Wat komt eerst, het geweten of de paus?

Veel mensen zijn van mening dat er niet veel meer in het leven is dan denken wat ze willen en doen waar ze zin hebben. Ze spreken van ‘mijn waarheid’ en ‘mijn geweten’, en weigeren een objectieve morele orde te erkennen. Helaas komt dit culturele relativisme ook veel voor onder katholieken, die vaak willen handelen volgens hun eigen subjectieve overtuigingen in plaats van de objectieve leer van de Katholieke Kerk.

Katholieken die het oneens zijn met de leer van de Kerk proberen vaak een basis voor hun argumenten te vinden in de leer van de Zalige John Henry Newman, die op 19 september vorig jaar door Benedictus XVI zalig werd verklaard, en wiens feestdag op 9 oktober valt. Deze grote leraar op het gebied van het morele geweten schreef onder andere over de ontwikkeling van de christelijke leer, de instemming van de gelovigen met doctrinaire kwesties en de opperste rol van het moreel geweten.

Zij die objectieve waarheden of de bevoegdheid van de Kerk om gehoorzaamheid aan deze waarheden te eisen in twijfel trekken, begrijpen de context en inhoud van deze leer vaak verkeerd. In het bijzonder wordt Kardinaal Newman’s begrip over de “vrijheid om mijn geweten te volgen” aangegrepen om onenigheid met de leer van de Kerk over gehoorzaamheid aan de paus, kunstmatige geboortebeperking, de kwestie van “scheiding en hertrouwen”, de wijding van vrouwen en het practiseren van homoseksualiteit te onderbouwen.

Wat is geweten?

Geweten is een natuurlijk vermogen waarmee de mens toepast wat hij weet van de natuurwet en de openbaring op beslissingen aangaande zijn gekozen manier van handelen. In de Brief aan de Hertog van Norfolk legde Kardinaal Newman uit dat we, naast de openbaring – een uitwendig getuigen van God dat tot ons komt door de leer van de paus en het magisterium – het geweten hebben, een inwendig getuigen dat de mens aanzet om zijn plicht te voldoen. Hij beschreef het geweten als een boodschapper van God, een inwendig getuigen van Gods openbaring die, zoals een hogepriester, kan bevelen, beoordelen en zegenen.

Het volgende is Kardinaal Newman’s beschrijving van het geweten: “De regel en maatstaf van plicht is niet nut, noch doelmatigheid, noch het geluk van het grootste aantal, noch het gemak van de staat, noch geschiktheid, orde en schoonheid. Geweten is geen vooruitziende zelfzuchtigheid, noch een verlangen om consequent met zichzelf te zijn, maar het is een boodschap van Hij die, zowel in de natuur als in de genade, tot ons spreekt vanachter een sluier, en ons onderwijst en regeert door zijn vertegenwoordigers.”

Het geweten is hiet ‘ik ‘ dat spreekt: het is de stem van God. Kardinaal Newman left uit dat het geweten als een boodschapper van God is die tot ons spreekt vanachter een sluier. Hij gaat zelfs zover het de oorspronkelijke Plaatsvervanger van Christus te noemen, met de ambten van profeet, koning en priester.

“Het geweten is de oorspronkelijke Plaatsvervanger van Christus, een profeet in zijn informatie, een monarch in zijn besluitvaardigheid, een priester in zijn zegeningen en anathemas, en, ook al zou het eeuwig priesterschap in de hele Kerk op kunnen houden te bestaan, hierin blijft het principe van het priesterschap bestaan en invloed hebben,” zei Kardinaal Newman.

De priester German Geissler levert een commentaar op de woorden van Kardinaal Newman: “Het geweten is een profeet omdat het ons van tevoren meedeelt of een handeling goed of slecht is. Het is een koning omdat het ons met autoriteit vermaant: “Doe dit, vermijd dat”. Het is een priester omdat het ons zegent na een goede daad – dit houdt niet alleen het heerlijke gevoel van een goed geweten in, maar ook de zegen die goedheid in hoe dan ook aan mensen en aan de wereld geeft – en evenzeer, ons ‘veroordeelt’ na een slecht daad, als een uitdrukking van het knagen van een slecht geweten en van de negatieve gevolgen van zonde op mensen en hun omgeving. Het is een principe dat in het wezen van ieder mens geschreven staat. Het vraagt om gehoorzaamheid en verwijst naar iemand buiten zichzelf: naar God – voor ons eigen bestwil en het bestwil van anderen”.

Zo spreekt Kardinaal Newman tegen het gebruik van het geweten als een vrijbrief voor het eigen nut of plezier. Het geweten is altijd gebonden aan de waarheid. Het moet nooit gebruikt worden als een rechtvaardiging van een interpretatie van goed en kwaad die alleen naar onszelf verwijst, en de mens van God en zijn Openabring afsnijdt. Niemand kan terecht zeggen: “mijn geweten geeft me dit in” in tegenspraak met wat God op uitwendige wijze openbaart en toevertrouwd aan het oordeel van de Kerk.

Het is bijvoorbeeld verkeerd om te beweren dat “mijn geweten mij verteld dat het gebruik van kunstmatige voorbehoedsmiddelen juist is” als God ons in de Schrift opdraagt dat seksuele liefde vruchtbaar moet zijn, en als de Kerk deze doctrine met gezag onderwijst. Deze keuze onder het begrip ‘gewetensvrijheid’ te wettigen zou de uitwendige en inwendige getuigenissen van God in tegenspraak met elkaar brengen.

Het geweten besluit niet over de waarheid van de Natuurwet en Openbaring. Schrijver Jeff Mirus left uit: “Het geweten is een moreel, niet een intellectueel kompas”. Het handelt naar aanleiding van de openbaring en is er aan ondergeschikt. Maar, niet zoals Adam en Eva willen mannen en vrouwen vaak vastleggen wat goed en slecht is. De mens kan fouten maken in zijn morele oordelen, en doet dat ook, als zijn geweten de openbaring negeert.

Oordelen en autoriteit

De katholieke Traditie heeft het belang van het vormen van het eigen geweten onderwezen; mensen hebben de plicht om de waarheden van de natuurwet te leren kennen, evenals de waarheden geopenbaard door God en onderwezen door de Kerk. Zoals Paus Johannes Paulus II onderwees in “Plendor Veritatis”, zijn er objectieve morele normen die altijd van toepassing zijn. Er zijn een aantal negatieve voorschriften die van geen uitzonderingen spreken. Geen ‘geweten’ kan die rechtmatig rechtvaardigen.

Anders handelt een persoon op wat heet een “slecht gevormd”, of soms “misvormd”, geweten. Hetzelfde kan gezegd worden over het onderwijs van kinderen; zij moeten op jonge leeftijd gevormd worden in de waarheden van het geloof, en de beste bron van instructie en vorming van het geweten is de Katechismus van de Katholieke Kerk.

De leer van Kardinaal Newman over het geweten vinden we in zijn preken en andere werken, maar in het bijzonder in zijn Brief aan de Hertog van Norfolk (1875), een antwoord aan zijn vriend, William Gladstone, de premier van Engeland. Het was een briljante verdediging van katholieke burgers waarin Kardinaal Newman beweerde dat zij trouwe burgers waren van welke rechtvaardige staat dan ook. He legde uit dat de katholieke religie katholieken er niet van weerhoudt om hun plicht als trouwe burgers de voldoen, en dat de Heilige Stoel niet de gewoonte heeft om zich in hun burgerplichten te mengen.

Kardinaal Newman herhaalde de leer van de constitutie “Pastor Aeternus” van het Eerste Vaticaans Concilie, die katholieken slechts in kwestie van geloof en moraliteit, en in zaken van discipline en kerkbestuur, om gehoorzaamheid aan de paus vroeg, Kardinaal Newman legde uit dat door het gehoorzamen van de paus in zulke kwesties, het morele geweten noch word uitgesloten of vervangen door de autoriteit van de paus.

Pauselijke onfeilbaarheid

Zoals Vaticanum I vastlegde reikt de autoriteit van de paus alleen to kwesties van doctrine en moraliteit. We zijn bijvoorbeeld verplicht te geloven wat hij leert over de Eucharistie of het huwelijk. Zijn onderwijs reikt niet tot hoe we een stad van water voorzien, en, verkiezingen organiseren, enz.

Kardinaal Newman legde zijn mede-Engelsen, die uit vooroordeel de leer van de onfeilbaarheid van de paus als bedreiging voor de Engelse regering of de trots beschouweden, uit dat deze doctrine katholieken niet veranderd in marionetten: zou de paus tegen het geweten volgens haar ware betekenis spreken, dan zou een zelfvernietigende daad verrichten. Hij zou de grond onder zijn eigen voeten weghalen. Zijn hele missie is de verkondiging van de morele wet, en het “Licht dat iedere mens verlicht dat de wereld binnenkomt” te beschermen en sterken. Over de wet van het geweten en haar heiligheid zijn woel zijn theoretische autoriteit en zijn praktische macht gevestigd… Ik beschouw het pausschap hier in haar ambt en taken, en met verwijzing naar hen die haar claims erkennen.

Karidnaal Newman gaf aan dat zo vele handelingen van de paus, zoals de excommunicatie van een dwalend persoon of de zegen over de Spaanse Armada, niet de uitoefening van zijn pontificale autoriteit op onfeilbare wijze, die de gelovigen in geweten zouden binden, zijn, Kardinaal Newman schreef dat katholieken niet gebonden zijn aan het persoonlijk karakter of de privéhandelingen van de paus, maar door zijn formele onderwijs (hoewel gezegd moet worden dat het in het geval van een geëxcommuniceerd persoon om een kanonieke handeling gaat die wel degelijk bindend is, of het onfeilbaar is of niet).

Moeilijke zaken

Als een geleerde het oneens zou zijn met een doctrinale of morele leerstelling van de Kerk dan zou hij zijn oordeel moeten onderwerpen aan de leer van de Kerk, uit nederigheid en gehoorzaamheid. Ook hierover gaf Kardinaal Newman advies en een goed voorbeeld. Een theoloog, of wat dat betreft een pastoor, zou geen onrust moeten scheppen onder de gelovigen, laat staan verwarring. Zo’n persoon zou de nederigheid moeten hebben om toe te geven dat zijn mening waarschijnlijk onjuist is, vooral als het magisterium zich al over de zaak heeft uitgesproken.

Bij zijn opname in de Kerk accepteerde Kardinaal Newman al haar leerstellingen, waaronder degene die hij niet volledig begreep. Toen de verklaring van de pauselijke onfeilbaarheid zich aandiende, accepteerde Kardinaal Newman deze leer, ook al vond hij het, ondanks haar waarheid, geen geschikt moment om die te maken. De Engelse hierarchie was slechts kort daarvoor hersteld, in 1850, en er bestonden veel vooroordelen tegen katholieken in Engeland. In dat land maakten de zogenaamde Ultramontanisten, die een wereldlijke macht van de paus verkondigden, de zaken alleen maar erger. Samengevat dacht Kardinaal Newman dat dit niet de beste tijd was om zo’n verklaring uit te geven, maar hij onderwierp zich eraan.

Ontwikkelende doctrine

“Ontwikkeling van doctrine” is één van de grootse bijdragen van Kardinaal Newman aan de theologie. Hij beweerde dat, in de loop van de tijd, de katholieke leer groeide; het word beter uitgelegd en conclusies worden getrokken uit waarheden die al eerder bekend waren. Oppervlakkig bekenen lijkt ontwikkeling van doctrine in te houden dat wat ooit als waar werd beschouwd, dat nu niet meer hoefde te zijn. Het zou het idee onderbouwen dat men in goed geweten kan vasthouden aan geloof dat later als onjuist kan worden bewezen. Kardinaal Newman’s invloedrijke werk dat, in feite, leidde tot zijn bekering op 9 oktober 1845, beweert het tegenovergestelde. Kardinaal Newman geeft een aantal waarborgen aan om tot de conclusie te komen dat een ontwikkeling een echte ontwikkeling is. Eén van de belangrijkste waarborgen is juist dat het niet in tegenspraak is meer voorgaande leerstellingen, en een andere is dat de nieuwe leerstelling al geïmpliceerd werd in de vroegere. Kortgezegd ondersteund de ontwikkeling van doctrine niet de claim dat waarheden subjectief en daarom kunnen worden geaccepteerd of afgewezen door een christen gebasseerd op zijn eigen geweten.

Een heildronk

Kardinaal Newman merkte op dat het geweten van een persoon bij zeldzame gelegenheden mag botsen met de leer van de paus, om twee redenen: 1) de paus probeert te onderwijzen op een gebied dat gewoonlijk niet echt onder geloof en moraal per se valt, of 2) het geweten van de persoon in kwestie is niet juist gevormd. Kardinaal Newman legde de aloude leer van de Kerkuit, dat bij zulke gelegenheden de persoon zijn geweten moet gehoorzamen, zelfs als dat dwaalt. Maar de persoon is natuurlijk wel verplicht de waarheid over de kwestie te zoeken; en als hij de dwaling heeft ontdekt, moet hij zijn positie opnieuw evalueren.

Na een aantal voorbeelden te hebben gegeven van pauselijke verklaringen of handelingen die niet onfeilbaar zijn, gaf Kardinaal Newman een verklaring die vaak wordt geciteerd om afwijken van de leer van de Kerk te rechtvaardigen: “Zeker, als ik religie moet inbrengen in een heildronk na het diner (wat vaak niet het meest gepast lijkt te zijn), dan zal ik drinken – op de paus, als u mij toestaat – maar, eerst op het geweten, en daarna op de paus.”

Uit de context genomen werpt dit twijfel op alles wat Kardinaal Newman onderwees, maar juist bekeken, begrijpen we dat er zeer zelden een tegenstelling kan zijn tussen het geweten en de paus. Omdat een goed-gevormd geweten de stem van God is, zou Kardinaal Newman er natuurlijk de voorkeur aan geven bij een heildronk.

* * *

Father Juan R. Vélez schreef “Passion for Truth: The life of John Henry Cardinal Newman,” in het najaar gepubliceerd door TAN Books. Hij is mede-auteur van “Take Five, Meditations With John Henry Cardinal Newman.”

One thought on “Wat komt eerst, het geweten of de paus?”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s