Universae Ecclesiae

PAUSELIJKE COMMISSIE ECCLESIA DEI

INSTRUCTIE
over de toepassing van de Apostolische Brief Summorum Pontificum
gegeven Motu Proprio door ZIJNE HEILIGHEID PAUS BENEDICTUS XVI

I.
Introductie

1. de Apostolische Brief Summorum Pontificum van de Soevereine Pontifex Benedictux VI, gegeven Motu Proprio op 7 juli 2007, die rechtsgeldig werd op 14 september 2007, heeft de rijkdom van de Romeinse Liturgie toegankelijker gemaakt voor de Universele Kerk.

2. Met dit Motu Proprio heeft de Heilige Vader Paus Benedictus XVI een universele wet voor de Kerk uit doen gaan, bedoeld om nieuwe regels vast te stellen voor het gebruik van de Romeinse Liturgie van 1962.

3. De Heilige Vader, de zorg van de Soevereine Pontifices voor het zorgdragen voor de Heilige Liturgie, en hun erkenning van de liturgische boeken, gedenkend, bevestigd het traditionele principe, erkend sinds vele eeuwen en noodzakelijk te onderhouden in de toekomst, dat “elke particuliere Kerk met de universele Kerk moet overeenstemmen niet enkel wat betreft de geloofsleer en de sacramentele tekenen, maar ook wat betreft de universeel van de apostelen en van de ononderbroken overlevering ontvangen gebruiken, die bewaard dienen te worden niet enkel om fouten te vermijden, maar ook om de integriteit van het geloof verder te geven want de wet van het bidden (Lex orandi) van de Kerk beantwoordt aan haar wet van het geloven (Lex credendi)” [Summorum Pontificum, 1].

4. De Heilige Vader gedenkt ook die Romeinse Pontifices die bijzonder opmerkelijk waren in deze taak, in het bijzonder Sint Gregorius de Grote en Sint Pius V. De Heilige Vader benadrukt ook dat, onder de heilige liturgische boeken, het Missale Romanum een specifiek primaatschap in de geschiedenis geniet, en werd bijgewerkt gedurende de eeuwen tot de tijd van de Zalige Johannes XIII. Vervolgens keurde Paus Paulus VI, na de liturgische hervormingen na het Tweede Vaticaans Concilie, een nieuw Missaal goed voor de Kerk van de Latijnse ritus, die vervolgens in verschillende talen werd vertaald. In het jaar 2000 prmulgeerde Paus Johannes Paulus II de derde editie van dit Missaal.

5. Vele gelovigen, gevormd in de geest van de liturgische vormen van voor het Tweede Vaticaans Concilie, drukten een levendig verlangen uit om de oude traditie te onderhouden. Om die reden vergunde Paus Johannes II, met het speciale indult Quatuor abhinc annos, in 1984 uitgegeven door de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, de mogelijkheid om onder bepaalde omstandigheden het gebruik van het Missaal van Zalige Johannes III te herstellen. Vervolgens, met het Motu Proprio Ecclesia Dei van 1988, riep Paus Johannes Paulus II de bisschoppen op om vrijgevig te zijn in het toestaan van zo’n mogelijkheid voor alle gelovigen die erom vroegen. Paus Benedictus zet dit beleid voort met het Motu Proprio Summorum Pontificum aangaande bepaalse essentiële criteria voor de Usus Antiquior van de Romeinse Ritus, die hier worden herhaald.

6. Het Romeins Missaal uitgegeven door Paus Paulus VI en de laatste editie voorbereid onder Paus Johannes XIII zijn twee vormen van de Romeinse Liturgie, respectievelijk onderscheiden als ordinaria en extraordinaria: het zijn twee vormen van de ene Romeinse Ritus, de ene naast de andere. Het zijn beide uitdrukkingen van dezelfde lex orandi van de Kerk. Vanwege haar eerbiedwaardige en aloude gebruik moet de forma extraordinaria onderhouden met gepaste eer.

7. Het Motu Proprio Summorum Pontificum werd samen met een brief van de Heilige Vader aan de bisschoppen, met dezelfde datum (7 juli 2007) uitgegeven. Deze brief gaf verdere uitleg aangaande de gepastheid en de noodzaak van het Motu Proprio; het was een kwestie van het vullen van een leegte door nieuwe normen voor het gebruik van de Romeinse Liturgie van 1962 te bieden. Zulke normen waren in het bijzonder nodig vanwege het feit dat, toen het nieuwe Missaal was ingevoerd onder Paus Paulus VI, het niet nodig leek te zijn om regels te geven voor het gebruik van de Liturgie van 1962. Vanwege de toename van die vroegen om de mogelijkheid de forma extraordinaria te gebruiken, is het nodig geworden berpaalde normen op dit gebied te bieden.

Onder de uitspraken van de Heilige Vader was de volgende: “Er bestaat geen tegenspraak tussen de twee edities van het Romeins Missaal. In de geschiedenis van de liturgie vinden we groeie en vooruitgang, maar geen breuk. Wat heilig was voor eerdere generaties, blijft ook heilig en goed voor ons, en kan niet opeens geheel verboden of zielfs schadelijk geacht worden” [BENEDICTUS XVI, Epistola ad Episcopos ad producendas Litteras Apostolicas motu proprio datas, de Usu Liturgiae Romanae Instaurationi anni 1970 praecedentis].

8. Het Motu Proprio Summorum Pontificum is een belangrijke uitspraak van het Magisterium van de Romeinse Pontifex en van zijn munus de Heilige Liturgie van de Kerk te reguleren en ordenen [vg. Kerkelijk Wetboek, canon 838 §1 en §2]. Het Motu Proprio laat zijn zorg als Plaatsbekleder van Christus en Opperste Herder van de Universele Kerk zien [vg. Kerkelijk Wetboek, Canon 331], en heeft als doel:

a.) het aanbieden aan alle gelovigen van de Romeine Liturgie in de Usus Antiquior, beschouwd als een kostbare schat die bewaard moet blijven;

b.) het effectief garanderen en verzekeren van het gebruik van de forma extraordinaria voor allen die erom vragen, gegeven dat het gebruik van de Romeinse Liturgie van 1962 een vrijgevig gegunde mogelijkheid is voor het welzijn van de gelovigen en daarom moet worden geïnterpreteerd om een wijze die gunstig is voor de gelovigen die de eerst aangesprokenen ervan zijn;

c.) het bevorderen van verzoening in het hart va de Kerk.

II.
De Verantwoordelijkheden
van de Pauselijke Commissie Ecclesia Dei

9. De Soevereine Pontifex heeft de Pauselijke Commissie Ecclesia Dei gewone plaatsvervangende machten gegeven voor de zaken die onder haar competentie vallen, in het bijzonder voor het bijhouden van het naleven en toepassen van de bepalingen van het Motu Proprio Summorum Pontificum (vg. art. 12).

10. § 1. De Pauselijke Commissie oefent deze macht uit in aanvulling op de machten eerder geschonken door Paus Johannes Paulus II en bevestigd door Paus Benedicts VI (vg. Motu Proprio Summorum Pontificum, art. 11-12), mede door middel van de macht om maatregelen te bepalen, als hierarchisch superieur, tegen elke mogelijke eenmalige administratieve voorziening van een ordinarius die in tegenspraak lijkt met het Motu Proprio.

§ 2. De decreten waarmee de Pauselijke Commissie maatregelen aankondigt kunnen ad normam iuris worden aangevochten voor het Hoofdtribunaal van de Apostolische Signatura.

11. Na de goedkeuring te hebben ontvangen van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Sacramenten, zal de pauselijke Commissie Ecclesia Dei de taak hebben om zorg te dragen voor toekomstige edities van liturgische teksten voor de forma extraordinaria van de Romeinse Ritus.

III.
Specifieke normen

12. Volgend op het bevragen van de bisschoppen van de wereld, en met het verlangen de juiste interpretatie en toepassing van het Motu Proprio Summorum Pontificum te garanderen, kondigt deze Pauselijke Commissie, vanwege haar autoriteit en de mogelijkheden die zij geniet, deze Instructie af volgens canon 34 van het Kerkelijk Wetboek.

De Competentie van Diocesane Bisschoppen

13. Diocesane bisschoppen moeten, volgens het Kerkelijk Wetboek, liturgische zaken overzien om het algemeen welzijn te verzekeren en te verzekeren dat alles in vrede in rust verloopt in hun bisdommen [vg. BENEDICTUS XVI, Epistola ad Episcopos ad producendas Litteras Apostolicas motu proprio datas, de Usu Liturgiae Romanae Instaurationi anni 1970 praecedentis], steeds in overeenstemming met de mens van de Heilige Vader die duidelijk is uitgedrukt in het Motu Proprio Summorum Pontificum [Kerkelijk Wetboek, canon 900 §2]. In het geval van meningsverschillen of gefundeerde twijfel over het vieren in de forma extraordinaria zal de Pauselijke Commissie Ecclesia Dei uitspraak doen.

14. Het is de taak van de diocesane bisschop om alle nodige maatregelen te treffen om respect voor de forma extraordinaria van de Romeinse Ritus te verzekeren, volgens de Motu Proprio Summorum Pontificum.

De coetus fidelium (vg. Motu Proprio Summorum Pontificum, art 5 § 1)

15. Een coetus fidelium (‘groep gelovigen’) kan gezegd worden stabiliter existens (‘op stabiele wijze bestaand’) te zijn, volgens de betekenis van art. 5 § 1 van het Motu Proprio Summorum Pontificum, als het bestaat uit een aantal mensen van een parochie die, zelfs na de publicatie van het Motu Proprio, samenkomen vanwege hun liefe voor de Liturgie in de Usus Antiquior, en die vragen dat het in hun parochiekerk, oratorium of kapel gevierd zou kunnen worden; Zo’n coetus (‘groep’) kan ook bestaan uit personen van verschillende parochies of bisdommen, die samenkomen in een specifieke parochiekerk of in een oratorium of kapel voor dit doel.

16. In het geval va een priester die regelmatig een parochiekerk of oratorium bezoekt met een aantal gelovigen, en in de forma extraordinaria wil vieren, zoals voorzien door artikelen 2 en 4 van de Motu Proprio Summorum Pontificum, moet de pastoor of rector van de kerk, of de verantwoorelijke priester, zo’n viering toestaan, met inachtneming van het rooster van liturgische vieringen in diezelfde kerk.

17. § 1. In het beoordelen van individuele zaken moet de pastoor of rector, of de verantwoordelijke priester van een kerk, geleid worden door zijn eigen omzichtigheid, gemotiveerd door pastorale zorg en een geest van vrijgevigheid en welkom.

§ 2. In het geval van groepen die vrij klein zijn, zij mogen de ordinarius van een plaats benaderen om ee kerk aan te wijzen waar zij samen kunnen komen voor zulke vieringen, om zo gemakkelijker deelname en een waardiger viering van de Heilige Mis te garanderen.

18. De mogelijkheid om in de forma extraordinaria te vieren moet zelfs in bedevaartplaatsen geboden worden aan pelgrims die erom vragen (vg. Motu Proprio Summorum Pontificum art. 5 § 3), als er een gekwalificeerde priester is.

19. De gelovige die vragen om een viering in de forma extraordinaria mogen op geen enkele wijze tot groepen behoren of ondersteunen die hebben laten zien dat zij tegen de geldigheid of rechtmatigheid van de Heilige Mis of de sacramenten in de forma ordinaria zijn, of tegen de Romeinse Pontifex als Opperste Herder van de Universele Kerk.

Sacerdos idoneus (´Kundige priester´) (cf. Motu Proprio Summorum Pontificum, art 5 § 4)

20. Aangaande de kwestie van de noodzakelijke vereisten van een priester om als idoneus (‘kundig’) om in de forma extraordinaria te vieren beschouwd te worden, wordt het volgende hierbij bepaald:

a.) Iedere katholieke priester die niet gehinderd is door het Kerkrecht [Kerkelijk Wetboek, canon 9 § 2] dient als idoneus (‘kundig’) voor het vieren van de Mis in de forma extraordinaria beschouwd te worden.

b.) Aangaande het gebruik van de Latijnse taal is een basiskennis noodzakelijk die de priester de woorden juist laat uitspreken en hun betekenis doet begrijpen.

c.) Aangaande kennis van het uitvoeren van de Ritus, wordt aangenomen dat iedere priester die zichzelf spontaan aanbied om de forma extraordinaria te vieren kundig is en het eerder heeft gevierd.

21. Ordinariii worden verzocht om hun geestelijken de mogelijkheid te bieden de juiste voorbereiding te verkrijgen voor vieringen in de forma extraordinaria. Dit geldt ook voor seminaries, waar toekomstige priesters de juiste vorming dienen te ontvangen, waaronder de studie van het latijn [Kerkelijk Wetboek, canon 249; Sacrosanctum Concilium 36; Optatum Totius 13.9; BENEDICTUS XVI, Epistola ad Episcopos ad producendas Litteras Apostolicas motu proprio datas, de Usu Liturgiae Romanae Instaurationi anni 1970 praecedentis] en, waar het pastoraal nodig is, de kans om de forma extraordinaria van de Romeinse Ritus te leren.

22. In bisdommen zonder kundige priesters kunnen bisschoppen assistentie vragen van priesters van de Instituten opgericht door de Pauselijke Commissie Ecclesia Dei, hetzij om de forma extraordinaria te vieren, hetzij om anderen te leren het te vieren.

23. De mogelijkheid om in de forma extraordinaria van de Romeine Ritus sine populo (of met medewerking van slechts één celebrant) wordt door het Motyu Proprio gegeven aan alle priesters, het regulier, hetzij religieus (vg. Motu Proprio Summorum Pontificum, art. 2). Daarom hebben priesters geen speciale toestemming van hun bisschoppen of superieuren nodig voor zulke vieringen, door het Motu Proprio Summorum Pontificum.

Liturgische en kerkelijke discipline

24. De liturgische boeken van de forma extraordinaria dienen te worden gebruikt zoals ze zijn. Allen die willen vieren volgens de forma extraordinaria van de Romeinse Ritus moeten de juiste rubrieken kennen en zijn verplicht ze te volgen.

25. Nieuwe heiligen en een aantal nieuwe prefaties kunnen en moeten worden ingevoegd in het Missaal van 1962, onder de voorwaarden die hierna zullen worden genoemd.

26. Zoals voorzien in artikel 6 van het Motu Proprio Summorum Pontificum kunnen de lezingen van de Heilige Mis volgens het Missaal van 1962 alleen in het Latijn worden gedeclameerd, of in het Latijn gevolgd door de volkstaal of, in gewone Missen, alleen in de volkstaal.

27. Aangaande de disciplinaire normen verbonden aan het vieren, geldt de kerkelijke discipline vervat in het Kerkelijk Wetboek van 1983.

28. Verder, vanwege haar karakter van speciale wet, op haar eigen gebied, wijkt de Motu Proprio Summorum Pontificum af van die wetsvoorwaarden, verbonden met de heilige Riten, gepromulgeerd vanaf 1962, die niet te combinren zijn met de rubrieken van de liturgische boeken van 1962.

Het Vormsel en de Wijdingen

29. Toestemming om de oudere formulering van de ritus van het Vormsel te gebruiken was bevestigd door het Motu Proprio Summorum Pontifcum (vg. art. 9 § 2). Daarom is het, in de forma extraordinaria, niet nodig de nieuwere formulering van Paus Paulus VI, zoals te vinden in de Ordo Confirmationis, te gebruiken.

30. Aangaande de tonsuur, lagere wijdingen en het subdiaconaat, introduceerd het Motu Proprio Summorum Pontificum geen enkele verandering in de disciplines van het Kerkelijk Wetboek van 1983; als gevolg wordt, in de Instituten van Gewijd Leven en Gemeenschappen van Aostolisch Leven die onder de Pauselijke Commissie Ecclesia Dei vallen, iemand die plectige geloften heeft afgelegd of definitief is opgenomen in een geestelijk instituut van apostolisch leven, geïncardineerd in het instituut of de gemeenschap vanaf de wijding tot het diaconaat, overeenkomstig canoon 266 a§ 2 van het Kerkelijk Wetboek.

31. Alleen in Instituten van Gewijd Leven en Gemeenschappen van Aostolisch Leven die onder de Pauselijke Commissie Ecclesia Dei vallen, en waar de liturgische boeken van de forma extraordinaria worden gebruikt, is het gebruik van het Pontificale Romanum van 1962 toegestaan voor het toedienen van lagere en hogere wijdingen.

Breviarium Romanum

32. Art. 9 § 3van het Motu Proprio Summorum Pontificum maakt het geestelijken mogelijk het Breviarium Romanum van 1962 te gebruiken, in het geheel en in het Latijn te bidden.

Het Heilig Triduum

33. Als er een kundige priester aanwezig is kan een coetus fidelium (‘groep gelovigen’) die de oudere liturgische traditie volgt ook het Heilig Triduum vieren in de forma extraordinaria. Als er geen kerk of oratorium exclusief is toegewezen voor zulke vieren moet de parochiepreister of ordinarius, in overeenstemming met de kundige priester, en regeling treffen die tegemoet komt aan het welzijn van de zielen, waaronder de mogelijkheid de viering van het Heilig Triduum in dezelfde Kerk te herhalen.

De Riten van Religieuze Ordes

34. Het gebruik van de liturgische boeken die horen bij de Religieuze Ordes en in 1962 in gebruik waren, is toegestaan.

Pontificale Romanum en het Rituale Romanum

35. Het gebruik van het Pontificale Romanum, het Rituale Romanum, evenals het Caeremoniale Episcoporum van 1962 is toegestaan, overeenkomstig n. 28 van deze Instructie, en steeds met inachtnemening van n. 31 van dezelfde Instructie.

De Heilige Vader Paus Benedictus XVI, in een audentië gegeven aan ondergetekende Kardinaal-President van de Pauselijke Commissie Ecclesia Dei op 8 april 2011, heeft deze huidige Instructie goedgekeurd en

Gegeven te Rome, ten kantore van de Pauselijke Commissie Ecclesia Dei, 30 April 2011, op de gedachtenis van Paus Sint Pius V.

William Kardinaal LEVADA
President

Mgr. Guido Pozzo
Secretaris

2 thoughts on “Universae Ecclesiae”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s