie laat overwinnen? Welke waardigheid kunnen mannen en vrouwen ooit genieten als ze zijn onderworpen aan allerlei vormen van discriminatie? Welke waardigheid kan iemand ooit hopen te vinden als hij of zij geen voedsel heeft, of de eerste benodigdheden om te overleven mist, of, nog erger, als zij geen werk hebben waardoor zij waardigheid verkrijgen?

Het bevorderen van de waardigheid van de persoon betekent dat hij of zij onvervreemdbare rechten heeft die niemand willekeurig kan afnemen, laat staan om economische redenen.

Maar tegelijkertijd moeten we oppassen om niet bepaalde fouten te begaan die kunnen voortkomen uit het verkeerd begrijpen van het idee mensenrechten en van het misbruik ervan. Tegenwoordig bestaat er een trend om nog bredere mensenrechten te claimen; aan de basis hiervan ligt een idee van de menselijke persoon als losstaand van alle maatschappelijke en antropologische contexten, alsof de persoon een op zich staande “eenheid” (μονάς) is, in toenemende mate onberoerd door andere omliggende “eenheden”. Het evenzeer belangrijke en aanvullende concept van plicht lijkt niet langer verbonden te zijn met zo’n idee van rechten. Als gevolg worden de rechten van het individu gehandhaafd, zonder rekening te houden met het feit dat ieder menselijk wezen deel uitmaakt van een maatschappelijke context waarin zijn of haar rechten en plichten verweven zijn met die van anderen en met het algemeen welzijn van de maatschappij zelf.

Daarom geloof ik dat het van vitaal belang is om een cultuur van mensenrechten te ontwikkelend die het individu, of beter nog, het persoonlijke aspect, wijselijk verbindt met het algemeen welzijn, het “wij allen” dat bestaat uit individuen, gezinnen en groepen die samen de maatschappij vormen [3]. Tenzij de rechten van elk individu in harmonie geordend zijn naar het algemeen welzijn, zullen die rechten in feite als grenzeloos worden beschouwd en vandaar een bron van conflict en geweld worden.

Spreken over alleroverstijgende menselijke waardigheid is een aanspraak op de menselijke aard, op ons aangeboren vermogen om goed van kwaad te onderscheiden, op dat “kompas” diep in ons hart, dat God de hele schepping op het hart gedrukt heeft [4]. Vooral betekent het menselijke wezens te beschouwen, niet als absolute waarden, maar als wezens in een relatie. Naar mijn mening is één van de meest verkomende ziektes in Europa tegenwoordig de eenzaamheid die typerend is voor degenen die geen band met anderen hebben. Dit is in het bijzonder zo voor de ouderen die vaak aan hun lot worden overgelaten, en ook voor de jongeren die het aan duidelijke referentiepunten en kansen voor de toekomst ontbreekt. Het is ook zichtbaar in de vele armen die onze steden bevolken en in de verwarring van immigranten die hier kwamen op zoek naar een betere toekomst.

Deze eenzaamheid is dringender geworden als gevolg van de economische crisis, waarvan de effecten tragische gevolgen blijven hebben voor het leven van de maatschappij. In recente jaren, terwijl de Europese Unie zich heeft uitgebreidt, is er een groeiend wantrouwen geweest van burgers voor instellingen die als afstandelijk werden beschouwd en zich bezig hielden met het maken van regels die als ongevoelig, zo niet schadelijk voor individuele mensen werden begrepen. Van vele kanten merken we een algemene indruk van vermoeidheid en veroudering op, van een Europa dat nu een “grootmoeder” is, niet langer vruchtbaar en levendig. Als gevolg hiervan lijken de grote ideeën die Europa ooit inspireerden hun aantrekkingskracht te hebben verloren, om vervangen te worden door bureaucratische formaliteiten van haar instellingen.

Daarnaast zien we bepaalde egoïstische manieren van leven, gekenmerkt door een weelde die niet langer vol te houden is en vaak onverschillig is naar de wereld om ons heen, en met name naar de allerarmsten. Tot ons verdriet zien we technische en economische vragen het politieke debat overheersen, ten nadele van werkelijke zorg voor mensen [5]. Mannen en vrouwen lopen het risico teruggebracht te worden naar raderen in een machine dat hen behandelt als consumptiemiddelen die geëxploiteerd moeten worden, met het gevolg dat – zoals zo tragisch duidelijk wordt – waar een mensenleven niet langer nuttig is voor die machine, het zonder veel moeite wordt afgedankt, zoals in het geval van de ongeneselijk zieken, de ouderen die worden verlaten en waarvoor niet wordt gezorgd, en kinderen die in de baarmoeder worden gedood.

Dit is de grote fout als “de technologie de overhand krijgt” [6]; het resultaat is de verwisseling van doel en middelen [7]. Het is het onvermijdelijke gevolg van een “wegwerpcultuur” en een onbeheerste consumentenmaatschappij. Het handhaven van de waardigheid van de persoon betekent in plaats daarvan het erkennen van de waarde van een mensenleven, dat ons in vrijheid is gegeven en daarom niet tot een handelsobject of commercieel artikel gemaakt kan worden. Als leden van dit Parlement bent u geroepen tot een grote missie die soms onmogelijk lijkt: te voorzien in de behoeften van individuen en volkeren. Zorgen voor mensen in nood vraagt kracht en tederheid, werk en vrijgevigheid temidden van een functionalistische en geprivatiseerde houding die onvermijdelijk tot een “wegwerpcultuur” leidt. Zorg dragen voor individuen en volkeren in nood betekent het beschermen van herinnering en hoop; het betekent verantwoordelijkheid nemen voor het heden met haar omstandigheden van uiterste marginalisatie en angst, en in staat zijn om daar waardigheid aan te schenken [8].

Hoe kan dan de hoop voor de toekomst herstelt worden zodat, te beginnen met de jongere generatie, er een herontdekking kan plaatsvinden van dat zelfvertrouwen dat nodig is om het grote ideaal van een verenigd en vredig Europa, een Europa dat creatief en vindingrijk is, met respect voor rechten en zich bewust van haar plichten, na te streven?

Om deze vraag te beantwoorden wil ik een beeld gebruiken. Eén van de meest bewonderde fresco’s van Rafaël is te vinden in het Vaticaan en laat de zogeheten “School van Athene” zien. Plato en Aristoteles staan in het midden. De vinger van Plato wijst omhoog, naar de wereld van de ideeën, naar de lucht, naar de hemel zouden we kunnen zeggen. Aristoteles houdt zijn hand naar voren, naar de kijker, naar de wereld, de tastbare werkelijkheid. Dit komt op mij over als een heel passend beeld van Europa en haar geschiedenis, bestaande uit de constante wisselwerking tussen hemel en aarde, waarin de lucht  openheid naar het allesoverstijgende – naar God – aangeeft dat altijd de volkeren van Europa heeft onderscheiden, terwijl de aarde het praktische en concrete vermogen van Europa verbeeld om omstandigheden en problemen aan te pakken.

De toekomst van Europa hangt af van het herwinnen van de essentiële verbinding tussen deze twee elementen. Een Europa dat niet langer openstaat voor de allesoverstijgende dimensie van het leven is een Europa dat het risico loopt haar eigen ziel en die “humanistische geest” die zij nog steeds liefheeft en verdedigt langzaam te verliezen.

Als beginpunt neem ik deze openheid naar het allesoverstijgende, en ik zou de centrale plaats van de menselijke persoon willen herbevestigen, die anders aan de genade van de grillen en machten van het moment is overgeleverd. Ik beschouw niet alleen het erfgoed dat het christendom in het verleden aan de maatschappelijke en culturele vorming van het continent heeft nagelaten als fundamenteel, maar vooral de bijdrage die zij vandaag de dag, en in de toekomst, verlangt te leveren aan de groei van Europa. Deze bijdrage is geen bedreiging voor het seculiere karakter van staten of voor de onafhankelijkheid van de instellingen van de Europese Unie, maar veeleer een verrijking. Dit is duidelijk zichtbaar in de idealen die Europa vanaf het begin hebben gevormd, zoals vrede, subsidiariteit en wederzijdse solidariteit, en een humanisme dat gebaseerd is op het respect voor de waardigheid van de menselijke persoon.

Daarom wil ik opnieuw de bereidheid herhalen van de Heilige Stoel en de Katholieke Kerk, door middel van de Commissie van de Bisschoppenconferenties van Europa (COMECE), om een betekenisvolle, open en transparante dialoog aan te gaan met de instellingen van de Europese Unie. Ook ben er van overtuigd dat een Europa dat in staat is om haar religieuze wortels te waarderen en de vruchtbaarheid en het potentieel daarvan kan bevatten, des te immuner zal zijn voor de vele vormen van extremisme die zich tegenwoordig door de wereld verspreiden, niet in de laatste plaats als gevolg van het grote gebrek aan idealen die we nu in het westen zien, want “het is nou juist de godvergetenheid en niet zijn verheerlijking, die geweld oproept” [9].

Ik kan hier niet nalaten om de vele voorbeelden van onrecht en vervolging te noemen die religieuze minderheden, en in het bijzonder christenen, dagelijks treffen in verschillende delen van de wereld. Gemeenschappen en individuen zijn vandaag slachtoffer van barbaarse gewelddaden: zij worden uit hun huizen en thuisland verdreven, verkocht als slaven, gedood, onthoofd, gekruisigd of levend verbrand, met de schandelijke en medeplichtige stilte van zo velen.

Het motto van de Europese Unie is Eenheid in Verscheidenheid. Eenheid, echter, betekent niet eenvormigheid in politiek, economisch en cultureel leven of manieren van denken. Alle ware eenheid komt voort uit de rijke verscheidenheid waaruit zij bestaat: op die manier is het als een gezin, dat des te meer één is als elk van haar leden vrij is om volledig zichzelf te zijn. Ik beschouw Europa als een familie van volkeren die de nabijheid van de instellingen van de Unie zullen ervaren wanneer die laatste in staat zijn om wijselijk het verlangde ideaal van eenheid te verenigen met de verscheidenheid van elk volk, specifieke tradities te koesteren, haar verleden en wortels te erkennen, bevrijd van zovele manipulaties en angsten. Het bevestigen van de centrale plaats van de menselijke persoon houdt met name in dat allen in vrijheid hun individualiteit en hun creativiteit kunnen uitdrukken, zowel als individuen en als volkeren.

Tegelijkertijd vertegenwoordigen de specifieke kenmerken van ieder een ware rijkdom, in zoverre zij ten dienst staan van allen. De juist vorm van de Europese Unie moet altijd worden gerespecteerd, zoals het is gebaseerd op de principes van solidariteit en subsidiariteit, zodat wederzijdse hulp kan overwinnen en voortgang gemaakt kan worden op basis van wederzijds vertrouwen.

Dames en heren, leden van het Europees Parlement, binnen deze dynamiek van eenheid en bijzonderheid is het uw verantwoordelijkheid om de democratie levend te houden voor de volkeren van Europa. Het is geen geheim dat een beeld van eenheid als uniformiteit een aanslag is op de levensvatbaarheid van het democratisch systeem, dat de rijke, vruchtbare en constructieve wisselwerking tussen organisaties en politieke partijen verzwakt. Dit leidt tot het risico van een wereld van idealen, van enkel woorden, van beelden, van drogredenen… en dat mondt uit op het verwarren van werkelijke democratie met een nieuw politiek nominalisme. Het in leven houden van de democratie in Europa vereist het ontwijken van vele globaliserende trends die de werkelijkheid verdunnen: namelijk engelachtige vormen van puurheid, de dictatuur van het relativisme, vormen van onhistorisch fundamentalisme, ethische systemen waarin vriendelijkheid ontbreekt, en intellectuele redevoeringen zonder wijsheid [10].

Het levend houden van democratieën is een uitdaging op dit moment in de geschiedenis. De ware kracht van onze democratieën – gezien als uitdrukkingen van de politieke wil van het volk – mag niet bezwijken onder de druk van multinationale belangen die niet universeel zijn, die democratieën verzwakken en veranderen in uniforme systemen van economische macht ten dienste van onzichtbare imperia. Dit is één van de uitdagingen die de geschiedenis u vandaag biedt.

Europa hoop geven betekent meet dan simpelweg de centrale plaats van de menselijke persoon erkennen; het houdt ook het koesteren van de gaven van elke man en vrouw in. Het betekent investeren in individuen en in die omstandigheden waarin hun talenten vorm krijgen en opbloeien. Het eerste gebied is met zekerheid dat van de opvoeding, te beginnen in het gezin, de basiscel en het meest kostbare element van elke maatschappij. Het gezin, één, vruchtbaar en onverbrekelijk, bevat de elementen die van fundamenteel belang zijn voor het bevorderen van hoop in de toekomst. Zonder deze vaste basis is de toekomst gebouwd op zand, met ernstige maatschappelijke gevolgen. Het benadrukken van het belang van het gezin helpt dan ook niet alleen om richting en hoop aan komende generaties te geven, maar ook aan velen van onze ouderen, die vaak gedwongen zijn alleen te leven en feitelijk verlaten zijn omdat de warmte van een gezinshaard die hen kan bijstaan en ondersteunen niet langer bestaat.

Naast het gezin bestaan er verschillende onderwijsinstellingen: scholen en universiteiten. Onderwijs mag niet beperkt worden tot het bieden van technische kennis alleen. Het moet het meer complexe proces van het helpen groeien van de menselijke persoon in zijn of haar totaliteit bevorderen. Jonge mensen vragen vandaag om passend en volledig onderwijs dat hen kan helpen om met hoop in plaats van ontgoocheling naar de toekomst te kijken. In Europa bestaan er zoveel creatieve mogelijkheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek, waarvan sommige nog niet volledig zijn onderzocht. We hoeven bijvoorbeeld slechts te denken aan alternatieve energiebronnen waarvan de ontwikkeling zal bijdragen aan de bescherming van het milieu.

Europa heeft altijd vooraan gestaan bij het bevorderen van de ecologie. Onze aarde heeft constante zorg en aandacht nodig. Ieder van ons heeft een persoonlijke verantwoordelijkheid om voor de schepping te zorgen, dit kostbare geschenk dat God aan ons heeft toevertrouwd. Dit betekent aan de ene kant dat de natuur ons ter beschikking staat, om van te genieten en juist te gebruiken. Maar het betekent ook dat we er niet de baas over zijn. Beheerders, maar niet de baas. We moeten de natuur liefhebben en respecteren, maar “wij zijn integendeel dikwijls geleid door de hoogmoed van het domineren, bezitten, manipuleren, uitbuiten; wij “behoeden” haar niet, wij “respecteren” haar niet, wij beschouwen haar niet als een gave ons belangeloos gegeven waarvoor men zorg dient te dragen”[11]. Respect voor het milieu betekent echter meer dan het niet vernietigen; het betekent ook dat het voor goede doeleinden gebruikt wordt. Ik denk vooral aan de agrarische sector, die levensonderhoud en voeding schenkt aan onze menselijke familie. Het is ontoelaatbaar dat miljoenen mensen over de hele wereld van de honger sterven terwijl er elke dag tonnen voedsel van onze tafels worden weggegooid. Respect voor de natuur betekent ook inzien dat de mens zelf er een fundamenteel onderdeel van is. Naast natuurlijke ecologie is er ook behoefte aan die menselijke ecologie die bestaat uit respect voor de persoon, wat ik heb willen benadrukken in mijn toespraak voor u vandaag.

Het tweede gebied waarin de talenten van mensen opbloeien is de arbeid. De tijd is rijp voor beleid dat banen schept, maar er is vooral behoefte aan een herstel van de waardigheid van het werk door goede arbeidsomstandigheden te creëren. Dit houdt aan de ene kant het vinden van nieuwe manieren om de flexibiliteit van de markt te koppelen aan de behoefte aan stabiliteit en zekerheid van de kant van de arbeiders in; deze zijn onmisbaar voor hun menselijke ontwikkeling. Het houdt ook het versterken van passende sociale contexten in, die niet op de uitbuiting van personen zijn gericht, maar op het verzekeren, juist door middel van arbeid, van hun vermogen om een gezin te stichten en hun kinderen op te voeden.

Op vergelijkbare manier moet er een gezamenlijk antwoord komen op de migratiekwestie. We kunnen niet toestaan dat de Middellandse Zee een enorm kerkhof wordt! De boten die dagelijks aankomen op de kusten van Europa zijn gevuld met mannen en vrouwen die acceptatie en hulp nodig hebben. Het ontbreken van wederzijdse hulp binnen de Europese Unie houdt het risico in particularistische oplossingen van het probleem aan te moedigen, oplossingen die de menselijke waardigheid van de immigranten negeren, en zo bijdragen aan slavenarbeid en blijvende sociale spanningen. Europa kan de problemen rondom immigratie alleen aan als ze in staat is om duidelijk haar eigen culturele identiteit te laten gelden en toereikende wetgeving uit te voeren om de rechten van Europese burgers te beschermen en de acceptatie van immigranten te verzekeren. Alleen wanneer zij eerlijk, moedig en realistisch beleid kan aannemen, die de landen van oorsprong kan helpen in eigen sociale en politieke ontwikkeling en in hun pogingen interne conflicten – de belangrijkste bron van dit fenomeen – op te lossen, in plaats van het aannemen van beleid dat gedreven wordt door zelfbelang dat zulke conflicten versterkt en voedt. We moeten actie ondernemen tegen de oorzaken, niet alleen de gevolgen.

Meneer de President, Excellenties, dames en heren, bewustzijn van de eigen identiteit is ook noodzakelijk om een positieve dialoog aan te gaan met de staten die hebben gevraagd om lidmaatschap van de Unie in de toekomst. Ik denk in het bijzonder aan die op de Balkan, waarvoor lidmaatschap van de Europese Unie een antwoord kan zijn op het verlangen naar vrede in een regio die zeer geleden heeft onder conflicten. Bewustzijn van de eigen identiteit is ook onmisbaar voor relaties met omringende landen, in het bijzonder die landen die grenzen aan de Middellandse Zee, waarvan vele lijden onder interne conflicten, de druk van religieus fundamentalisme en de realiteit van wereldwijd terrorisme.

Bij u, als wetgevers, ligt de taak om de identiteit van Europa te beschermen en voeden, zodat haar burgers hernieuwd vertrouwen kunnen krijgen in de instellingen van de Unie en haar onderliggende project van vrede en vriendschap. In het besef dat “hoe meer […] de macht van de mensen zich uitbreidt, des te meer neemt ook hun verantwoordelijkheid toe, zowel individueel als collectief”, [12] moedig ik u aan om Europa het beste in zichzelf te doen herontdekken.

Een anonieme tweede-eeuwse schrijver schreef dat “christenen voor de wereld moeten zijn wat de ziel voor het lichaam is” [13]. De rol van de ziel is de ondersteuning van het lichaam, het is het bewustzijn en de herinnering. Een geschiedenis van tweeduizend jaar verbindt Europa en het christendom. Een geschiedenis die niet vrij is van conflicten en fouten, maar één die steeds gedreven is door het verlangen om te werken voor het welzijn van allen. Dit zien we in de schoonheid van onze steden, en meer nog in de schoonheid van de vele werken van naastenliefde en constructieve samenwerking overal in dit werelddeel. Deze geschiedenis moet voor het grootste deel nog geschreven worden. Het is ons heden en onze toekomst. Het is onze identiteit. Europa moet dringend haar ware gezicht hervinden om te kunnen groeien, zoals haar stichters wilden, in vrede en harmonie, want zij is nog niet vrij van conflicten.

Beste leden van het Europese Parlement, de tijd is gekomen om samen te werken aan het opbouwen van een Europa dat niet om economie draait, maar om de heiligheid van de menselijke persoon, om onvervreemdbare waarden. Aan het opbouwen van een Europa dat moedig haar verleden accepteert en met vertrouwen naar haar toekomst kijkt om de hoop van haar nu volledig te ervaren. De tijd is gekomen dat wij het idee van een Europa dat angstig en in zichzelf gekeerd is achter ons laten, om een Europa van leiderschap te doen herleven en bevorderen, een bewaarplaats van wetenschap, kunst, muziek, menselijke waarden en ook geloof. Een Europa dat zich op de hemel bezint en hoge idealen nastreeft. Een Europa dat voor de mens, elke man en vrouw, zorgt en hen verdedigt en beschermt. Een Europa dat zeker en veilig in de wereld staat, een kostbaar referentiepunt voor heel de mensheid!

Dank u!

[1] JOHANNES PAULUS II, Toespraak tot het Europees Parlement (11 oktober 1988), 5

[2] JOHANNES PAULUS II, Toespraak tot de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (8 oktober 1988), 3.

[3] Vg. BENEDICTUS XVI, Caritas in Veritate, 7; TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Pastorale Constitutie over de Kerk in de Moderne Wereld Gaudium et Spes, 26.

[4] Vg. Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, 37.

[5] Vg. Evangelii Gaudium, 55.

[6] BENEDICTUS XVI, Caritas in Veritate, 71.

[7] Idem.

[8] Vg. Evangelii Gaudium, 209.

[9] BENEDICTUS XVI, Toespraak tot de Leden van het Corps Diplomatique, 7 januari 2013

[10] Evangelii Gaudium, 231

[11] FRANCISCUS, Algemene Audiëntie, 5 juni 2013.

[12] Vg. TWEEDE VATICAANS CONCILIE, Gaudium et Spes, 34.

[13] Vg. Brief aan Diognetus, 6.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s