Robert Kardinaal Sarah: “Naar een authentieke toepassing van Sacrosanctum Concilium”

This is a Dutch translation of Cardinal Robert Sarah’s address on the first day of the Sacra Liturgia conference, held in London from 5 to 8 July. This translation is based on the text as released via the Sacra Liturgia Facebook page. It is not a complete transcript of what Cardinal Sarah said. This is expected to be released sometime next week, after the cardinal has added a few points once he returns to Rome. In due time, this address, as well as the conference’s other papers, will be published in book form.


Dit is een Nederlandse vertaling van de toespraak die Kardinaal Robert Sarah heeft gegeven op de eerste dag van de Sacra Liturgia conferentie, gehouden in Londen van 5 tot 8 juli. Deze vertaling is gebasseerd op de tekst zoals die op de Facebook-pagina van Sacra Liturgia werd gepubliceerd. Het is geen volledige transcriptie van wat Kardinaal Sarah heeft gezegd. Het is de verwachting dat deze in de loop van de komende week wordt uitgegeven, zodra de kardinaal een aantal punten toe heeft kunnen voegen na zijn terugkeer naar Rome. Uiteindelijk zal deze toespraak, samen met alle andere die tijdens de conferentie gehouden zijn, in boekvorm uitgegeven worden.

TOESPRAAK VAN ZIJNE EMINENTIE ROBERT KARDINAAL SARAH:
“NAAR EEN AUTHENTIEKE TOEPASSING VAN SACROSANCTUM CONCILIUM”

IMG_7842

Ik wil in de eerste plaats mijn dank uitspreken aan Zijne Eminentie Vincent Kardinaal Nichols, voor zijn welkom in het Aartsbisdom Westminster en zijn vriendelijke begroetingswoorden. Eveneens wil ik Zijne Excellentie Bisschop Dominique Rey, bisschop van Fréjus-Toulon, danken voor zijn uitnodiging om hier met u aanwezig zijn bij de derde internationale “Sacra Liturgia” conferentie, en vanavond de openingstoespraak te presenteren. Uwe Excellentie, ik feliciteer u met dit internationale initiatief ter bevordering van de studie van het belang van liturgische vorming en viering in het leven en de missie van de Kerk.

In deze toespraak wil ik een aantal overwegingen aan u voorleggen over hoe de westerse Kerk naar een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium kan toewerken. Hiermee wil ik de vraag stellen: “Wat hadden de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie voor ogen met de liturgische hervorming?” Daarna wil ik bespreken hoe hun bedoelingen na het Concilie zijn toegepast. Uiteindelijk zou ik u een aantal voorstellen willen voorleggen over het liturgisch leven van de Kerk vandaag, zodat onze liturgische praktijk de bedoelingen van de Concilievaders beter kan weergeven.

Het is volgens mij overduidelijk dat de Kerk leert dat de katholieke liturgie de unieke bevoorrechte locus is van het verlossende handelen van Christus in onze huidige wereld, door middel van werkelijke participatie waarin wij Zijn genade en kracht ontvangen die zo nodig zijn voor onze volharding en groei in het christelijk leven. Het is de goddelijke vastgestelde plaats waar wij onze plicht tot het aanbieden van een offer, het Ene Ware Offer, aan God komen vervullen. Het is waar we onze diepgaande behoefte om God te aanbidden verwerkelijken. Katholieke liturgie is iets heiligs, iets dat door haar aard heilig is. Katholieke liturgie is geen gewone menselijke samenkomst.

Ik wil hier een zeer belangrijk feit onderstrepen: God, niet de mens, staat in het hart van de katholieke liturgie. We komen om Hem te aanbidden. De liturgie gaat niet om jou of mij; we vieren er niet onze eigen identiteit of prestaties, verheerlijken of promoten er niet onze eigen cultuur of plaatselijke religieuze gewoontes. De liturgie draait in de allereerste plaats om God en wat Hij voor ons gedaan heeft. In Zijn Goddelijke Voorzienigheid heeft de Almachtige God de Kerk gesticht en de heilige liturgie ingesteld waarmee wij Hem ware aanbidding kunnen opdragen in overeenstemming met het Nieuwe Verbond dat Christus gebracht heeft.Hierdoor, door het binnengaan van de vereisten van de heilige riten die in de traditie van de Kerk zijn ontwikkeld, krijgen wij onze ware identiteit en betekenis als zonen en dochters van de Vader.

Het is van essentieel belang dat we dit specifieke karakter van de katholieke eredienst begrijpen, want in recente decennia hebben we vele liturgische vieringen gezien waarin mensen, persoonlijkheid en menselijke prestaties te prominent aanwezig waren, bijna tot uitsluiting van God. Zoals Kardinaal Ratzinger ooit schreef: “Als de liturgie in de eerste plaats een werkplaats voor ons eigen handelen lijkt, dan wordt het essentiële vergeten: God. Het vergeten van God is het meest dreigende gevaar van onze tijd” (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 593). 

We moeten volkomen duidelijk zijn over de aard van de katholieke eredienst als we de Constutitie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie op de juiste wijze willen lezen en als we deze getrouw willen uitvoeren.

Al vele jaren voor het Concilie, in zowel missielanden als in de meer ontwikkelde gebieden, was er veel discussie over de mogelijkheid om het gebruik van de volkstalen in de liturgie uit te breiden, vooral voor de lezingen uit de Heilige Schrift, alsook voor een aantal andere onderdelen van het eerste deel van de Mis (wat we nu de “dienst van het Woord” noemen) en de liturgische zang. De Heilige Stoel had al meerdere keren toestemming gegeven voor het gebruik van de volkstaal in het toedienen van de sacramenten. Dit is de context waarin de Concilievaders spraken over de mogelijke positieve oecumenische of missionaire gevolgen van liturgische hervorming. Het is waar dat de volkstaal een positieve plaats heeft in de liturgie. Hier zochten de Vaders naar, niet naar de protestantisering van de Heilige Liturgie of instemmend met haar onderwerping aan een valse inculturisatie.

Ik ben een Afrikaan. Laat me dit duidelijk maken: de liturgie is niet de plaats om mijn cultuur te promoten. Het is veeleer de plaats waar mijn cultuur gedoopt wordt, waar mijn cultuur in het goddelijke wordt opgenomen. Door de liturgie van de Kerk (die missionarissen door heel de wereld hebben meegedragen) spreekt God tot ons, verandert Hij ons en stelt ons in staat deel te nemen in Zijn goddelijk bestaan. Als iemand christen wordt, als iemand in volledige eenheid met de katholieke kerk komt, ontvangt hij iets meer, iets dat hem verandert. Zeker, culturen en andere christenen brengen gaven met zich mee in de Kerk – de liturgie van de Ordinariaten voor Anglicanen die nu in volle eenheid met de Kerk zijn is hier een prachtig voorbeeld van. Maar zij brengen deze gaven met nederigheid, en de Kerk, in haar moederlijke wijsheid, maakt er gebruik zoals zij dat goed acht.

Eén van de duidelijkste en mooiste uitdrukking van de bedoelingen van de Concilievaders is te vinden aan het begin van het tweede hoofdstuk van de Constitutie, dat het mysterie van de Hoogheilige Eucharistie behandelt. In nummer 48 lezen we:

“Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan de tafel van ‘s Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem, en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte Gods alles in allen moge zijn.”

Broeders en zusters, dit is wat de Concilievaders wilden. Jazeker, ze discussieerden en stemden over specifieke manieren om hun bedoelingen toe te passen. Maar laat ons glashelder zijn: de rituele hervormingen in de Constitutie, zoals het herstel van het gebed van de gelovigen tijdens de Mis (n. 53), de uitbreiding van de concelebratie (n. 57) of een aantal van haar beleidslijnen zoals de vereenvoudiging verlangd in nummers 34 en 50, zijn alle ondergeschikt aan de fundamentele bedoelingen van de Concilievaders die ik zojuist heb omschreven. Het zijn middelen tot een doel, en het is het doel dat wij moeten behalen.

Als we naar een authentiekere toepassing van Sacrosanctum Concilium willen toewerken, dan moeten we op de allereerste plaats deze einddoelen in het oog houden. Misschien dat, als we ze met een frisse blik en met het voordeel van de ervaring van de laatste vijf decennia bestuderen, we sommige rituele hervormingen en bepaalde liturgische beleidslijnen in een ander licht zullen zien. Als sommige van deze nu moeten worden heroverwogen, om zo “het christelijk leven onder de gelovigen steeds hoger op te voeren” en “alle mensen tot de Kerk te roepen”, laat ons dan de Heer vragen ons de liefde en de nederigheid en wijsheid te schenken om dit te doen.

Ik noem deze mogelijkheid om opnieuw naar de Constitutie en de hervorming die volgde op de publicatie ervan te kijken, omdat ik niet denk dat we vandaag zelfs ook maar de eerste paragraaf van Sacrosanctum Concilium eerlijk kunnen lezen en tevreden kunnen zijn dat we de doelstellingen ervan hebben bereikt. Broeders en zusters, waar zijn de gelovigen waarover de Concilievaders spraken? Vele gelovigen zij nu ongelovig: ze komen helemaal niet meer naar de liturgie. In de woorden van de heilige Johannes Paulus II: vele christenen leven in een staat van “stille afvalligheid;” zij “leven alsof God niet bestaat” (Apostolische Exhortatie Ecclesia in Europa, 28 juni 2003, 9). Waar is de eenheid die het Concilie hoopte te bereiken? We hebben het nog niet bereikt. Hebben we werkelijk vooruitgang geboekt in het roepen van alle mensen tot de Kerk? Ik denk het niet. En toch hebben we heel veel in de liturgie gedaan!

In mijn 47 jaar als priester en na meer dan 36 jaar aan bisschoppelijk dienstwerk kan ik verklaren dat vele katholieke gemeenschappen en individuen de liturgie, zoals hervormd na het Concilie, met geestdrift en vreugde leven en vieren, en er veel van, zo niet al, het goede uit halen dat de Concilievaders verlangden. Dit is een grote vrucht van het Concilie. Maar uit mijn ervaring – nu ook als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten – weet ik ook dat er vele vervormingen van de liturgie in heel de Kerk van vandaag bestaan, en er zijn vele situaties die verbeterd kunnen worden zodat de doelstellingen van het Concilie behaald kunnen worden. Voor ik over een aantal mogelijke verbeteringen spreek, laten we bedenken wat er gebeurde na de publicatie van de Constitutie over de Heilige Liturgie.

Terwijl het officiele hervormingswerk plaatsvondt ontstonden er een aantal zeer ernstige verkeerde interpretaties van de liturgie en deze schoten wortel in verschillende plaatsen in de wereld. Deze misbruiken van de Heilige Liturgie ontwikkelden zich vanwege een foutief begrip van het Concilie en resulteerden in liturgische vieringen die subjectief waren en meer gericht op de verlangens van de individuele gemeenschap dan op de offerdienst van de Almachtige God. Mijn voorganger als Prefect van de Congregatie, Francis Kardinaal Arinze, noemde dit ooit eens “de doe-het-zelf Mis”. De heilige Johannes Paulus II vond het zelfs noodzakelijk het volgende te schrijven in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003):

“Deze dienst van de verkondiging van de kant van het Leergezag heeft een antwoord gekregen in de innerlijke groei van de christelijke gemeente. Zonder twijfel heeft de liturgiehervorming van het Concilie in hoge mate bijgedragen aan een bewustere, actievere en vruchtbaarder deelname aan het heilig Offer van het Altaar van de kant van de gelovigen. Op veel plaatsen is Aanbidding van het Allerheiligst Sacrament ook een belangrijke dagelijkse praktijk en wordt een onuitputtelijke bron van heiligheid. De vrome deelname van de gelovigen aan de eucharistische processie op Sacramentsdag is een genade van de Heer die ieder jaar vreugde brengt aan hen die eraan deelnemen. Andere positieve tekenen van geloof in en liefde voor de Eucharistie zouden nog genoemd kunnen worden.

Helaas is er naast dit licht ook schaduw. Op sommige plaatsen is de praktijk van de eucharistische Aanbidding vrijwel volledig verwaarloosd. In verschillende delen van de Kerk zijn misbruiken opgetreden, die lijden tot verwarring met betrekking tot het gezonde geloof en de katholieke leer ten aanzien van dit wonderbaarlijke Sacrament. Soms komt men een uiterst verengd begrip van het eucharistische mysterie tegen. Beroofd van zijn betekenis als offer wordt het gevierd als ware het eenvoudigweg een broederlijke maaltijd. Daarenboven wordt van tijd tot tijd de noodzaak van het ambtelijke priesterschap dat wortelt in de apostolische opvolging verduisterd en de sacramentaliteit van de Eucharistie wordt teruggebracht tot louter werkdadigheid in de verkondiging. Dit heeft hier en daar geleid tot oecumenische initiatieven die hoewel edel in hun motieven, toegeven aan eucharistische praktijken die in tegenspraak zijn met de discipline waarmee de Kerk haar geloof uitdrukt. Kunnen wij anders dan onze diepe droefheid over dit alles uitdrukken? De Eucharistie is een te groot geschenk dan dat wij dubbelzinnigheid en verschraling van de betekenis zouden kunnen dulden.

Ik vertrouw erop dat deze encycliek er effectief aan kan bijdragen om de schaduwen van onaanvaardbare doctrines en praktijken te verdrijven, opdat de Eucharistie verder moge stralen in heel de glans van haar mysterie (n. 10).”

Hier bestond ook een pastorale werkelijkheid: om goede redenen of niet, sommige mensen konden of wilden niet deelnemen aan de hervormde riten. Zij bleven weg of namen alleen deel aan de niet-hervormde liturgie waar ze die konden vinden, zelfs als de viering ervan niet was toegestaan. Zo werd de liturgie een uitdrukking van verdeeldheid in de Kerk, in plaats van één van katholieke eenheid. Het Concilie wilde niet dat de liturgie ons van elkaar scheidde! De heilige Johannes Paulus II werkte aan het genezen van deze verdeling, met de hulp van Kardinaal Ratzinger die, als Paus Benedictus XVI, de nodige interne verzoening in de Kerk wilde faciliteren door in zijn Motu Proprio Summorum Pontificum (7 juli 2007) te bepalen dat de oudere vorm van de Romeinse ritus zonder beperkingen beschikbaar moet zijn voor die individuen en groepen die uit haar rijkdom willen putten. In Gods Voorzienigheid is het nu mogelijk onze katholieke eenheid te vieren met respect voor, en zelfs vreugde in, een legitieme diversiteit van de rituele praktijk.

We mogen dan een hele nieuwe, moderne liturgie in de volkstaal hebben opgebouwd, maar als we niet de juiste basis hebben gelegd – als onze seminaristen en geestelijkheid niet “diep doordrongen zijn van de geest en de kracht van de liturgie”, zoals het Concilie vroeg – dan kunnen zij zelf de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd niet vormen. We moeten de woorden van het Concilie zelf zeer serieus nemen: het zou “kansloos” zijn te hopen op een liturgische vernieuwing zonder een grondige liturgische vorming. Zonder deze essentiële vorming zouden geestelijken zelfs schade toebrengen aan het geloof van mensen in het eucharistisch mysterie.

Ik wil niet bovenmatig pessimistisch overkomen, en ik zeg nogmaals: er zijn vele, vele gelovige mannelijke en vrouwelijke leken, vele geestelijken en religieuzen voor wie de liturgie zoals hervormd na het Concilie een bron van veel geestelijke en apostolische vruchten is, en daar dank ik de Almachtige God voor. Maar ik denk dat u het met mij eens zal zijn, zelfs op basis van mijn korte analyse hierboven, dat we beter kunnen doen, zodat de Heilige Liturgie werkelijk de bron en het hoogtepunt van het leven en de missie van de Kerk wordt, nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals de Concilievaders zozeer verlangden.

Gezien de fundamentele verlangens van de Concilievaders en de verschillende situaties die na het Concilie zichtbaar zijn geworden, zou ik een aantal praktische overwegingen willen presenteren over hoe we Sacrosanctum Concilium vandaag beter kunnen toepassen. Ook al dien ik als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, ik doe dit in alle nederigheid als een priester en een bisschop in de hoop dat dit een volwassen reflectie en studie en goed liturgisch handelen in heel de Kerk zal bevorderen.

Het zal geen verrassing zijn wanneer ik zeg dat we in de eerste plaats de kwaliteit en diepgang van onze liturgische vorming moeten onderzoeken, hoe we de geest en kracht van de liturgie overbrengen op onze geestelijken, religieuzen en lekengelovigen. Te vaak nemen we aan dat onze wijdingskandidaten voor het priesterschap of het permanente diaconaat genoeg over de liturgie “weten”. Maar het Concilie drong hierin niet aan op kennis, hoewel de Constitutie natuurlijk het belang van liturgiestudie onderstreepte (zie n. 15-17). Nee, de eerste en essentiële liturgische vorming is meer een onderdompeling in de liturgie, in het diepe mysterie van God, onze liefhebbende Vader. Het is een kwestie van de liturgie beleven in al haar rijkdom, zodat we, na gedronken te hebben uit haar bron, altijd dorsten naar haar verrukkingen, haar orde en schoonheid, haar stilte en bezinning, haar verheerlijking en aanbidding, haar vermogen ons ten diepste te verbinden met Hem die in en door de riten van de Kerk werkt.

Als we hier zorg voor dragen, als onze nieuwe priesters en diakens werkelijk dorsten naar de liturgie, zullen zij op hun beurt in staat zijn degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te vormen – zelfs als de liturgische situatie en mogelijkheden van hun kerkelijke missie bescheidener zijn dan die van het seminarie of de kathedraal. Ik weet van vele priesters in zulke omstandigheden die hun mensen vormen in de geest en kracht van de liturgie, en wier parochies voorbeelden zijn van grote liturgische schoonheid. We moeten niet vergeten dat waardige eenvoud niet hetzelfde is als reductief minimalisme of een verwaarloosde en vulgaire stijl. Zoals onze Heilige Vader, Paus Franciscus, leert in zijn Apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium: “De Kerk evangeliseert en evangeliseert zichzelf met de schoonheid van de liturgie, die ook viering is van de evangeliserende activiteit en bron van een hernieuwde impuls tot zelfgave.” (n. 24)

Ten tweede denk ik dat het zeer belangrijk is dat we duidelijk zijn over de aard van liturgische participatie, van de participatio actuosa waar het Concilie toe opriep. Hierover is veel verwarring geweest in de laatste decennia. Nummer 48 van de Constitutie zegt: De Kerk wil “dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling.” Het Concilie beschouwt participatie als voornamelijk intern, voortkomend uit een goed begrip van de riten en gebeden. Zeker, de Concilievaders vragen de gelovigen te zingen, de priester te antwoorden, liturgische taken op zich te nemen die rechtmatig de hunne zijn, maar staan erop dat allen zich bewust zijn van wat ze doen, “godvruchtig en actief”.

Als we het belang van de internisalisatie van onze liturgische participatie begrijpen zullen we het luidruchtige en gevaarlijke liturgische activisme, dat in de laatste decennia zo prominent aanwezig is geweest, vermijden. We gaan niet naar de liturgie om op te treden, om dingen te doen zodat anderen het kunnen zien: we gaan om verbonden te worden met het handelen van Christus door een internalisatie van de uitwendige liturgische riten, gebeden, tekenen en symbolen. Wellicht dat degenen die geroepen zijn tot liturgisch dienstwerk dit zich beter moeten herinneren dan anderen! Maar we moeten anderen ook vormen, in het bijzonder onze kinderen en jonge mensen, in de ware betekenis van liturgische participatie, in de ware manier om de liturgie te bidden.

Ten derde, ik heb gesproken over het feit dat een aantal hervormingen die na het Concilie zijn ingevoerd mogelijk zijn samengesteld volgens de tijdsgeest en dat er een groeiende hoeveelheid studie door trouwe zonen en dochters van de Kerk is geweest, waarin wordt gevraagd of wat was ingevoerd werkelijk de doelstellingen van de Constitutie toepaste, of dat ze er in werkelijkheid aan voorbij gingen. Deze studie vindt soms plaats onder de noemer “hervorming van de hervorming” en ik weet dat EH Thomas Kocik over deze kwestie een doorwrochte studie heeft gepresenteerd tijdens de Sacra Liturgia conferentie in New York, een jaar geleden.

Ik denk niet dat we de mogelijkheid of de wenselijkheid van een officiële hervorming van de liturgische hervorming kunnen afwijzen, omdat haar voorstanders een aantal belangrijke beweringen doen in hun pogingen trouw te zijn aan de nadruk van het Concilie in nummer 23 van de Constitutie “om de gezonde traditie te bewaren en toch de weg te openen voor een gewettigde vooruitgang”, en dat “vernieuwingen niet plaats hebben, tenzij deze door een werkelijk en duidelijk nut van de Kerk worden vereist, waarbij men er op dient te letten, dat de nieuwe vormen als het ware organisch voortkomen uit de reeds bestaande vormen.”

Ik kan meedelen dat, toen ik afgelopen april door de Heilige Vader in audiëntie werd ontvangen, Paus Franciscus mij vroeg de kwestie van een hervorming van een hervorming te bestuderen en hoe beide vormen van de Romeinse ritus te verrijken. Dat zal een fijngevoelig werk zijn en ik vraag om uw geduld en gebed. Maar als we Sacrosanctum Concilium beter willen toepassen, als we willen bereiken wat het Concilie verlangde, dan is dit een serieuze kwestie die zorgvuldig moet worden bestudeerd en behandeld met de nodige duidelijkheid en voorzichtigheid.

Wij priesters, wij bisschoppen dragen een grote verantwoordelijkheid. Hoe leidt ons goede voorbeeld tot goed liturgisch handelen; hoe kwetst onze onachtzaamheid of wangedrag de Kerk en haar heilige liturgie!

Wij priesters moeten in de allereerste plaats aanbidders zijn. Onze mensen zien het verschil tussen een priester die met geloof viert en één die haastig viert, veel op zijn horloge kijkt, bijna alsof hij zo snel mogelijk weer terug naar de televisie wil! Priesters, we kunnen niets belangrijkers doen dan de heilige mysteries te vieren: laten we oppassen voor de verleiding van liturgische luiheid, want dat is een verleiding van de duivel.

We moeten onthouden dat wij niet de makers van de liturgie zijn. Wij zijn haar nederige bedienaars, onderworpen aan haar discipline en wetten. Wij hebben ook de verantwoordelijkheid om degenen die ons bijstaan in liturgische functies te vormen in zowel de geest en kracht van de liturgie en zeker ook haar regels. Ik heb soms priesters een stap terug doen zetten om buitengewone bedienaars de Heilige Communie uit te laten delen: dit is fout, het is een ontkenning van het priesterlijk dienstwerk evenals een klerikalisering van de leken. Wanneer dit gebeurt is het een teken dat de vorming verkeerd is gegaan, en dat het gecorrigeerd moet worden.

Ik heb ook priesters en bisschoppen gezien die, gekleed om de Heilige Mis te vieren, telefoons en camera’s tevoorschijn haalden en in de heilige liturgie gebruikten. Dit is een verschrikkelijke aanklacht tegen het begrip dat zij hebben over wat ze doen als ze de liturgische gewaden aantrekken, dus zich als een alter Christus kleden – en nog meer, als ipse Christus, als Christus zelf. Dit is heiligschennis. Geen bisschop, priester of diaken die is gekleed voor het liturgisch dienstwerk of aanwezig op het priesterkoor moet foto’s nemen, zelfs niet tijdens grote geconcelebreerde Missen. Dit priesters dit vaak doen tijdens zulke Missen, of met elkaar praten of nonchalant zitten, is volgens mij een teken dat wij opnieuw moeten nadenken over de gepastheid van deze Missen, vooral als het priesters aanzet tot zulk schandalig gedrag dat het gevierde mysterie zo onwaardig is, of als de grootte van deze geconcelebreerde vieringen tot het risico van ontheiliging van de heilige Eucharistie leidt.

Ik wil een beroep doen aan alle priester. U heeft misschien mijn artikel in L’Osservatore Romano van een jaar geleden (12 juni 2015) gelezen, of mijn interview met het tijdschrift Famille Chrétienne in mei van dit jaar. Bij beide gelegenheden heb ik gezegd dat ik denk dat het heel belangrijk is dat we zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting, van priesters en gelovigen samen in dezelfde richting – naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt, in die delen van de liturgische riten waarin we ons tot God richten. Dit is toegestaan onder de huidige liturgische regels. Het is volledig legitiem in de moderne ritus. Ik denk dat het een heel belangrijke stap is om te verzekeren dat in onze vieringen de Heer werkelijk in het centrum staat.

En dus, beste priesters, vraag ik u dit waar mogelijk toe te passen, voorzichtig en met de nodige catechese, zeker, maar ook met het zelfvertrouwen van een herder dat dit iets goeds is voor de Kerk, iets goeds voor onze mensen. Uw eigen pastorale oordeel zal bepalen hoe en wanneer dit mogelijk is, maar wellicht is de eerste zondag van de Advent van dit jaar, wanneer we uitkijken naar “de Heer die zal komen” en “die niet aarzelt”, een hele goede tijd om dit te doen. Beste priesters, we zouden opnieuw moeten luisteren naar de klaagzang van God zoals verkondigd door de profeet Jeremia: “ze hebben Mij de rug toegekeerd” (2:27). Laat ons weer naar de Heer terugkeren!

Ik zou ook een beroep willen doen op mijn broeders bisschoppen: leidt u alstublieft uw priesters en mensen op deze manier naar de Heer, in het bijzonder in grote vieringen in uw bisdommen en in uw kathedraal. Vorm uw seminaristen alstublieft in de werkelijkheid dat we niet tot het priesterschap geroepen zijn om zelf in het hart van de liturgische eredienst te staan, maar om de gelovigen van Christus als medegelovigen naar Hem te leiden. Maak deze eenvoudige maar diepgaande hervorming alstublieft mogelijk in uw bisdommen, uw kathedralen, uw parochies en uw seminaries.

Wij bisschoppen hebben een grote verantwoordelijkheid, en ooit zullen we ons voor de Heer moeten verantwoorden over ons beheer. Wij bezitten niets! Zoals de heilige Paulus ons leert, wij zijn slechts “helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen” (1 Kor. 4:1). Wij hebben de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de heilige werkelijkheid van de liturgie wordt gerespecteerd in onze bisdommen en dat onze priesters en diakens zich niet alleen aan de liturgische voorschriften houden, maar de geest en de kracht van de liturgie waaruit deze voortkomen kennen. Ik was zeer bemoedigd door het lezen van de presentatie getiteld “The Bishop: Governor, Promoter and Guardian of the Liturgical Life of the Diocese”, gegeven voor de Sacra Liturgia conferentie in Rome in 2013 door aartsbisschop Alexander Sample van Portland in Oregon in de VS, en ik raad mijn broeders bisschoppen op broederlijke wijze aan zijn overwegingen zorgvuldig te bestuderen.

Hier herhaal ik wat ik elders heb gezegd: dat Paus Franciscus mij heeft gevraagd het liturgisch werk voort te zetten dat Paus Benedictus begonnen is (zie: Boodschap aan Sacra Liturgia 2015, New York City). Het feit dat we een nieuwe paus hebben betekent niet dat de visie van zijn voorganger nu niet langer geldig is. Integendeel, zoals we weten heeft onze Heilige Vader Paus Franciscus het grootste respect voor de liturgische visie en maatregelen die Paus Benedictus heeft uitgevoerd in opperste trouw aan de wensen en doelstellingen van de Concilievaders.

Staat u mij, voor ik afrond, toe een aantal andere kleine manieren te noemen die ook bij kunnen dragen aan een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium. Eén daarvan is dat we de liturgie moeten zingen, we moeten de liturgische teksten zingen, met respect voor de liturgische tradities van de Kerk en ons verheugend in de schatkist aan gewijde muziek die de onze is, in het bijzonder die muziek die hoort bij de Romeinse ritus, het Gregoriaans. We moeten gewijde liturgische muziek zingen, en niet slechts religieuze muziek of, erger, wereldse muziek.

We moeten de juiste balans vinden tussen de volkstalen en het gebruik van het Latijn in de liturgie. Het Concilie heeft nooit de bedoeling gehad dat de Romeinse ritus volledig in de volkstaal gevierd zou worden. Maar het wilde wel een breder gebruik ervan toestaan, in het bijzonder voor de lezingen. Tegenwoordig zou het mogelijk moeten zijn, vooral door moderne druktechnieken, om voor ieder het begrijpen van het Latijn te vergemakkelijken, wellicht voor de liturgie van de Eucharistie, en dit is natuurlijk met name gepast bij internationale samenkomsten waar de plaatselijke volkstaal door velen niet verstaan wordt. En wanneer de volkstaal gebruikt wordt moet het natuurlijk een juiste vertaling van het originele Latijn zijn, zoals Paus Franciscus recent aan mij heeft bevestigd.


Tussenkomst van Bisschop Rey

Met grote vreugde hebben we vandaag gehoord dat onze Heilige Vader, Paus Franciscus, u heeft gevraagd een studie te beginnen van de liturgische hervorming na het Concilie, en mogelijkheden te verkennen van wederzijdse verrijking tussen de oudere en nieuwere vormen van de Romeinse ritus, oorspronkelijk besproken door Paus Benedictus XVI.

Uwe Eminentie, uw oproep dat wij “zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting” in onze liturgische vieringen, “naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt,” is een uitnodiging tot een radicale herontdekking van iets dat aan de wortel ligt van de christelijke liturgie. Het roept ons op om wederom te beseffen dat, in al onze liturgische vieringen, de christelijke liturgie in essentie gericht is op Christus, wiens komst wij met vreugdevolle hoop afwachten.

Uwe Eminentie, ik ben slechts één bisschop van één bisdom in het zuiden van Frankrijk. Maar als antwoord op uw oproep wil ik nu aankondigen dat, in ieder geval op de laatste zondag van de Advent van dit jaar, in mijn viering van de heilige Eucharistie in mijn kathedraal en bij andere gelegenheden zoals het past, ik ad orientem zal vieren – in de richting van de Heer die komt. Voor de Advent zal ik een brief schrijven aan mijn priesters en mensen over deze kwestie om mijn beslissing toe te lichten. Ik zal hen aanmoedigen mijn voorbeeld te volgen. Ik zal hen vragen mijn persoonlijke getuigenis, als eerste herder van het bisdom, te ontvangen in de geest van iemand die zijn volk wil oproepen om hierdoor het primaatschap van de genade in hun liturgische vieringen te herontdekken. Ik zal uitleggen dat deze verandering ons zal helpen de fundamentele aard van de christelijke eredienst te herinneren: dat het steeds op de Heer gericht moet zijn.


Kardinaal Sarah, Addendum

We moeten ervoor zorgen dat aanbidding het hart is van onze liturgische vieringen. Te vaak maken we niet de beweging van viering naar aanbidding, maar als we dat niet doen ben ik bang dat we niet altijd volledig intern hebben deelgenomen aan de liturgie. Twee lichaamshoudingen zijn hier nuttig, zelf onmisbaar. De eerste is stilte. Als ik nooit stil ben, als de liturgie mij geen ruimte geeft voor stil gebed en bezinning, hoe kan ik dan Christus aanbidden, hoe ik mij dan in mijn hart en ziel met Hem verbonden voelen? Stilte is zeer belangrijk, en niet alleen voor en na de liturgie.

Zo is ook het knielen bij de consecratie (tenzij ik ziek ben) van belang. In het westen is dit een lichamelijke handeling van aanbidding die ons nederig maakt voor onze Heer en God. Het is in zichzelf een gebedshandeling. Waar knielen en buigen uit de liturgie zijn verdwenen moeten ze worden teruggebracht, in het bijzonder in verband met het ontvangen van onze Heer in de heilige communie. Beste priesters, vorm uw mensen, waar mogelijk en met pastorale prudentie, zoals ik eerder zei, in deze prachtige handeling van aanbidding en liefde. Laat ons wederom neerknielen in aanbidding en liefde voor de Eucharistische Heer!

In verband met het geknield ontvangen van de heilige communie  wil ik verwijzen naar de brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten uit 2002, die duidelijk maakt dat “elke weigering van de Heilige Communie aan één van de gelovigen op basis van zijn of haar knielende houding is een ernstige overtreding van één van de meest fundamentele rechten van de christengelovigen” (Brief, 1 juli 2002, Notitiae, n. 437, nov-dec 2002, p. 583).

Het correct kleden van alle liturgische bedienaren op het priesterkoor, inclusief de lectoren, is ook van groot belang, wil dit dienstwerk als authentiek beschouwd worden en wil het uitgevoerd worden met het decorum passend bij de heilige liturgie – ook de bedienaren zelf dienen de juiste eerbied te tonen voor de mysteries die zij toedienen.

Dit zijn enkele voorstellen: ik ben er zeker van dat er vele andere gedaan kunnen worden. Ik leg ze u voor als mogelijke manieren om verder te gaan naar “de juiste manier om de liturgie innerlijk en uiterlijk te vieren”, dat natuurlijk het verlangen was dat Kardinaal Ratzinger aan het begin van zijn grootse werk, De Geest van de Liturgie, uitdrukte (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 4). Ik moedig u aan om alles te doen dat u kunt om dit doel te realiseren, dat volledig in overeenstemming is met dat van de Constitutie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie.

 

 

Ready for launch – a new translation of the Lord’s Prayer

prayerThe Dutch and Flemish bishops announced today that the new translation of the Lord’s Prayer, drafted over the past couple of years as a first step to come to a completely new translation of the Roman Missal, will enter into effect on 27 November of this year, the start of Advent. In August of 2014 the new translation was already presented, and I discussed the changes at that time in this blog post.

The two bishops’ conferences each delegated a member to sit ona joint commission preparing the new translation. For the Netherlands that is Bishop Jan Liesen of Breda, and for Belgium it is Archbishop Jozef De Kesel of Mechelen-Brussels. Both prelates have released explanatory notes announcing the change: Bishop Liesen back in 2014, and Archbishop De Kesel today.

The translation itself, as I have outlined in the blog post I linked to above, is not extremely different from the existing texts, although the differences will certainly be noticeable when it comes into use, and could be considered an amalgamation of both. A noteworthy change is the translation of the word tentationem, temptation in English. In his note, Archbishop De Kesel discusses the new translation of this word:

de kesel“Until now this word has been translated as “bekoring” [temptation]. The Greek has peirasmos. This can be translated as both “bekoring” and “beproeving” [ordeal/test]. Most often this is translated as “beproeving”. So “beproeving” is the more concordant translation of the Greek basis. Translating it as “bekoring”, furthermore, presents a theological problem. “Bekoren” means to incite to evil. In Scripture this is said of the devil, not of God. God does not try and encourage man to commit evil. In that sense it is not God who tempts us, as the Letter of James (1:13) explicitly says. James responds here to an incorrect understanding of temptation or testing. It is not God, but, “when a man is tempted, it is always because he is being drawn away by the lure of his own passions”.

Yet it is an undeniable Biblical concept that God can test someone’s faith. For example, Abraham was tested, and so Jesus was tested also. “Thereupon, the Spirit sent him out into the desert:  and in the desert he spent forty days and forty nights, tempted by the devil” (Mark 1:12-13). The wording is striking and to the point: it is the Spirit who sends Jesus to the desert to be tested for forty days by Satan. The Spirit of God does not lure us into doing evil and tests us in that way, but He can bring us into situations in which our faith is being tested. These are situations in which we are presented with the unavoidable choice: for God and thus against evil, or for evil and thus against God. Only in and through the testing you know whether or not you really believe in God. Whether you, like Abraham, trust Him unconditionally, even in the darkest hour. This is also the meaning of the forty years in the desert. As Deuteronomy 8:2 says: “the Lord thy God led thee through the desert, testing thee by hard discipline, to know the dispositions of thy heart”.

Hence the meaning of the final prayer in the Our Father. We do not ask God not to tempt us. He doesn’t. But we do ask Him not to test us beyond our abilities. And this is not just any test. It is about whether or not, when it really matters, we do not deny our vocation as Christians. That, as happened to Simon Peter, we would say, when things get dangerous, “No, I do not know Him.” That is what we ask God earnestly in the last prayer of the Our Father: do not lead us to that ordeal.”

Bishop Liesen explains the process by which the new translation was arrived at:

liesen“Although the Altar Missal for the Dutch Church Province of 1979 included an ecumenical text of the Lord’s Prayer, the Netherlands and Flanders did not succeed in realising a joint translation of the Our Father as part of the liturgy renewal following the Second Vatican Council. All attempts came to naught. […]

The current review of the translation of the Order of Mass on behalf of the Dutch and Flemish bishops was seen by the joint commission as a unique opportunity to realise a joint text of the Lord’s Prayer for the entire Dutch language area. Following the Second Vatican Council new translations of the Our Father had already been realised and introduced in other language areas. The Congregation for Divine Worship and the Discipline of the Sacraments made it known that, as part of the review of the Missale Romanum, a joint Dutch text of the Lord’s Prayer was diserable.

Starting point in achieving a new translation was to stay as close as possible to the familiar Flemish and Dutch texts and therefore maintain what is the same in both translations. Attention also had to be paid to the source text and understandability and the ecumanical translations also had to be consulted. The joint commission entrusted the task of developing a proposal in this sense to a Dutch and a Flemish exegete, who quickly presented a result which was adopted in full by the commission.”

So it took fifty years for an attempt to create a new translation of the Lord’s Prayer to succeed, and now it was only a matter of months. I suppose that shows how the polemics and pasionate differences of opinions following the Second Vatican Council have finally settled into a situation where bishops can agree on said translation. I say ‘bishops’ for a reason, since the general tone of the reaction I see on social media is one of disregard, mockery even, coupled with, in some cases, the decision to stick with the old familiar text. There are definitively parallels to be drawn with the introduction of the new English translation of the Missal in 2010. It’ll be interesting to see how the new translation will be accepted come Advent.

Clean feet -a more inclusive Easter liturgy?

So the Holy Father went and had the Congregation for Divine Worship decree a change in the liturgy. For most parishes, at least here in Western Europe, the change will be unnoticeable, as most have made it years or even decades ago. But does that mean it is a mere formality, a change on paper only?

foot washing, maundy thursday, cathedral

^ Footwashing at St. Joseph’s cathedral in Groningen, last year.

Since 1955, the footwashing is a notable part of the liturgy of Maundy Thursday. The priest washes the feet of twelve men, in imitation of Jesus Christ’s washing of the feet of His disciples. As the new decree underlines, the rite revolves around the servitude of all those who wish to follow Christ, who came, after all, not to be served, but to serve. In the Gospel of John we read the following:

“Before the festival of the Passover, Jesus, knowing that his hour had come to pass from this world to the Father, having loved those who were his in the world, loved them to the end.

They were at supper, and the devil had already put it into the mind of Judas Iscariot son of Simon, to betray him. Jesus knew that the Father had put everything into his hands, and that he had come from God and was returning to God, and he got up from table, removed his outer garments and, taking a towel, wrapped it round his waist; he then poured water into a basin and began to wash the disciples’ feet and to wipe them with the towel he was wearing.

He came to Simon Peter, who said to him, ‘Lord, are you going to wash my feet?’ Jesus answered, ‘At the moment you do not know what I am doing, but later you will understand.’ ‘Never!’ said Peter. ‘You shall never wash my feet.’ Jesus replied, ‘If I do not wash you, you can have no share with me.’ Simon Peter said, ‘Well then, Lord, not only my feet, but my hands and my head as well!’ Jesus said, ‘No one who has had a bath needs washing, such a person is clean all over. You too are clean, though not all of you are.’ He knew who was going to betray him, and that was why he said, ‘though not all of you are’.

When he had washed their feet and put on his outer garments again he went back to the table. ‘Do you understand’, he said, ‘what I have done to you? You call me Master and Lord, and rightly; so I am. If I, then, the Lord and Master, have washed your feet, you must wash each other’s feet. I have given you an example so that you may copy what I have done to you. In all truth I tell you, no servant is greater than his master, no messenger is greater than the one who sent him. Now that you know this, blessed are you if you behave accordingly.'”

The rite of the footwashing is in the first place exactly what Jesus tells us it is: an example for us to follow, in the context of the relation between servant and master. For the priest, who washes the feet of twelve faithful, this is especially poignant. As an alter Christus he is especially tasked to lead by serving, made tangible in this subservient act.

In the Roman missal the faithful whose feet are to be washed are described as ‘vir’, men. Although many priests have not felt called to limit the faithful they chose for the rite to be only men, others, who understand that the liturgy is not just a collection of symbolic rituals, have followed what the missal stipulates. Pope Francis has now removed the rule that only men’s feet are to be washed in the ritual, stating only that they must be chosen from among the People of God: the faithful community assembled for the liturgical ritual. So not only men, but also women and children.

Of course, the changes have been met with comments far and wide. Before delving into some of those, it should be noted that this is not an issue of dogma, and that the Holy Father is completely free to make such changes. There are those who are all too keen to take every chance to denounce Pope Francis, but this is not one. This is Papal authority in action.

I have seen some comments expressing surprise that there even are rules about such things, but also pride in having been ahead of the curve in including women in the footwashing. Apparently, those who know of what the missal stated, have not felt the urge to take it seriously and keep to the rubrics. I have to wonder what the liturgy is for some people: a collection of quaint rituals to be performed or not as mood or times dictate, or something given as a task to perform by the Church, a rite reflecting the divine liturgy, which can not be changed by individual priests or liturgy committees (a silly concept in itself) as they desire. It should be clear what my position is, which happens to be what the Church herself also teaches. I may like or dislike what the missal contains, but it is not mine to change. It is, however, the Pope’s to change (as long as the changes are not dogmatic). He has that authority.

Some have also chosen to see this change as having to do with a right that until now has been denied to women. It is not. As the decree explains, Pope Francis wanted this change to better reflect the full make-up of the People of God, who all share in this commandment of service: it is therefore not a right that until now has been denied to women, but a duty that they are equally called to perform. Pridefully boasting that this is an equal rights issue is simplistic and out of place.

On the other side of the debate, more conservative commentators have taken issue with the fact that a liturgical tradition has been altered. They say that the presence of only men at the footwashing is a reflection of the footwashing as performed by Jesus. He also only washed the feet of men: His disciples. In this way it better reflected the relation between Christ and His followers, and thus reminds the priest and faithful of what the priesthood is: a service in a context of authority. I have to wonder, however, of the ritual itself, even if it includes only men, succeeds in this. At least in my experience, catechesis makes more of a difference than the gender of those whose feet are washed. For most faithful present at the footwashing, the actual ritual is too short and too far away to be fully witnessed and taken in.

Others have wondered if this is really the most urgent liturgical change that was needed. Aren’t there liturgical abuses that need to be adressed first? Of course there are. I think of the complete lack of reference for or even understanding of Who we received in Holy Communion, to name but one. But a start needs to be made somewhere, and the fact that changs are made is more important than the order in which they take place.

In closing, I would like to comment on what some have wondered about the role of Cardinal Robert Sarah in this. As Prefect of the Congregation for Divine Worship he is the one who issued and signed the decree announcing the change. Pope Francis made the request for the change in late 2014. It took more than a year for the decree to be published. Did Cardinal Sarah delay it, because he disagreed with it? Or is it perhaps more likely that the cardinal, who had only arrived at the Congregation in November of 2014, needed the time first to familiarise himself with his new duties, had to clear a banklog of files which had built up in the three months between the departure of the previous Prefect, Cardinal Cañizares Llovera, and his own arrival? And add to that the fact that there are other files to deal with in the course of the normal work of the Congregation, and it seems that this is a more likely reason for the apparent delay than any alleged delaying actions out of a theoritical opposition to the Pope’s reforms.

 

Guessing at the future – what the new Curia may look like

cardinals curiaThere are persistent rumours that the reforms of the Roman Curia will soon enter a new phase as several councils will be merged into two congregations. And the preliminary steps for the new phase have already been taken in recent months.

Rumours are rumours, and we should be careful with them. We don’t know when and if changes will take place,nor do we know what they will look like. But we can guess…

Two recent personnel changes shed some light on possible future changes in the Curia. Cardinal Robert Sarah was moved from the presidency of the Pontifical Council “Cor Unum” to become Prefect of the Congregation for Divine Worship, and Bishop Mario Toso left his position as Secretary of the Pontifical Council for Justice and Peace to become bishop of Faenza-Modigliana. Neither prelate has yet been succeeded in their previous positions, and it may be that there will not be a successor. Both “Cor Unum” and Justice and Peace are rumoured to be merged into a larger Congregation for Justice and Peace, together with the Pontifical Councils for the Pastoral Care of Migrants and for Pastoral Assistance to Health Care Workers.

turksonCardinal Sarah and Bishop Toso have been reassigned, but that leaves several other prelates without a clear place to go. For now at least. Candidates for the position of Prefect of the new congregation would, in my opinion, be Cardinal Peter Turkson (pictured), who now heads the Pontifical Council for Justice and Peace, or possibly Archbishop Zygmunt Zimowski, who is now the president of the Health Care council. Both are about the same age (Turkson is 66, Zimowski 65) and about the same number of years in the Curia behind them. The other option for both of them is a return to their native country, something that Pope Francis seems to prefer. In Ghana, Cardinal Turkson’s native country, the only vaguely likely option is a return to the Archdiocese of Cape Coast, where he was archbishop from 1992 to 2009. Cape Coast’s current Archbishop, Matthias Nketsiah, turns 75 in 2017. Not a very likely prospect, in my opinion.

zygmunt_zimowskiIn Poland, where Archbishop Zimowski (pictured) comes from, there is the enticing option of Kraków, which should become vacant very soon. Cardinal Dziwisz, the current archbishop there, turns 76 in April. Solely judging from these options, Cardinal Turkson would seem to be more likely to remain in Rome and head a new Congregation for Justice and Peace.

The third cardinal involved, Antonio Maria Vegliò, president of the Council for Migrants, is already 75, and should retire fairly soon. The various secretaries and undersecretaries of the Councils that are set to merge into the new Congregation will either continue their work or be given new assignments in Rome or in the countries they are from. The most senior of these is Bishop Joseph Kalathiparambil, Secretary of the Pontifical Council for the Pastoral Care for Migrants. His dicastery serves a role that is close to Pope Francis’ heart, so perhaps we can see him as secretary under Cardinal Turkson?

A second new Congregation that is said to be created is that of Laity and Family, composed of the current Pontifical Councils of the Laity and of the Family, and the Pontifical Academy for Life.

rylkoAgain, there are two most likely candidates to head this new congregation: Cardinal Stanislaw Rylko (pictured), President of the Council for the Laity for the past twelve years; and Archbishop Vincenzo Paglia, president of the Family Council. Again both are the same age (69), but Cardinal Rylko has far more Curia experience (12 as opposed to 3 years). Should Cardinal Rylko be appointed to his native Poland, there really is no other place for him to go than Kraków, and we already have the option of Archbishop Zimowski going there. Two other Polish archdiocese which will fall vacant within the next few years, Warmia and Przemysl, really don’t have the stature and history for an experienced Curial cardinal. Then again, nothing is set in stone in these matters.

The rumoured merger of the Pontifical Council for the Laity into a Congregation for Laity and Family opens another interesting possibility: that the current secretary of the Laity Council, Bishop Josef Clemens, returns to his native Germany, to one of the vacant dioceses there. As we know, Limburg, Hamburg and Berlin are still vacant, and we don’t know who’s on the list for any of them.

The president of the Academy for Life, lastly, Bishop Ignacio Carrasco de Paula, is 77 and will likely be allowed to retire without playing a role in a new Congregation.

Just some educated guesses. Reality, as ever, may well turn out radically different.

2014, a year in review

As the year ends, it is once more time to look back at the past year in this blog. It wasn’t quite 2013, but there was still enough to write and think about. I have been a bit less active in writing, for reasons of real life, but the number of page views in 2014 still topped out at close to 100,000. An altogether satisfactory number.

In this review of the year, I will look back on various topics that kept us busy in 2014.

The Catholic Church in the Netherlands

jaimeThere have been many interesting things going in locally, some positive, some negative, but together they reflect the life of the Catholic Church in this country. From Roermond, the case of Bishop Frans Schraven, a martyr for the faith in China, was sent to Rome in light of a future beatification. The financial numbers of 2012 were published and showed a continued downward slope. The Dutch government sent a new – and royal – ambassador (pictured at left) to the Holy See. The Congregation for the Religious sent their second man to meet representatives of religious orders in the Netherlands. Monks of a declining abbey announced that they would be moving to a small island of the northern coast of the country. Personally, I experienced aprocession warfhuizen rain-soaked but satisfying pilgrimage (at right) to another religious site in the north. The Dutch bishops felt the need to stand up against a resurgence of anti-Semitism, and they also announced the upcoming publication of a new Missal translation. My own diocese saw the ordination of two new transitional deacons, while the sole hermit residing in that same diocese also announced the good news of his own upcoming ordination. Protestant clergy discovered the benefits, if not the deeper meaning, of the Roman collar. A community fighting the biography simonisclosing of their local Church appeal to the Pope. Catholic Voices, the successful communications initiative from the UK, launches a Dutch chapter. The retired archbishop of Utrecht, Cardinal Ad Simonis, is the subject of a major biography (cover at left). And in Nijmegen, the Diocese announces changes to the local university chaplaincy.

Cardinal Eijk

eijkThe archbishop of Utrecht remains unenviable as he continues in his work as president of the Bishops’ Conference, member of the Curia in Rome, and all too often a scapegoat. This year, he made headlines when stating that the decisions of the Council of Trent are still current, which caused resentment among ecumenical partners. He was also accused of vetoing a papal visit to the Netherlands, which turned out to be quite untrue, and the bishops ended the rumours by releasing a joint statement.

The seminaries

ariënsinstituut seminariansBy the end of summer, a debate erupted about the future of the seminaries in the Netherlands. Some parties advocated the creation of one or two major seminaries, while others were in favour of continuing with the current six. The majority of seminary directors seemed to favour the first option. Earlier in the year, the Archdiocese of Utrecht, restarted its own seminary (first class, staff and family at left).

Pope Francis

cardinals consistoryThe world remains interested in Pope Francis, and it was no different in this blog. First up, there was his first consistory, in which he created 16 new cardinals, including a fair few unexpected ones. The Holy Father was interviewed by young people from Belgium (at left), an interview that was also televised. Later, the verse vis,luc van looy, francisPope also sent a personal note to the Netherlands, to the participants and organisation of the Catholic Youth Festival. 50,000 altar servers from Germany made a pilgrimage to Rome, where Pope Francis spoke to them. The national Church of the Dutch, the Church of the Frisians, marked the anniversary of its dedication, and Pope Francis sent a note of congratulations. The Pope’s decision to terminate the appointment of the commander of the Swiss Guard led to much rumour, which proved pope francis curia christmas addressunfounded later. Pope Francis clarified this and other questions in a new interview. By the end of the year, Pope Francis announced his second consistory. Finally, his Christmas address to the Curia caused new shockwaves, but deserves a good reading by everyone.

New appointments

101020marx250There has been a fair amount of new appointments in 2014, and especially in Germany. First Fr. Herwig Gössl was appointed as auxiliary bishop of Bamberg. Cardinal Reinhard Marx (at left) was elected as the new president of the German Bishops’ Conference, in addition to his many other duties. In Essen, Bishop Franz Vorrath retired and Fr Wilhelm Zimmermann was appointed as new auxiliary bishop. Archbishop Werner Thissen of Hamburg retired while his successor remains to be appointed. Fr. Stefan Oster was woelki32appointed as the new Bishop of Passau, and Fr. Stefan Burger was the new Archbishop of Freiburg im Breisgau. The Diocese of Erfurt was finally given a new bishop in the person of Bishop Ulrich Neymeyr, after waiting for two years. The biggest appointment of the year was in Cologne, where Cardinal Rainer Maria Woelki (at right) returned from Berlin to succeed Cardinal Joachim Meisner.

Mgr%20Bert%20van%20Megen2-loreWhile there were no new bishops in the Netherlands, a Dutch priest was appointed to represent the Holy See in Sudan and Eritrea. Father Bert van Megen (at left) was consecrated by the Vatican Secretary of State, Cardinal Pietro Parolin.

In Rome, there were also some notable appointments: Cardinal Antonio Cañizares Llovera left the Congregation or Divine Worship to become Archbishop of his native Valencia. He was later succeeded by Cardinal Robert Sarah. Lastly, Pope Francis appointed a new camerlengo and vice-camerlengo.

The Synod

eijk synodThe big topic in the second half of the year was the Synod of Bishops’ Extraordinary Assembly on the family. In the eyes of the rest of the world, Germany remains a focal point of liberal trends that are at odds with Catholic teaching. That is not always true, but some bishops did strengthen that opinion. Bishop Ackermann of Trier was the first to be criticised for his comments on marriage and sexuality. From Brazil, Austrian-born Bishop Kräutler made comments on celibacy, the ordination of women and the Eucharist, and is said to have the Pope’s blessing to develop these ideas further in johan-bonnyBrazil. In Belgium, Bishop Johan Bonny (at left)was the loudest voice to advocate changes in the teachings on marriage, both before and after the Synod. At the Synod, Belgian Cardinal Danneels spoke in favour of mercy, but did not go as far as Bishop Bonny. In the Netherlands, Bishop Rob Mutsaerts explained that the Synod was not about changing doctrine, and Bishop Gerard de Korte stressed the importance of mercy and finding new words to reach people. How doctrine can change remains an important question.

Limburg

tebartzSpilling over from last year, the final acts of the case of Bishop Franz-Peter Tebartz-van Elst (at right) and the Diocese of Limburg played out as it became clear that the Vatican did not want the bishop to stay. He was to retire and Bishop Manfred Grothe, auxiliary bishop of neighbouring Paderborn was appointed as Apostolic Administrator. The last statement of Bishop Tebartz-van Elst spoke of forgiveness and a new beginning. Bishop Grothe presented an overview of the situation since then in his letter for Advent.

Sexual abuse

gijsenThe sexual abuse crisis, while quieter than in the past, still continues, with a few shocking revelations and continuing developments in helping the victims. In 2014, three claims of abuse against the late Bishop Gijsen (at left) were deemed plausible, and the late Bishop Niënhaus, auxiliary of Utrecht, was revealed to have been guilty of sexual abuse. Shortly after the news about Bishop Gijsen, Bishop Frans Wiertz of Roermond offered a Mass of penance and reconciliation and said that there is no excuse for sexual abuse by people of the Church. Later, a court decision forced the bishops to continue accepting new claims of abuse by deceased perpetrators, or cases which happened too long ago to be pursued by a court, until well into 2015.

International events

frans van der lugtThis blog has a clear focus on the local Church in Northwestern Europe, and also on Rome of course, but sometimes events in other parts of the world deserve a place here. In fact, the most-read blog post of the year, with more than 3,900 views, is in this category. It is the sad news of the death of Fr. Frans van der Lugt (at right) in Syria. Another death, this time because of a car crash, was vital wilderinkthat of Dutch-born Bishop Vital Wilderink (at left) in Brazil. Also in South America, the retirement of the Bishop of Paramaribo, also a Dutchman, mad me wonder of his successor would be a native son of Suriname. And then there was the shocking crash of flight MH17 in Ukraine, shot down by rebels, killing 298 people.

From Rome

marriageAnd lastly, Rome also had its say in various developments and decisions which came down to us. The Congregation or Divine Worship urged for restraint in the sign of peace during Mass, Pope Francis married 20 Roman couples and changes in the Curia gave some indications of the future.

Obituaries

In 2014 the following cardinals returned to the Father:

  • José da Cruz Cardinal Policarpo, Cardinal-priest of San Antonio in Campo Marzio, Patriarch emeritus of Lisbon
  • Emmanuel III Cardinal Delly, Cardinal-Patriarch, Patriarch emeritus of Babylon of the Chaldeans
  • Marco Cardinal Cé, Cardinal-Priest of San Marco, Patriarch emeritus of Venice
  • Duraisamy Simon Cardinal Lourdusamy, Cardinal-Priest of Santa Maria della Grazie alle Fornaci fuori Porta Cavalleggeri, Prefect emeritus of the Congregation for the Oriental Churches and Archbishop emeritus of Bangalore
  • Bernard Cardinal Agré, Cardinal-Priest of San Giovanni Crisostomo a Monte Sacro Alto, Archbishop emeritus of Abidjan
  • Francesco Cardinal Marchisano, Cardinal-Priest of Santa Lucia del Gonfalone, President emeritus of the Labour Office of the Apostolic See
  • Edward Bede Cardinal Clancy, Cardinal-Priest of Santa Maria in Vallicella, Archbishop emeritus of Sydney
  • Edmund Casimir Cardinal Szoka, Cardinal-Priest of Santi Andrea e Gregorio  al Monte Celio, Archbishop emeritus of Detroit, President emeritus of the Governorate of the Vatican City State, President emeritus of the Pontifical Commission or the Vatican City State
  • Fiorenzo Cardinal Angelini, Cardinal-Priest of Santo Spirito  in Sassia, President emeritus of the Pontifical Council for Health Care Workers
  • Jorge María Cardinal Mejía, Cardinal-Priest of San Girolamo della Carità, Librarian emeritus of the Vatican Apostolic Library and Archivist emeritus of the Vatican Secret Archives

Whereas 2013 saw the death of more than a few bishops in Northwestern Europa, in 2014 we lost only two:

  • Bishop Hubert Luthe, Bishop emeritus of Essen
  • Bishop Wolfgang Kirchgässner, Titular Bishop of Druas, Auxiliary Bishop emeritus of Freiburg im Breisgau

As the rumours continue, Cardinal Sarah comes to the CDW

cardinal_robertsarahThe first ripple of an expected major shake-up of the Curia arrived today, as Pope Francis appointed a new prefect of the Congregation for Divine Worship and the Discipline of the Sacrament, the dicastery that oversees all expressions of worship in the Church, most importantly the liturgy, as well as the sacraments. He is Cardinal Robert Sarah, the Guinean prelate who was once one of the youngest bishops ever, as St. Pope John Paul II appointed him Archbishop of Conakry at the age of just 34 in 1979.

Cardinal Sarah follows in the footsteps of Cardinal Antonio Cañizares Llovera, wh returned to his native Spain as Archbishop of Valencia in August, but perhaps even more so in those of Cardinal Francis Arinze, who led the Congregation from 2002 to 2008. Cardinal Sarah is the second African to lead this office since it was created as the Sacred Congregation of Rites in 1588.

Cardinal Sarah previously led the Pontifical Council “Cor Unum”, which coordinates the Church’s efforts in aid and charity, and which is expected to be merged with various other dicasteries soon. Pope Benedict XVI made him a cardinal in 2010. Before that, Cardinal Sarah was the Archbishop of Conakry in Guinea from 1979 to 2001 and Secretary of the Congregation for the Evangelisation of Peoples from 2001 to 2010.

The appointment of Cardinal Sarah is unavoidably notable in the light of the Synod of Bishops and the impression of Pope Francis’ priorities. Cardinal Sarah, like many of his African colleagues, has little time for deviations of the Church’s  teaching nor, especially important in his new function, for the western tendency for liturgical experimentation.

For the Congregation for Divine Worship, or CDW for short, this means the start of a new era in leadership. After the departure of Cardinal Cañizares, the Congregation also saw two of its undersecretaries, British Father Anthony Ward and Spanish Msgr. Juan Miguel Ferrer Grenesche, resign, leaving only the secretary, English Archbishop Arthur Roche. Pope Francis did appoint a new undersecretary, Italian Fr. Corrado Maggioni, earlier this month, and with Cardinal Sarah the Congregation seems to be off to a new and refreshed start.

Cardinal Sarah is a hands-on kind of man, and in his previous duties for “Cor Unum” he frequently travelled to those places where the Church’s aid was most needed. In the photo below he is seen visiting the Philippines after Typhoon Yolanda hit last year. The upcoming papal visit, by the way, was in part inspired by the same disaster.

sarah

Cardinal Sarah’s name was not among those most frequently mentioned for the CDW top spot. Many were the fears that the position would go to Archbishop Piero Marini, erstwhile MC for St. John Paul II and the first years of Benedict XVI and generally considered rather a liberal. It just goes to show that the eyes and focus of Pope Francis are elsewhere, on the world’s peripheries, and the young and growing Church of Africa may yet harbour more surprises.

Francis shakes up the house as Cañizares comes home

Canizares-XIn what could be called the most significant shakeup of the Curia since his pontificate began, Pope Francis today appointed Cardinal Antonio Cañizares Llovera as the new archbishop of his native Valencia. This leaves the Congregation for Divine Worship and the Discipline of the Sacraments – which the cardinal headed since late 2008 – vacant, which is unusual in itself. Curial congregations usually only fall vacant when a sitting prefect dies. Reassignments are usually carefully planned so that when a prefect goes, his successor is already waiting in the wings.

To date, Pope Francis has not busied himself too much with reassigning the prefects and president of the dicasteries of the Curia. 17 months in, the Holy Father appointed Cardinal Parolin as Secretary of State, Cardinal Pell as Secretary for the Economy, Cardinal Piacenza as Major Penitentiary and Cardinal Stella as Clergy prefect. Divine Worship and Sacraments has one of the most important mandates in the Curia, perhaps comparable only to the Congregation for  the Doctrine of the Faith in that it has direct influence on practice and understanding of the faith. Add to that the fact that it is extremely rare for Cardinal-prefects to leave the Curia for an appointment in an (arch)diocese (There is a single precedent from 2006 when Cardinal Crescenzio Sepe went from the Congregation for the Evangelisation of Peoples to Naples).

benedict cañizaresAs for his successor, the name of Archbishop Piero Marini continues being named. The erstwhile master of ceremonies under Pope Saint John Paul II and Benedict XVI from 1987 to 2007 today heads the Pontifical Committee for International Eucharistic Congresses. As MC he was responsible for organising (and making significant stylistic choices for) the liturgical celebrations of the Pope, a task now performed by Msgr. Guido Marini, who is not related to the archbishop. Many have expressed serious concerns about the possibility that Archbishop Marini may succeed Cardinal Cañizares Llovera. Whereas the latter is known as the ‘little Ratzinger’ (shown above with ‘big’ Ratzinger), sharing the Pope emeritus’ focus on the Second Vatican Council as being in continuity with the past, Marini advocates it as a radical break with the past. And this shows in his liturgical choices.

Cardinal Cañizares Llovera’s appointment to Valencia is part of a chain of events that begins with the retirement of the Archbishop of Madrid. Aged 78, Cardinal Antonio Rouco Varela is well beyond retirement age and completes 20 years in the Spanish capital. His successor was generally expected to be Cardinal Cañizares Llovera, but he may have chosen not to accept an appointment to the demands of Spain’s largest diocese, instead accepting the smaller Valencia, which also happens to be his native archdiocese (he was a priest of Valencia from 1970 to 1992). Valencia own Archbishop Carlos Osoro Sierra goes to Madrid in his stead, although not as a second choice. Archbishop Osoro Sierra has been compared to Pope Francis himself, a man of practical faith and shepherding from the trenches, so to speak.

For both the cardinal and the archbishop, their new appointments are to their third archdioceses: Cardina Cañizares Llovera was archbishop of Granada and Toledo before going to Rome, and Archbishop Osoro Sierra headed Oviedo and then Valencia, and now Madrid. Below are full overviews of the ecclesiastic paths of all three players in this tale:

Antonio Cardinal Cañizares Llovera (68)

  • Priest of the Archdiocese of Valencia from 1970 to 1992
  • Bishop of Ávila from 1992 to 1996
  • Archbishop of Granada from 1996 to 2002
  • Archbishop of Toledo from 2002 to 2008
  • Vice-President of the Spanish Bishops’ Conference from 2005 to 2008
  • Created cardinal, with the title church of San Pancrazio, in 2006
  • Prefect of the Congregation for Divine Worship and the Discipline of the Sacraments from 2008 to 2014
  • Archbishop of Valencia since 2014

Archbishop Carlos Osoro Sierra (69)

  • Priest of Santander from 1973 to 1996
  • Bishop of Orense from 1996 to 2002
  • Archbishop of Oviedo from 2002 to 2009
  • Archbishop of Valencia from 2009 to 2014
  • Vice-President of the Spanish Bishops’ Conference since 2014
  • Archbishop of Madrid since 2014

Antontio María Cardinal Rouco Varela (78)

  • Priest of Mondoñedo-Ferrol from 1959 to 1976
  • Auxiliary Bishop of Santiago de Compostela, and titular bishop of Gergis, a from 1976 to 1984
  • Archbishop of Santiago de Compostela from 1984 to 1994
  • Archbishop of Madrid from 1994 to 2014
  • Created cardinal, with the title church of San Lorenzo in Damaso, in 1998
  • President of the Spanish Bishops’ Conference from 1999 to 2005 and from 2008 to 2014
  • Member of the Council of Cardinals for the Study of Organisational and Economic Problems of the Apostolic See from 2004 to 2014

 Photo credit: [2] Osservatore Romano