Robert Kardinaal Sarah: “Naar een authentieke toepassing van Sacrosanctum Concilium”

This is a Dutch translation of Cardinal Robert Sarah’s address on the first day of the Sacra Liturgia conference, held in London from 5 to 8 July. This translation is based on the text as released via the Sacra Liturgia Facebook page. It is not a complete transcript of what Cardinal Sarah said. This is expected to be released sometime next week, after the cardinal has added a few points once he returns to Rome. In due time, this address, as well as the conference’s other papers, will be published in book form.


Dit is een Nederlandse vertaling van de toespraak die Kardinaal Robert Sarah heeft gegeven op de eerste dag van de Sacra Liturgia conferentie, gehouden in Londen van 5 tot 8 juli. Deze vertaling is gebasseerd op de tekst zoals die op de Facebook-pagina van Sacra Liturgia werd gepubliceerd. Het is geen volledige transcriptie van wat Kardinaal Sarah heeft gezegd. Het is de verwachting dat deze in de loop van de komende week wordt uitgegeven, zodra de kardinaal een aantal punten toe heeft kunnen voegen na zijn terugkeer naar Rome. Uiteindelijk zal deze toespraak, samen met alle andere die tijdens de conferentie gehouden zijn, in boekvorm uitgegeven worden.

TOESPRAAK VAN ZIJNE EMINENTIE ROBERT KARDINAAL SARAH:
“NAAR EEN AUTHENTIEKE TOEPASSING VAN SACROSANCTUM CONCILIUM”

IMG_7842

Ik wil in de eerste plaats mijn dank uitspreken aan Zijne Eminentie Vincent Kardinaal Nichols, voor zijn welkom in het Aartsbisdom Westminster en zijn vriendelijke begroetingswoorden. Eveneens wil ik Zijne Excellentie Bisschop Dominique Rey, bisschop van Fréjus-Toulon, danken voor zijn uitnodiging om hier met u aanwezig zijn bij de derde internationale “Sacra Liturgia” conferentie, en vanavond de openingstoespraak te presenteren. Uwe Excellentie, ik feliciteer u met dit internationale initiatief ter bevordering van de studie van het belang van liturgische vorming en viering in het leven en de missie van de Kerk.

In deze toespraak wil ik een aantal overwegingen aan u voorleggen over hoe de westerse Kerk naar een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium kan toewerken. Hiermee wil ik de vraag stellen: “Wat hadden de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie voor ogen met de liturgische hervorming?” Daarna wil ik bespreken hoe hun bedoelingen na het Concilie zijn toegepast. Uiteindelijk zou ik u een aantal voorstellen willen voorleggen over het liturgisch leven van de Kerk vandaag, zodat onze liturgische praktijk de bedoelingen van de Concilievaders beter kan weergeven.

Het is volgens mij overduidelijk dat de Kerk leert dat de katholieke liturgie de unieke bevoorrechte locus is van het verlossende handelen van Christus in onze huidige wereld, door middel van werkelijke participatie waarin wij Zijn genade en kracht ontvangen die zo nodig zijn voor onze volharding en groei in het christelijk leven. Het is de goddelijke vastgestelde plaats waar wij onze plicht tot het aanbieden van een offer, het Ene Ware Offer, aan God komen vervullen. Het is waar we onze diepgaande behoefte om God te aanbidden verwerkelijken. Katholieke liturgie is iets heiligs, iets dat door haar aard heilig is. Katholieke liturgie is geen gewone menselijke samenkomst.

Ik wil hier een zeer belangrijk feit onderstrepen: God, niet de mens, staat in het hart van de katholieke liturgie. We komen om Hem te aanbidden. De liturgie gaat niet om jou of mij; we vieren er niet onze eigen identiteit of prestaties, verheerlijken of promoten er niet onze eigen cultuur of plaatselijke religieuze gewoontes. De liturgie draait in de allereerste plaats om God en wat Hij voor ons gedaan heeft. In Zijn Goddelijke Voorzienigheid heeft de Almachtige God de Kerk gesticht en de heilige liturgie ingesteld waarmee wij Hem ware aanbidding kunnen opdragen in overeenstemming met het Nieuwe Verbond dat Christus gebracht heeft.Hierdoor, door het binnengaan van de vereisten van de heilige riten die in de traditie van de Kerk zijn ontwikkeld, krijgen wij onze ware identiteit en betekenis als zonen en dochters van de Vader.

Het is van essentieel belang dat we dit specifieke karakter van de katholieke eredienst begrijpen, want in recente decennia hebben we vele liturgische vieringen gezien waarin mensen, persoonlijkheid en menselijke prestaties te prominent aanwezig waren, bijna tot uitsluiting van God. Zoals Kardinaal Ratzinger ooit schreef: “Als de liturgie in de eerste plaats een werkplaats voor ons eigen handelen lijkt, dan wordt het essentiële vergeten: God. Het vergeten van God is het meest dreigende gevaar van onze tijd” (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 593). 

We moeten volkomen duidelijk zijn over de aard van de katholieke eredienst als we de Constutitie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie op de juiste wijze willen lezen en als we deze getrouw willen uitvoeren.

Al vele jaren voor het Concilie, in zowel missielanden als in de meer ontwikkelde gebieden, was er veel discussie over de mogelijkheid om het gebruik van de volkstalen in de liturgie uit te breiden, vooral voor de lezingen uit de Heilige Schrift, alsook voor een aantal andere onderdelen van het eerste deel van de Mis (wat we nu de “dienst van het Woord” noemen) en de liturgische zang. De Heilige Stoel had al meerdere keren toestemming gegeven voor het gebruik van de volkstaal in het toedienen van de sacramenten. Dit is de context waarin de Concilievaders spraken over de mogelijke positieve oecumenische of missionaire gevolgen van liturgische hervorming. Het is waar dat de volkstaal een positieve plaats heeft in de liturgie. Hier zochten de Vaders naar, niet naar de protestantisering van de Heilige Liturgie of instemmend met haar onderwerping aan een valse inculturisatie.

Ik ben een Afrikaan. Laat me dit duidelijk maken: de liturgie is niet de plaats om mijn cultuur te promoten. Het is veeleer de plaats waar mijn cultuur gedoopt wordt, waar mijn cultuur in het goddelijke wordt opgenomen. Door de liturgie van de Kerk (die missionarissen door heel de wereld hebben meegedragen) spreekt God tot ons, verandert Hij ons en stelt ons in staat deel te nemen in Zijn goddelijk bestaan. Als iemand christen wordt, als iemand in volledige eenheid met de katholieke kerk komt, ontvangt hij iets meer, iets dat hem verandert. Zeker, culturen en andere christenen brengen gaven met zich mee in de Kerk – de liturgie van de Ordinariaten voor Anglicanen die nu in volle eenheid met de Kerk zijn is hier een prachtig voorbeeld van. Maar zij brengen deze gaven met nederigheid, en de Kerk, in haar moederlijke wijsheid, maakt er gebruik zoals zij dat goed acht.

Eén van de duidelijkste en mooiste uitdrukking van de bedoelingen van de Concilievaders is te vinden aan het begin van het tweede hoofdstuk van de Constitutie, dat het mysterie van de Hoogheilige Eucharistie behandelt. In nummer 48 lezen we:

“Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan de tafel van ‘s Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem, en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte Gods alles in allen moge zijn.”

Broeders en zusters, dit is wat de Concilievaders wilden. Jazeker, ze discussieerden en stemden over specifieke manieren om hun bedoelingen toe te passen. Maar laat ons glashelder zijn: de rituele hervormingen in de Constitutie, zoals het herstel van het gebed van de gelovigen tijdens de Mis (n. 53), de uitbreiding van de concelebratie (n. 57) of een aantal van haar beleidslijnen zoals de vereenvoudiging verlangd in nummers 34 en 50, zijn alle ondergeschikt aan de fundamentele bedoelingen van de Concilievaders die ik zojuist heb omschreven. Het zijn middelen tot een doel, en het is het doel dat wij moeten behalen.

Als we naar een authentiekere toepassing van Sacrosanctum Concilium willen toewerken, dan moeten we op de allereerste plaats deze einddoelen in het oog houden. Misschien dat, als we ze met een frisse blik en met het voordeel van de ervaring van de laatste vijf decennia bestuderen, we sommige rituele hervormingen en bepaalde liturgische beleidslijnen in een ander licht zullen zien. Als sommige van deze nu moeten worden heroverwogen, om zo “het christelijk leven onder de gelovigen steeds hoger op te voeren” en “alle mensen tot de Kerk te roepen”, laat ons dan de Heer vragen ons de liefde en de nederigheid en wijsheid te schenken om dit te doen.

Ik noem deze mogelijkheid om opnieuw naar de Constitutie en de hervorming die volgde op de publicatie ervan te kijken, omdat ik niet denk dat we vandaag zelfs ook maar de eerste paragraaf van Sacrosanctum Concilium eerlijk kunnen lezen en tevreden kunnen zijn dat we de doelstellingen ervan hebben bereikt. Broeders en zusters, waar zijn de gelovigen waarover de Concilievaders spraken? Vele gelovigen zij nu ongelovig: ze komen helemaal niet meer naar de liturgie. In de woorden van de heilige Johannes Paulus II: vele christenen leven in een staat van “stille afvalligheid;” zij “leven alsof God niet bestaat” (Apostolische Exhortatie Ecclesia in Europa, 28 juni 2003, 9). Waar is de eenheid die het Concilie hoopte te bereiken? We hebben het nog niet bereikt. Hebben we werkelijk vooruitgang geboekt in het roepen van alle mensen tot de Kerk? Ik denk het niet. En toch hebben we heel veel in de liturgie gedaan!

In mijn 47 jaar als priester en na meer dan 36 jaar aan bisschoppelijk dienstwerk kan ik verklaren dat vele katholieke gemeenschappen en individuen de liturgie, zoals hervormd na het Concilie, met geestdrift en vreugde leven en vieren, en er veel van, zo niet al, het goede uit halen dat de Concilievaders verlangden. Dit is een grote vrucht van het Concilie. Maar uit mijn ervaring – nu ook als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten – weet ik ook dat er vele vervormingen van de liturgie in heel de Kerk van vandaag bestaan, en er zijn vele situaties die verbeterd kunnen worden zodat de doelstellingen van het Concilie behaald kunnen worden. Voor ik over een aantal mogelijke verbeteringen spreek, laten we bedenken wat er gebeurde na de publicatie van de Constitutie over de Heilige Liturgie.

Terwijl het officiele hervormingswerk plaatsvondt ontstonden er een aantal zeer ernstige verkeerde interpretaties van de liturgie en deze schoten wortel in verschillende plaatsen in de wereld. Deze misbruiken van de Heilige Liturgie ontwikkelden zich vanwege een foutief begrip van het Concilie en resulteerden in liturgische vieringen die subjectief waren en meer gericht op de verlangens van de individuele gemeenschap dan op de offerdienst van de Almachtige God. Mijn voorganger als Prefect van de Congregatie, Francis Kardinaal Arinze, noemde dit ooit eens “de doe-het-zelf Mis”. De heilige Johannes Paulus II vond het zelfs noodzakelijk het volgende te schrijven in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003):

“Deze dienst van de verkondiging van de kant van het Leergezag heeft een antwoord gekregen in de innerlijke groei van de christelijke gemeente. Zonder twijfel heeft de liturgiehervorming van het Concilie in hoge mate bijgedragen aan een bewustere, actievere en vruchtbaarder deelname aan het heilig Offer van het Altaar van de kant van de gelovigen. Op veel plaatsen is Aanbidding van het Allerheiligst Sacrament ook een belangrijke dagelijkse praktijk en wordt een onuitputtelijke bron van heiligheid. De vrome deelname van de gelovigen aan de eucharistische processie op Sacramentsdag is een genade van de Heer die ieder jaar vreugde brengt aan hen die eraan deelnemen. Andere positieve tekenen van geloof in en liefde voor de Eucharistie zouden nog genoemd kunnen worden.

Helaas is er naast dit licht ook schaduw. Op sommige plaatsen is de praktijk van de eucharistische Aanbidding vrijwel volledig verwaarloosd. In verschillende delen van de Kerk zijn misbruiken opgetreden, die lijden tot verwarring met betrekking tot het gezonde geloof en de katholieke leer ten aanzien van dit wonderbaarlijke Sacrament. Soms komt men een uiterst verengd begrip van het eucharistische mysterie tegen. Beroofd van zijn betekenis als offer wordt het gevierd als ware het eenvoudigweg een broederlijke maaltijd. Daarenboven wordt van tijd tot tijd de noodzaak van het ambtelijke priesterschap dat wortelt in de apostolische opvolging verduisterd en de sacramentaliteit van de Eucharistie wordt teruggebracht tot louter werkdadigheid in de verkondiging. Dit heeft hier en daar geleid tot oecumenische initiatieven die hoewel edel in hun motieven, toegeven aan eucharistische praktijken die in tegenspraak zijn met de discipline waarmee de Kerk haar geloof uitdrukt. Kunnen wij anders dan onze diepe droefheid over dit alles uitdrukken? De Eucharistie is een te groot geschenk dan dat wij dubbelzinnigheid en verschraling van de betekenis zouden kunnen dulden.

Ik vertrouw erop dat deze encycliek er effectief aan kan bijdragen om de schaduwen van onaanvaardbare doctrines en praktijken te verdrijven, opdat de Eucharistie verder moge stralen in heel de glans van haar mysterie (n. 10).”

Hier bestond ook een pastorale werkelijkheid: om goede redenen of niet, sommige mensen konden of wilden niet deelnemen aan de hervormde riten. Zij bleven weg of namen alleen deel aan de niet-hervormde liturgie waar ze die konden vinden, zelfs als de viering ervan niet was toegestaan. Zo werd de liturgie een uitdrukking van verdeeldheid in de Kerk, in plaats van één van katholieke eenheid. Het Concilie wilde niet dat de liturgie ons van elkaar scheidde! De heilige Johannes Paulus II werkte aan het genezen van deze verdeling, met de hulp van Kardinaal Ratzinger die, als Paus Benedictus XVI, de nodige interne verzoening in de Kerk wilde faciliteren door in zijn Motu Proprio Summorum Pontificum (7 juli 2007) te bepalen dat de oudere vorm van de Romeinse ritus zonder beperkingen beschikbaar moet zijn voor die individuen en groepen die uit haar rijkdom willen putten. In Gods Voorzienigheid is het nu mogelijk onze katholieke eenheid te vieren met respect voor, en zelfs vreugde in, een legitieme diversiteit van de rituele praktijk.

We mogen dan een hele nieuwe, moderne liturgie in de volkstaal hebben opgebouwd, maar als we niet de juiste basis hebben gelegd – als onze seminaristen en geestelijkheid niet “diep doordrongen zijn van de geest en de kracht van de liturgie”, zoals het Concilie vroeg – dan kunnen zij zelf de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd niet vormen. We moeten de woorden van het Concilie zelf zeer serieus nemen: het zou “kansloos” zijn te hopen op een liturgische vernieuwing zonder een grondige liturgische vorming. Zonder deze essentiële vorming zouden geestelijken zelfs schade toebrengen aan het geloof van mensen in het eucharistisch mysterie.

Ik wil niet bovenmatig pessimistisch overkomen, en ik zeg nogmaals: er zijn vele, vele gelovige mannelijke en vrouwelijke leken, vele geestelijken en religieuzen voor wie de liturgie zoals hervormd na het Concilie een bron van veel geestelijke en apostolische vruchten is, en daar dank ik de Almachtige God voor. Maar ik denk dat u het met mij eens zal zijn, zelfs op basis van mijn korte analyse hierboven, dat we beter kunnen doen, zodat de Heilige Liturgie werkelijk de bron en het hoogtepunt van het leven en de missie van de Kerk wordt, nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals de Concilievaders zozeer verlangden.

Gezien de fundamentele verlangens van de Concilievaders en de verschillende situaties die na het Concilie zichtbaar zijn geworden, zou ik een aantal praktische overwegingen willen presenteren over hoe we Sacrosanctum Concilium vandaag beter kunnen toepassen. Ook al dien ik als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, ik doe dit in alle nederigheid als een priester en een bisschop in de hoop dat dit een volwassen reflectie en studie en goed liturgisch handelen in heel de Kerk zal bevorderen.

Het zal geen verrassing zijn wanneer ik zeg dat we in de eerste plaats de kwaliteit en diepgang van onze liturgische vorming moeten onderzoeken, hoe we de geest en kracht van de liturgie overbrengen op onze geestelijken, religieuzen en lekengelovigen. Te vaak nemen we aan dat onze wijdingskandidaten voor het priesterschap of het permanente diaconaat genoeg over de liturgie “weten”. Maar het Concilie drong hierin niet aan op kennis, hoewel de Constitutie natuurlijk het belang van liturgiestudie onderstreepte (zie n. 15-17). Nee, de eerste en essentiële liturgische vorming is meer een onderdompeling in de liturgie, in het diepe mysterie van God, onze liefhebbende Vader. Het is een kwestie van de liturgie beleven in al haar rijkdom, zodat we, na gedronken te hebben uit haar bron, altijd dorsten naar haar verrukkingen, haar orde en schoonheid, haar stilte en bezinning, haar verheerlijking en aanbidding, haar vermogen ons ten diepste te verbinden met Hem die in en door de riten van de Kerk werkt.

Als we hier zorg voor dragen, als onze nieuwe priesters en diakens werkelijk dorsten naar de liturgie, zullen zij op hun beurt in staat zijn degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te vormen – zelfs als de liturgische situatie en mogelijkheden van hun kerkelijke missie bescheidener zijn dan die van het seminarie of de kathedraal. Ik weet van vele priesters in zulke omstandigheden die hun mensen vormen in de geest en kracht van de liturgie, en wier parochies voorbeelden zijn van grote liturgische schoonheid. We moeten niet vergeten dat waardige eenvoud niet hetzelfde is als reductief minimalisme of een verwaarloosde en vulgaire stijl. Zoals onze Heilige Vader, Paus Franciscus, leert in zijn Apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium: “De Kerk evangeliseert en evangeliseert zichzelf met de schoonheid van de liturgie, die ook viering is van de evangeliserende activiteit en bron van een hernieuwde impuls tot zelfgave.” (n. 24)

Ten tweede denk ik dat het zeer belangrijk is dat we duidelijk zijn over de aard van liturgische participatie, van de participatio actuosa waar het Concilie toe opriep. Hierover is veel verwarring geweest in de laatste decennia. Nummer 48 van de Constitutie zegt: De Kerk wil “dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling.” Het Concilie beschouwt participatie als voornamelijk intern, voortkomend uit een goed begrip van de riten en gebeden. Zeker, de Concilievaders vragen de gelovigen te zingen, de priester te antwoorden, liturgische taken op zich te nemen die rechtmatig de hunne zijn, maar staan erop dat allen zich bewust zijn van wat ze doen, “godvruchtig en actief”.

Als we het belang van de internisalisatie van onze liturgische participatie begrijpen zullen we het luidruchtige en gevaarlijke liturgische activisme, dat in de laatste decennia zo prominent aanwezig is geweest, vermijden. We gaan niet naar de liturgie om op te treden, om dingen te doen zodat anderen het kunnen zien: we gaan om verbonden te worden met het handelen van Christus door een internalisatie van de uitwendige liturgische riten, gebeden, tekenen en symbolen. Wellicht dat degenen die geroepen zijn tot liturgisch dienstwerk dit zich beter moeten herinneren dan anderen! Maar we moeten anderen ook vormen, in het bijzonder onze kinderen en jonge mensen, in de ware betekenis van liturgische participatie, in de ware manier om de liturgie te bidden.

Ten derde, ik heb gesproken over het feit dat een aantal hervormingen die na het Concilie zijn ingevoerd mogelijk zijn samengesteld volgens de tijdsgeest en dat er een groeiende hoeveelheid studie door trouwe zonen en dochters van de Kerk is geweest, waarin wordt gevraagd of wat was ingevoerd werkelijk de doelstellingen van de Constitutie toepaste, of dat ze er in werkelijkheid aan voorbij gingen. Deze studie vindt soms plaats onder de noemer “hervorming van de hervorming” en ik weet dat EH Thomas Kocik over deze kwestie een doorwrochte studie heeft gepresenteerd tijdens de Sacra Liturgia conferentie in New York, een jaar geleden.

Ik denk niet dat we de mogelijkheid of de wenselijkheid van een officiële hervorming van de liturgische hervorming kunnen afwijzen, omdat haar voorstanders een aantal belangrijke beweringen doen in hun pogingen trouw te zijn aan de nadruk van het Concilie in nummer 23 van de Constitutie “om de gezonde traditie te bewaren en toch de weg te openen voor een gewettigde vooruitgang”, en dat “vernieuwingen niet plaats hebben, tenzij deze door een werkelijk en duidelijk nut van de Kerk worden vereist, waarbij men er op dient te letten, dat de nieuwe vormen als het ware organisch voortkomen uit de reeds bestaande vormen.”

Ik kan meedelen dat, toen ik afgelopen april door de Heilige Vader in audiëntie werd ontvangen, Paus Franciscus mij vroeg de kwestie van een hervorming van een hervorming te bestuderen en hoe beide vormen van de Romeinse ritus te verrijken. Dat zal een fijngevoelig werk zijn en ik vraag om uw geduld en gebed. Maar als we Sacrosanctum Concilium beter willen toepassen, als we willen bereiken wat het Concilie verlangde, dan is dit een serieuze kwestie die zorgvuldig moet worden bestudeerd en behandeld met de nodige duidelijkheid en voorzichtigheid.

Wij priesters, wij bisschoppen dragen een grote verantwoordelijkheid. Hoe leidt ons goede voorbeeld tot goed liturgisch handelen; hoe kwetst onze onachtzaamheid of wangedrag de Kerk en haar heilige liturgie!

Wij priesters moeten in de allereerste plaats aanbidders zijn. Onze mensen zien het verschil tussen een priester die met geloof viert en één die haastig viert, veel op zijn horloge kijkt, bijna alsof hij zo snel mogelijk weer terug naar de televisie wil! Priesters, we kunnen niets belangrijkers doen dan de heilige mysteries te vieren: laten we oppassen voor de verleiding van liturgische luiheid, want dat is een verleiding van de duivel.

We moeten onthouden dat wij niet de makers van de liturgie zijn. Wij zijn haar nederige bedienaars, onderworpen aan haar discipline en wetten. Wij hebben ook de verantwoordelijkheid om degenen die ons bijstaan in liturgische functies te vormen in zowel de geest en kracht van de liturgie en zeker ook haar regels. Ik heb soms priesters een stap terug doen zetten om buitengewone bedienaars de Heilige Communie uit te laten delen: dit is fout, het is een ontkenning van het priesterlijk dienstwerk evenals een klerikalisering van de leken. Wanneer dit gebeurt is het een teken dat de vorming verkeerd is gegaan, en dat het gecorrigeerd moet worden.

Ik heb ook priesters en bisschoppen gezien die, gekleed om de Heilige Mis te vieren, telefoons en camera’s tevoorschijn haalden en in de heilige liturgie gebruikten. Dit is een verschrikkelijke aanklacht tegen het begrip dat zij hebben over wat ze doen als ze de liturgische gewaden aantrekken, dus zich als een alter Christus kleden – en nog meer, als ipse Christus, als Christus zelf. Dit is heiligschennis. Geen bisschop, priester of diaken die is gekleed voor het liturgisch dienstwerk of aanwezig op het priesterkoor moet foto’s nemen, zelfs niet tijdens grote geconcelebreerde Missen. Dit priesters dit vaak doen tijdens zulke Missen, of met elkaar praten of nonchalant zitten, is volgens mij een teken dat wij opnieuw moeten nadenken over de gepastheid van deze Missen, vooral als het priesters aanzet tot zulk schandalig gedrag dat het gevierde mysterie zo onwaardig is, of als de grootte van deze geconcelebreerde vieringen tot het risico van ontheiliging van de heilige Eucharistie leidt.

Ik wil een beroep doen aan alle priester. U heeft misschien mijn artikel in L’Osservatore Romano van een jaar geleden (12 juni 2015) gelezen, of mijn interview met het tijdschrift Famille Chrétienne in mei van dit jaar. Bij beide gelegenheden heb ik gezegd dat ik denk dat het heel belangrijk is dat we zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting, van priesters en gelovigen samen in dezelfde richting – naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt, in die delen van de liturgische riten waarin we ons tot God richten. Dit is toegestaan onder de huidige liturgische regels. Het is volledig legitiem in de moderne ritus. Ik denk dat het een heel belangrijke stap is om te verzekeren dat in onze vieringen de Heer werkelijk in het centrum staat.

En dus, beste priesters, vraag ik u dit waar mogelijk toe te passen, voorzichtig en met de nodige catechese, zeker, maar ook met het zelfvertrouwen van een herder dat dit iets goeds is voor de Kerk, iets goeds voor onze mensen. Uw eigen pastorale oordeel zal bepalen hoe en wanneer dit mogelijk is, maar wellicht is de eerste zondag van de Advent van dit jaar, wanneer we uitkijken naar “de Heer die zal komen” en “die niet aarzelt”, een hele goede tijd om dit te doen. Beste priesters, we zouden opnieuw moeten luisteren naar de klaagzang van God zoals verkondigd door de profeet Jeremia: “ze hebben Mij de rug toegekeerd” (2:27). Laat ons weer naar de Heer terugkeren!

Ik zou ook een beroep willen doen op mijn broeders bisschoppen: leidt u alstublieft uw priesters en mensen op deze manier naar de Heer, in het bijzonder in grote vieringen in uw bisdommen en in uw kathedraal. Vorm uw seminaristen alstublieft in de werkelijkheid dat we niet tot het priesterschap geroepen zijn om zelf in het hart van de liturgische eredienst te staan, maar om de gelovigen van Christus als medegelovigen naar Hem te leiden. Maak deze eenvoudige maar diepgaande hervorming alstublieft mogelijk in uw bisdommen, uw kathedralen, uw parochies en uw seminaries.

Wij bisschoppen hebben een grote verantwoordelijkheid, en ooit zullen we ons voor de Heer moeten verantwoorden over ons beheer. Wij bezitten niets! Zoals de heilige Paulus ons leert, wij zijn slechts “helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen” (1 Kor. 4:1). Wij hebben de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de heilige werkelijkheid van de liturgie wordt gerespecteerd in onze bisdommen en dat onze priesters en diakens zich niet alleen aan de liturgische voorschriften houden, maar de geest en de kracht van de liturgie waaruit deze voortkomen kennen. Ik was zeer bemoedigd door het lezen van de presentatie getiteld “The Bishop: Governor, Promoter and Guardian of the Liturgical Life of the Diocese”, gegeven voor de Sacra Liturgia conferentie in Rome in 2013 door aartsbisschop Alexander Sample van Portland in Oregon in de VS, en ik raad mijn broeders bisschoppen op broederlijke wijze aan zijn overwegingen zorgvuldig te bestuderen.

Hier herhaal ik wat ik elders heb gezegd: dat Paus Franciscus mij heeft gevraagd het liturgisch werk voort te zetten dat Paus Benedictus begonnen is (zie: Boodschap aan Sacra Liturgia 2015, New York City). Het feit dat we een nieuwe paus hebben betekent niet dat de visie van zijn voorganger nu niet langer geldig is. Integendeel, zoals we weten heeft onze Heilige Vader Paus Franciscus het grootste respect voor de liturgische visie en maatregelen die Paus Benedictus heeft uitgevoerd in opperste trouw aan de wensen en doelstellingen van de Concilievaders.

Staat u mij, voor ik afrond, toe een aantal andere kleine manieren te noemen die ook bij kunnen dragen aan een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium. Eén daarvan is dat we de liturgie moeten zingen, we moeten de liturgische teksten zingen, met respect voor de liturgische tradities van de Kerk en ons verheugend in de schatkist aan gewijde muziek die de onze is, in het bijzonder die muziek die hoort bij de Romeinse ritus, het Gregoriaans. We moeten gewijde liturgische muziek zingen, en niet slechts religieuze muziek of, erger, wereldse muziek.

We moeten de juiste balans vinden tussen de volkstalen en het gebruik van het Latijn in de liturgie. Het Concilie heeft nooit de bedoeling gehad dat de Romeinse ritus volledig in de volkstaal gevierd zou worden. Maar het wilde wel een breder gebruik ervan toestaan, in het bijzonder voor de lezingen. Tegenwoordig zou het mogelijk moeten zijn, vooral door moderne druktechnieken, om voor ieder het begrijpen van het Latijn te vergemakkelijken, wellicht voor de liturgie van de Eucharistie, en dit is natuurlijk met name gepast bij internationale samenkomsten waar de plaatselijke volkstaal door velen niet verstaan wordt. En wanneer de volkstaal gebruikt wordt moet het natuurlijk een juiste vertaling van het originele Latijn zijn, zoals Paus Franciscus recent aan mij heeft bevestigd.


Tussenkomst van Bisschop Rey

Met grote vreugde hebben we vandaag gehoord dat onze Heilige Vader, Paus Franciscus, u heeft gevraagd een studie te beginnen van de liturgische hervorming na het Concilie, en mogelijkheden te verkennen van wederzijdse verrijking tussen de oudere en nieuwere vormen van de Romeinse ritus, oorspronkelijk besproken door Paus Benedictus XVI.

Uwe Eminentie, uw oproep dat wij “zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting” in onze liturgische vieringen, “naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt,” is een uitnodiging tot een radicale herontdekking van iets dat aan de wortel ligt van de christelijke liturgie. Het roept ons op om wederom te beseffen dat, in al onze liturgische vieringen, de christelijke liturgie in essentie gericht is op Christus, wiens komst wij met vreugdevolle hoop afwachten.

Uwe Eminentie, ik ben slechts één bisschop van één bisdom in het zuiden van Frankrijk. Maar als antwoord op uw oproep wil ik nu aankondigen dat, in ieder geval op de laatste zondag van de Advent van dit jaar, in mijn viering van de heilige Eucharistie in mijn kathedraal en bij andere gelegenheden zoals het past, ik ad orientem zal vieren – in de richting van de Heer die komt. Voor de Advent zal ik een brief schrijven aan mijn priesters en mensen over deze kwestie om mijn beslissing toe te lichten. Ik zal hen aanmoedigen mijn voorbeeld te volgen. Ik zal hen vragen mijn persoonlijke getuigenis, als eerste herder van het bisdom, te ontvangen in de geest van iemand die zijn volk wil oproepen om hierdoor het primaatschap van de genade in hun liturgische vieringen te herontdekken. Ik zal uitleggen dat deze verandering ons zal helpen de fundamentele aard van de christelijke eredienst te herinneren: dat het steeds op de Heer gericht moet zijn.


Kardinaal Sarah, Addendum

We moeten ervoor zorgen dat aanbidding het hart is van onze liturgische vieringen. Te vaak maken we niet de beweging van viering naar aanbidding, maar als we dat niet doen ben ik bang dat we niet altijd volledig intern hebben deelgenomen aan de liturgie. Twee lichaamshoudingen zijn hier nuttig, zelf onmisbaar. De eerste is stilte. Als ik nooit stil ben, als de liturgie mij geen ruimte geeft voor stil gebed en bezinning, hoe kan ik dan Christus aanbidden, hoe ik mij dan in mijn hart en ziel met Hem verbonden voelen? Stilte is zeer belangrijk, en niet alleen voor en na de liturgie.

Zo is ook het knielen bij de consecratie (tenzij ik ziek ben) van belang. In het westen is dit een lichamelijke handeling van aanbidding die ons nederig maakt voor onze Heer en God. Het is in zichzelf een gebedshandeling. Waar knielen en buigen uit de liturgie zijn verdwenen moeten ze worden teruggebracht, in het bijzonder in verband met het ontvangen van onze Heer in de heilige communie. Beste priesters, vorm uw mensen, waar mogelijk en met pastorale prudentie, zoals ik eerder zei, in deze prachtige handeling van aanbidding en liefde. Laat ons wederom neerknielen in aanbidding en liefde voor de Eucharistische Heer!

In verband met het geknield ontvangen van de heilige communie  wil ik verwijzen naar de brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten uit 2002, die duidelijk maakt dat “elke weigering van de Heilige Communie aan één van de gelovigen op basis van zijn of haar knielende houding is een ernstige overtreding van één van de meest fundamentele rechten van de christengelovigen” (Brief, 1 juli 2002, Notitiae, n. 437, nov-dec 2002, p. 583).

Het correct kleden van alle liturgische bedienaren op het priesterkoor, inclusief de lectoren, is ook van groot belang, wil dit dienstwerk als authentiek beschouwd worden en wil het uitgevoerd worden met het decorum passend bij de heilige liturgie – ook de bedienaren zelf dienen de juiste eerbied te tonen voor de mysteries die zij toedienen.

Dit zijn enkele voorstellen: ik ben er zeker van dat er vele andere gedaan kunnen worden. Ik leg ze u voor als mogelijke manieren om verder te gaan naar “de juiste manier om de liturgie innerlijk en uiterlijk te vieren”, dat natuurlijk het verlangen was dat Kardinaal Ratzinger aan het begin van zijn grootse werk, De Geest van de Liturgie, uitdrukte (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 4). Ik moedig u aan om alles te doen dat u kunt om dit doel te realiseren, dat volledig in overeenstemming is met dat van de Constitutie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie.

 

 

Ready for launch – a new translation of the Lord’s Prayer

prayerThe Dutch and Flemish bishops announced today that the new translation of the Lord’s Prayer, drafted over the past couple of years as a first step to come to a completely new translation of the Roman Missal, will enter into effect on 27 November of this year, the start of Advent. In August of 2014 the new translation was already presented, and I discussed the changes at that time in this blog post.

The two bishops’ conferences each delegated a member to sit ona joint commission preparing the new translation. For the Netherlands that is Bishop Jan Liesen of Breda, and for Belgium it is Archbishop Jozef De Kesel of Mechelen-Brussels. Both prelates have released explanatory notes announcing the change: Bishop Liesen back in 2014, and Archbishop De Kesel today.

The translation itself, as I have outlined in the blog post I linked to above, is not extremely different from the existing texts, although the differences will certainly be noticeable when it comes into use, and could be considered an amalgamation of both. A noteworthy change is the translation of the word tentationem, temptation in English. In his note, Archbishop De Kesel discusses the new translation of this word:

de kesel“Until now this word has been translated as “bekoring” [temptation]. The Greek has peirasmos. This can be translated as both “bekoring” and “beproeving” [ordeal/test]. Most often this is translated as “beproeving”. So “beproeving” is the more concordant translation of the Greek basis. Translating it as “bekoring”, furthermore, presents a theological problem. “Bekoren” means to incite to evil. In Scripture this is said of the devil, not of God. God does not try and encourage man to commit evil. In that sense it is not God who tempts us, as the Letter of James (1:13) explicitly says. James responds here to an incorrect understanding of temptation or testing. It is not God, but, “when a man is tempted, it is always because he is being drawn away by the lure of his own passions”.

Yet it is an undeniable Biblical concept that God can test someone’s faith. For example, Abraham was tested, and so Jesus was tested also. “Thereupon, the Spirit sent him out into the desert:  and in the desert he spent forty days and forty nights, tempted by the devil” (Mark 1:12-13). The wording is striking and to the point: it is the Spirit who sends Jesus to the desert to be tested for forty days by Satan. The Spirit of God does not lure us into doing evil and tests us in that way, but He can bring us into situations in which our faith is being tested. These are situations in which we are presented with the unavoidable choice: for God and thus against evil, or for evil and thus against God. Only in and through the testing you know whether or not you really believe in God. Whether you, like Abraham, trust Him unconditionally, even in the darkest hour. This is also the meaning of the forty years in the desert. As Deuteronomy 8:2 says: “the Lord thy God led thee through the desert, testing thee by hard discipline, to know the dispositions of thy heart”.

Hence the meaning of the final prayer in the Our Father. We do not ask God not to tempt us. He doesn’t. But we do ask Him not to test us beyond our abilities. And this is not just any test. It is about whether or not, when it really matters, we do not deny our vocation as Christians. That, as happened to Simon Peter, we would say, when things get dangerous, “No, I do not know Him.” That is what we ask God earnestly in the last prayer of the Our Father: do not lead us to that ordeal.”

Bishop Liesen explains the process by which the new translation was arrived at:

liesen“Although the Altar Missal for the Dutch Church Province of 1979 included an ecumenical text of the Lord’s Prayer, the Netherlands and Flanders did not succeed in realising a joint translation of the Our Father as part of the liturgy renewal following the Second Vatican Council. All attempts came to naught. […]

The current review of the translation of the Order of Mass on behalf of the Dutch and Flemish bishops was seen by the joint commission as a unique opportunity to realise a joint text of the Lord’s Prayer for the entire Dutch language area. Following the Second Vatican Council new translations of the Our Father had already been realised and introduced in other language areas. The Congregation for Divine Worship and the Discipline of the Sacraments made it known that, as part of the review of the Missale Romanum, a joint Dutch text of the Lord’s Prayer was diserable.

Starting point in achieving a new translation was to stay as close as possible to the familiar Flemish and Dutch texts and therefore maintain what is the same in both translations. Attention also had to be paid to the source text and understandability and the ecumanical translations also had to be consulted. The joint commission entrusted the task of developing a proposal in this sense to a Dutch and a Flemish exegete, who quickly presented a result which was adopted in full by the commission.”

So it took fifty years for an attempt to create a new translation of the Lord’s Prayer to succeed, and now it was only a matter of months. I suppose that shows how the polemics and pasionate differences of opinions following the Second Vatican Council have finally settled into a situation where bishops can agree on said translation. I say ‘bishops’ for a reason, since the general tone of the reaction I see on social media is one of disregard, mockery even, coupled with, in some cases, the decision to stick with the old familiar text. There are definitively parallels to be drawn with the introduction of the new English translation of the Missal in 2010. It’ll be interesting to see how the new translation will be accepted come Advent.

Seriousness and joy, two bedfellows in the Year of Mercy – Archbishop De Kesel’s installation homily

Last Saturday, Msgr. Jozef De Kesel was installed as the 24th Archbishop of Mechelen-Brussels, at the Cathedral of St. Rumbold. Attending were, among others, the Belgian king and queen, all other Belgian bishops (including Archbishop De Kesel’s two predecessors, Archbishop Léonard and Cardinal Danneels), as well as Cardinal Wim Eijk from the Netherlands and Bishop Gérard Coliche from France. In his homily, the new archbishop looked at the readings of the third Sunday of Advent, and kept close to the theme of the Holy Year of Mercy. In the spirit of Pope Francis, he called for a Church that goes out into the world, to confront “our greatest danger today: the globalisation of indifference.”

Read my translation of the homily, which was given in both French and Dutch, below.

12348027_1519573191703090_3620166911912104879_n

“Dear friends,

The Scripture readings we have just heard are the reading for the third Sunday of Advent. They are words that are being read today and tomorrow everywhere in the world, wherever Christians come together on the Sunday. They prepare us for Christmas. But they do give us mixed feelings. On the one hand we have John’s call for conversion. That we do not miss He who is coming. For He is coming, he says, “to clear his threshing floor”. Not exactly a comforting message. Words that point out the seriousness of the situation and our responsibility.

But at the same time there is also the call to joy. “Rejoice in the Lord always. I shall say it again: rejoice!” he says. Of old this Sunday has also been called this: Sunday Gaudete! And Saint Paul adds, “Have no anxiety …  the peace of God that surpasses all understanding will guard your hearts and minds. The Prophet Zephaniah shares the same call for joy. They seem unlikely bedfellows: the seriousness and responsibility that John emphasises and the call to joy and happiness. But it is these two which brings us together today: great responsibility, but also great joy.

Yes, the words of John are binding. He calls to conversion. Yet when those who have just been baptised ask him, “What should we do?”, his response is surprising. He asks for nothing extraordinary or sensational. Share what you have. They should not give everything, but what they have. If you have more clothing than you need, then give to those who do not have enough. The same applies to food: share what you have more of than you need. And to the tax collectors he does not say to cease their work. He simply says, “Stop collecting more than what is prescribed”. Beware of corruption. And the soldiers who come to him, he does not ask to desert. He simply asks them: do what you do properly, without abusing your position and without the use of arbitrary violence. Never forget that you are human like everyone else. What John asks requires string commitment. That is true. But he does not ask anything extravagant. A baptised person does not keep a distance from others. We are to return to the responsibility and solidarity that we share with all men, regardless of their religion of belief.

But why be baptised? Why be Christian? The liturgy of this Sunday gives us the answer, and it too is astonishing. It is the joy that makes me a believer. It is not out of necessity or because I feel obligated. I am a Christian in freedom and love. We are known and loved by God. This is the heart of our faith. This joy and all love is therefore a call to fidelity and conversion.

This is the heart of Christianity. Not in the first place a doctrine or morality. But the certainty that we, frail and temporary people, are known and loved by God. It can hardly be imagined. But how, if this is true, can we not rejoice? Of course this does not answer all questions or solve every problem. But we know from experience how much this makes us happy, gives meaning and direction to our existence: that we are known, appreciated and loved by other people. That we are not nobody. Exactly that is the joy of the Gospel: to know that we are not only by those who are near to use, but by God Himself, the Creator and source of all that exists. Known and loved and radically accepted. Not without reason did Pope Francis call his first Exhortation “The Joy of the Gospel”. And not without reason did he, last Tuesday in Saint Peter’s Basilica in Rome, at the start of the great jubilee, open the door, the door of God’s mercy. Like we will do tomorrow here, and in Brussels and in Nivelles and in all cathedrals and jubilee churches in the entire world.

No, God is not an indifferent God. No arbitrary power, only concerned with Himself. We people are worth everything to Him. That is why He ask that one thing: that we are also not indifferent to each other. Especially not to those who stand at the side and do not matter, the poor and vulnerable, and the countless who are fleeing from war and violence. That we respect all life, no matter how small and vulnerable. Respect for the religious and philosophical convictions of every man. Respect and care for the planet we inhabit. We are also responsible for future generations. This world can be a hard place. This is what the Gospel asks from us: that we do not became hard and indifferent, insensitive and merciless. Because that is our greatest danger today: the globalisation of indifference.

This is the Gospel that the Church proclaims. The Gospel of God’s tenderness. And this is not just rhetoric. He is committed to the very end. And His Son, Jesus Christ, became one of us, vulnerable and defenseless as a child of men. A miracle of humanity. A love to which there is only one answer: to love in our turn. We appreciate and respect each other. Proclaiming the mercy of God and calling for respect and love, that is the mission of the Church. This is the place it searches out in our pluralistic and modern society. Nothing more, and nothing less. In a secularised culture, she can and must make her voice heard. And so much more than a religious fundamentalism that at this time constitutes a very real threat.

Not a Church that looks inward, but a Church that shares in the joys and sufferings of the world. Sympathetic to the plight of humans, of any kind. This was the message of the Second Vatican Council. Last Tuesday, the feast day of the Immaculate Conception of the Virgin, it was exactly fifty years since the closing of the Ecumenical Council. The Constitution on the Church in the world begins with these impressive and moving words: “The joys and the hopes, the griefs and the anxieties of the men of this age, especially those who are poor or in any way afflicted, these are the joys and hopes, the griefs and anxieties of the followers of Christ. Indeed, nothing genuinely human fails to raise an echo in their hearts.”

This is the vocation that the Church has received from God. To that we want to dedicate our best forces at the task entrusted to me today. I with you, and you with me. As we heard from John: no extravagant or spectacular projects. But a search for a consistent experience of the Gospel. And with that one certainty: that we are known and loved by God. That is our joy and faith today.

+Jozef De Kesel
Mechelen, 12 December 2015″

After the Ad Limina, Bishop Schwaderlapp on the “erosion of faith”

In his homily for the second Sunday of Advent in the cathedral of the Archdiocese of Cologne, Bishop Dominikus Schwaderlapp, auxiliary of that diocese, looked back on the recent Ad Limina visit of the German bishops. The full text of his homily can be found, in the original German, here, and below I present a translation of the relevant section concerning the Ad Limina. It touches upon some of the most frequent criticism against the German episcopate and church, and succeeds, in my opinion, in indicating where the solution lies.

schwaderlapp“Everywhere he went, John the Baptist proclaimed “a baptism of repentance for the forgiveness of sins” (Luke 3:3). That promise that John proclaimed can only enter into our hearts when we are willing to repent and begin anew. Repentance is painless when we want and demand it from others. It only becomes real when it is about me personally. Where do we need to repent? Where do I need to repent? When about two weeks ago we German bishops were in Rome for the Ad Limina visit, the Holy Father gave us a speech to take with us, one peppered with warnings: Clear words! In it, he speaks about the “erosion of faith” in our country. I once looked up on Wikipedia what erosion means: Improper land use removing especially fertile soil.

Dear sisters and brothers, the Church in Germany is certainly the best financed and best organised in the entire world. But what do we actually do? How can it be that – with all the means at our disposal – we must conclude that knowledge of and belief in the faith are ever more decreasing?

Are we really taking our mission to proclaim the faith seriously? We do it in other areas. For example: in our archdiocese, in an effort to prevent sexual abuse, hundreds of thousands, who are working with young people, are being trained. They must follow a set curriculum. Is there a similarly compulsory curriculum about questions of faith? No! Pope Francis has said, “New structures are continuously being created, but there are not faithful to fill them.” Are we obsessed with structures? In short, a word that is a warning for us as bishops and the Church in Germany.

And the Holy Father continues with what the erosion of faith means to him concretely. He discusses the Holy Eucharist and Confession. Holy Mass – the gift of God’s presence par excellence! Fewer than 10% of Catholics in our archdiocese attend it on Sunday. And when, because of decreasing numbers of priests, Mass times change or even, in some places, a Mass is no longer possible on every Sunday, a whole range of people stays away from Holy Mass. Has the Holy Eucharist become a sort of folklore in our lives, to embellish our Sundays? Our is it the foundation of our lives?

We are talking about new beginnings needed in our Church. Indeed, that is needed. But one thing is clear: When we do not make the first call of Jesus, “Repent and believe in the Gospel”, our own, when we do not make the call of John the Baptist our own, when we do not rediscover Confession as a place of God’s  mercy, there will be no new beginning! We can not make a new beginning by ourselves, but only implore God’s mercy for it.

Let us also ask ourselves: what does my faith look like? How seriously do I take it? How seriously do I take the Holy Eucharist, the Sacrament of Penance? Do I try to deepen my attitude, my practice, to really experience this great gift of the mercy of God?”

Archbishop Léonard’s farewell, part one

On Sunday, the first Sunday of Advent, Archbishop André-Joseph Léonard bade his first of four farewells to the archdiocese he led for six years. He did so as Mechelen’s cathedral of St. Rumbold, for the vicariate of Mechelen and Flemish Brabant, in the presence of priests, faithful, auxiliary Bishop Léon Lemmens and his predecessor, Cardinal Godfried Danneels. In his homily, the translation of which follows below, the archbishop looked back on the past years and his own efforts in shepherding the faithful of Mechelen-Brussels “towards the heart of our faith, the person of Jesus Christ Himself”.

foto_1448821587

“Dear brother priests,

Dear brothers and sisters,

I am very happy to be able to say goodbye to you on this first Sunday of Advent. For, as you may perhaps know, I took my episcopal motto from the prayer at the heart of this liturgical time: “Yes, come Lord Jesus!”. Of course, the second coming of Jesus in glory will be preceded by terrible tests; a bit like everyone’s arrival into eternal life will be preceded by the narrow passage of our death. That is why we do not give in to fear, but recover and rise again, for our salvation is at hand.

In the six years that I was bishop among you, I tried to lead you to the heart of our faith, namely the person of Jesus Himself, true man and true God, crucified to bear all our pain and resurrected so that we down here could already have a taste of a life which continues past death. I have tried to raise you up “on high”, to the Lord, true my teaching and especially through the celebration of the liturgy in a way worthy of the Lord and which could teach our hearts most deeply. That is why I wanted to meet you all in the field, in the 15 deaneries of our vicariate of Flemish Brabant and Mechelen. I was touched by the warm welcome that I received everywhere and by the wealth of what is happening in numerous parishes. For that I thank you from my heart.

At this time you are working hard on the restructuring of the parishes. That operation is necessary, but sometimes also a but painful or disconcerting, as, by the way, is the case with every ‘operation’. But this restructuring is only a means. As my successor has said at the press conference for his appointment: the essence lies elsewhere, the essence is the blazing flame of love, the spiritual, yes, even prophetic elan which must inspire the structures. This inspiration can only be received as a grace, through prayer and adoration, because it is a gift of the Holy Spirit.

When I met you during my pastoral visits, I was full of admiration for the engagement of so many lay people, so many consecrated persons, and a great number of very well-formed deacons. But you will understand that I will express my special gratitude, first and foremost to my auxiliary bishop, Msgr. Lemmens, and his coworkers, on whom I could count, and finally to all my brother priests. I was very pleased with you engagement, you availability for all people. I when I met brothers who experienced difficulties or about whom I had heard bad words, I tried as best as I could to give them a new chance, by given them my trust, every time anew.

The best gift I could give you, dear brothers, at the end of my episcopacy, seemed to me to be the assurance of succession: young brothers who are able to continue your pastoral task, even along new ways. This year our archdiocese has 55 seminarians: 20 in the familiar diocesan program, 20 in the Redemptoris Mater seminary and 15 in the Fraternity of the Holy Apostles. Among these future priests there are – I admit – only eight fully Flemish. That is progress compared to the past. But among our seminarians of foreign descent there are several who are trying their best to be properly bilingual, so that can also work in Flanders. I entrust these future priests to your good care and your prayer. For they are bearers of hope, of that hope about which the prophet Jeremiah says, “Look, the days are coming when I shall fulfil the promise I made to the House of Israel and the House of Judah.” But what interests us here today is especially everything that can contribute to the happiness of our diocese, and especially of our beloved vicariate of Flemish Brabant and Mechelen. Thanks to all of you that you are willing to contribute to that happiness, in a great community of the heart with my successor!”

André-Joseph Léonard”

The three other occasions to bid farewell to Archbishop Léonard will be at the cathedral of St. Michael and Gudula in Brussels on 5 December, the national basilica in Koekelberg on the morning of 6 December and the Collégiale Sainte-Gertrude in Nivelles in the afternoon of that same day.

Photo credit: Phk/KerkNet

The impossibilities of Bishop Bonny

Johan-BonnyIt’s no secret that Bishop Johan Bonny of Antwerp is a voice of the more ‘progressive’ side of the Church, if such categories can be applied to the Catholic Church (which I think they can’t to any satisfactory extent). He is a bishop able to relate easily to the faithful, addressing them effectively about the practicalities of the faith (as we have seen in, for example, his recent letter for Advent). At the same time, he is less concerned or interested in adhering to the legalities, the rules, the doctrine of the Church, although these are one of the two legs the Church stands on: mercy and the law, which support and feed each other. The one must not exist without the other.

The fact that Bishop Bonny emphasises mercy is not a problem in itself. Pope Francis does so as well. But the Holy Father does not distort or deny the teachings of the Church. Bishop Bonny, sadly, does.

In an interview with Belgian newspaper De Morgen, published on Saturday, Bishop Bonny made several statements regarding the recognition of same-sex relationships by the Church. He said that there should be a “range of forms of recognition”.

“In the Church we should look for a formal recognition of the ‘relationality’ which is also present in same-sex couples. Just like a diversity of legal frameworks for couples which exist in society, a range of forms of recognition should also be introduced in the Church.”

It is hard to understand what Bishop Bonny means here. Recognising the existence of a relation between two persons is something factual. We can all see a relation, in whichever form, between two people, whoever they are. The Church will also acknowledge this, as she is not in the business of denying reality. But we may well assume that recognition goes a bit further in this case.

“The substantive values are more important to me than the institutional question. Christian ethics assume durable relationships in which exclusivity, loyalty and care for the other are at the centre.”

Bishop Bonny makes a sharp distinction here between the substance and the institution, which is, in essence, a division between the two legs of pastoral care I mentioned above, mercy and law. Of course the content or substance of a relationship is extremely important, be the relationship a heterosexual or homosexual one, or even a friendship of family bond. But the fact, the institutional question does not go away and can not be ignored. These continue to exist, and must be recognised and understood, in addition to the substance of the relationship.

“Additionally, there is the openness to new life, or at least the responsibility assumed by partners to be generous in what is being passed on to children.”

This is pure watering-down of what the Church teaches about the nature of marriage. The sacrament of marriage is open to life, which means that the spouses are open to welcoming new life flowing forth from their sacramental bond, both mentally, spiritually and physically. Simple sharing a responsibility is quite simply not the same thing, even though it is, in itself, laudable.

In the last quote featured in the article linked to above, Bishop Bonny finally hits the mark.

“In their lives, everyone is confronted with relationships, friendships, family and the education of children. We must not deny that there are wounds and traumas in the Church about this. Too many people have felt excluded for too long.”

This is true, and not only for homosexual people, and this is a serious problem that must be addressed. The care offered by the Church must be effective, ever-present and open. There is much to win in this field, since many people are indeed excluded because the Church gives the impression that they are. But the big question is how to remedy that.

There are two options, as I see it:

  • We open our doors and listen to everyone who comes to us, share the truth with them and help them in their need, or
  • We tell these people lies and promise them impossibilities to make the pain stop.

What is the right option? It should not be hard to see.

I am not saying that the right option is the easy one. It isn’t in the least, because here too we find the two legs of pastoral care in the form of emotion on the one hand, and facts on the other.

As I have hinted at above, care and concern for homosexual people, including those in relationships, is a good thing, and it must be expressed. The pain and lack of understanding they feel is real. As Catholics we are people of mercy and this means we can not be deaf to these feelings. But that is not the complete picture of our duty as Catholics. We also represent a truth beyond ourselves, after all, the truth of Jesus Christ. In my opinion, He offers the best guidance in such situations through this passage from the Gospel of John: after He has been confronted by the scribes and Pharisees with the adulterous woman, and tells them that he is who is without sin cast the first stone, and after they have silently left, He addresses the woman: “Has no one condemned you?” She replies that no one has. “Neither do I condemn you,” said Jesus. “Go away, and from this moment sin no more.” (John 8:10-11)

There are several lessons to draw from this: first, Jesus does not condemn the woman who has objectively sinned, but He does tell her to stop sinning. That is our example. Not to condemn or exclude anyone and to be honest to the truth, the truth of Christ.

So, in the end, while Bishop Bonny is most certainly right in emphasising the need for proper pastoral care for people in homosexual relationships (as well as anyone else, really), his chosen solution ultimately does more harm than good as it dilutes the truth and present impossibilities as attainable and desirable.

For Advent, the state of the Diocese – Bishop Grothe considers Limburg

While it’s not really a letter for Advent, the timing of this message from Bishop Manfred Grothe, Apostolic Administrator of the Diocese of Limburg, is not coincidental. In it he looks back on the past year, an eventful one for the diocese, which is still in a sort of transitional period following the resignation of Bishop Franz-Peter Tebartz-van Elst and the financial drama that led to that.

14_03_Grothe“Dear sisters and brothers in the Diocese of Limburg,

After the start of the new liturgical year we are in the time of Advent, in which we prepare for the coming of the Lord. For many people it is a time, both professionally and privately, to look back on the past month and to use the weeks before Christmas to re-orient themselves: Where do I stand? What are my goals for the coming year?

As Christians in the Diocese of Limburg we look back on eventful and challenging months. Much has happened – although not everything has always been visible for everyone – and as Apostolic Administrator I was able to go part of the way with you. For that I thank you from my heart. I have above all used the time to first hear and get to know the diocese, its administration, commissions, consulting bodies and communities.

Things have quieted down in the Diocese of Limburg, and the headlines of the media have gone. Together we have started on a path of reorganisation and we have already taken important steps. Various bodies have had the courage for self-reflection and correction. Much has become clearer and more visible, but much also still needs time. I am confident that we can make a new start together, that trust will be renewed. In that context I especially think of the men and women who have withdrawn from recent confrontations and also risked an open debate. I wish that our diocese draws ever more together and regains a healthy self-awareness and self-confidence. From the joy of faith we can draw the strength to witness to the people of the loving closeness of the living God.

In the new year we will continue the reorganisation of the diocese’s financial management. With an eye on canon law the diocesan financial council will be installed with a new staff. The goal in this is a clear and unambiguous division of responsibility in the administration of the diocesan council and its authority and control. By employing external personnel a greater independence will be achieved while maintaining the duties of the financial council.

In addition the statute of the see will be revised, in cooperation with the relevant bodies, and the organisation’s management will be reorganised. Greater differentiation of assets and the path of transparency will be consistently continued. Already in July of 2014 the diocese published the assets and financial commitments of the Diocese of Limburg, the cathedral chapter and the school organisation.

In the coming months the thoughts and opinions of volunteer and paid staff, which was collected between September and the end of November, will also be evaluated. This evaluation will be an great additional help for me to process what happened and to learn from it. Today I can already thank all who made use of the option of making a phone call. There have been more than 100 calls. These reports have made it possible for me to get an idea of your thoughts and feelings and to understand better how you have experienced the past year. It is encouraging to me that the majority of callers have reported by name.

Nine new parishes will be established on 1 January 2015. Together with the 14 ‘new type parishes’ already existing half of the 45 new parishes has then been established.

The ‘new type parishes’ are past the stadium of planning and prognosis and already in many ways a concrete reality and a first answer to the changes and challenges of Church life. Together with the diocese, its curia and synod, I want to continue in this way. The process as a whole should not be reversed and stopped.  But the questions from the people in the parishes and communities are heard and easily understood. That is why we will continue with the visits to the communities. I can understand the concerns related to such a process of change and I also see many hurdles which must be overcome in dialogue and together. We must develop the steps to allow faith and community life to be lived strongly and with new impulses, tomorrow and the day after tomorrow. That will certainly be a challenge since Church and lived faith will get a new face and will also be realised in a different shape and form. In addition to the geographical reorganisation of the diocese, perspectives must also be developed in the coming year that demonstrate how pastoral care in the ‘new type parishes’ may be realised and succeed.

A special working group with representatives from several departments of the diocese has worked intensively to find a use for the building complex on the Domberg in Limburg. The complex was built as a house for the bishop of Limburg and will in principle also be used as such. We want to use the coming months to open up and de-mythologise the house. There will therefore be guided tours for employees as well as for groups from the Diocese of Limburg. The buildings are planned to be used for conferences and meetings of various organisations. In addition, it can host exhibitions, theological and other events. In this way we want to include the bishop’s house in the plans for the Diocese of Limburg. The private areas will be excluded from the opening, with respect for their private use.

In September Bishop emeritus Dr. Franz-Peter Tebartz-van Elst left the Diocese of Limburg and moved into a private house in Regensburg. Until now there has not been a new assignment connected to this. I would have much preferred an official farewell, in whatever form. This has not been possible to date, for various reasons, but remains an option for the diocese. In the weeks until Christmas and the end of the year I invite all to accompany the bishop emeritus in prayer and ask God’s blessing for his future, which remains uncertain. Equally uncertain for now is when the election of a new bishop will be initiated by the Congregation for Bishops in Rome. The Holy Father wants me to remain as Apostolic Administrator in the Diocese of Limburg for a while longer and prepare for a new beginning while the see remains vacant. In the first half of the year I am allowed to fill the two empty places in the cathedral chapter and so complete the chapter for the election.

Dear sisters and brothers, the tasks that lie before us are complex and yet I see with gratitude that we have taken many steps in the past months. That gives me confidence. I invite everyone to continue on this path with magnanimity and mutual respect for the other. Not only our diocese, but also our society is faced with great challenges in the new year. We are discussing assisted dying and as Christians we have the duty to always and ever anew make the dignity of people in all phases of life visible. We provide a vital service to society. We also can’t lose sight of people at the edge of society and those who have fled to our country and look for help in their often indescribable need. That was made clear to me during a brief visit to the Burbach refugee centre. As Church of Limburg we will therefore continue to commit ourselves to a “culture of hospitality for refugees” and use our financial and human resources to give our neighbours not just a home, but also a piece of homeland.

I wish you a blessed time of Advent and a Christmas rich in mercy, and a blessed new year. God has become man. Let’s celebrate that with confidence and faith in God and show the people around us what that means for us.

Limburg, on the third Sunday of Advent

+Auxiliary Bishop Manred Grothe

Apostolic Administrator “