Robert Kardinaal Sarah: “Naar een authentieke toepassing van Sacrosanctum Concilium”

This is a Dutch translation of Cardinal Robert Sarah’s address on the first day of the Sacra Liturgia conference, held in London from 5 to 8 July. This translation is based on the text as released via the Sacra Liturgia Facebook page. It is not a complete transcript of what Cardinal Sarah said. This is expected to be released sometime next week, after the cardinal has added a few points once he returns to Rome. In due time, this address, as well as the conference’s other papers, will be published in book form.


Dit is een Nederlandse vertaling van de toespraak die Kardinaal Robert Sarah heeft gegeven op de eerste dag van de Sacra Liturgia conferentie, gehouden in Londen van 5 tot 8 juli. Deze vertaling is gebasseerd op de tekst zoals die op de Facebook-pagina van Sacra Liturgia werd gepubliceerd. Het is geen volledige transcriptie van wat Kardinaal Sarah heeft gezegd. Het is de verwachting dat deze in de loop van de komende week wordt uitgegeven, zodra de kardinaal een aantal punten toe heeft kunnen voegen na zijn terugkeer naar Rome. Uiteindelijk zal deze toespraak, samen met alle andere die tijdens de conferentie gehouden zijn, in boekvorm uitgegeven worden.

TOESPRAAK VAN ZIJNE EMINENTIE ROBERT KARDINAAL SARAH:
“NAAR EEN AUTHENTIEKE TOEPASSING VAN SACROSANCTUM CONCILIUM”

IMG_7842

Ik wil in de eerste plaats mijn dank uitspreken aan Zijne Eminentie Vincent Kardinaal Nichols, voor zijn welkom in het Aartsbisdom Westminster en zijn vriendelijke begroetingswoorden. Eveneens wil ik Zijne Excellentie Bisschop Dominique Rey, bisschop van Fréjus-Toulon, danken voor zijn uitnodiging om hier met u aanwezig zijn bij de derde internationale “Sacra Liturgia” conferentie, en vanavond de openingstoespraak te presenteren. Uwe Excellentie, ik feliciteer u met dit internationale initiatief ter bevordering van de studie van het belang van liturgische vorming en viering in het leven en de missie van de Kerk.

In deze toespraak wil ik een aantal overwegingen aan u voorleggen over hoe de westerse Kerk naar een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium kan toewerken. Hiermee wil ik de vraag stellen: “Wat hadden de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie voor ogen met de liturgische hervorming?” Daarna wil ik bespreken hoe hun bedoelingen na het Concilie zijn toegepast. Uiteindelijk zou ik u een aantal voorstellen willen voorleggen over het liturgisch leven van de Kerk vandaag, zodat onze liturgische praktijk de bedoelingen van de Concilievaders beter kan weergeven.

Het is volgens mij overduidelijk dat de Kerk leert dat de katholieke liturgie de unieke bevoorrechte locus is van het verlossende handelen van Christus in onze huidige wereld, door middel van werkelijke participatie waarin wij Zijn genade en kracht ontvangen die zo nodig zijn voor onze volharding en groei in het christelijk leven. Het is de goddelijke vastgestelde plaats waar wij onze plicht tot het aanbieden van een offer, het Ene Ware Offer, aan God komen vervullen. Het is waar we onze diepgaande behoefte om God te aanbidden verwerkelijken. Katholieke liturgie is iets heiligs, iets dat door haar aard heilig is. Katholieke liturgie is geen gewone menselijke samenkomst.

Ik wil hier een zeer belangrijk feit onderstrepen: God, niet de mens, staat in het hart van de katholieke liturgie. We komen om Hem te aanbidden. De liturgie gaat niet om jou of mij; we vieren er niet onze eigen identiteit of prestaties, verheerlijken of promoten er niet onze eigen cultuur of plaatselijke religieuze gewoontes. De liturgie draait in de allereerste plaats om God en wat Hij voor ons gedaan heeft. In Zijn Goddelijke Voorzienigheid heeft de Almachtige God de Kerk gesticht en de heilige liturgie ingesteld waarmee wij Hem ware aanbidding kunnen opdragen in overeenstemming met het Nieuwe Verbond dat Christus gebracht heeft.Hierdoor, door het binnengaan van de vereisten van de heilige riten die in de traditie van de Kerk zijn ontwikkeld, krijgen wij onze ware identiteit en betekenis als zonen en dochters van de Vader.

Het is van essentieel belang dat we dit specifieke karakter van de katholieke eredienst begrijpen, want in recente decennia hebben we vele liturgische vieringen gezien waarin mensen, persoonlijkheid en menselijke prestaties te prominent aanwezig waren, bijna tot uitsluiting van God. Zoals Kardinaal Ratzinger ooit schreef: “Als de liturgie in de eerste plaats een werkplaats voor ons eigen handelen lijkt, dan wordt het essentiële vergeten: God. Het vergeten van God is het meest dreigende gevaar van onze tijd” (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 593). 

We moeten volkomen duidelijk zijn over de aard van de katholieke eredienst als we de Constutitie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie op de juiste wijze willen lezen en als we deze getrouw willen uitvoeren.

Al vele jaren voor het Concilie, in zowel missielanden als in de meer ontwikkelde gebieden, was er veel discussie over de mogelijkheid om het gebruik van de volkstalen in de liturgie uit te breiden, vooral voor de lezingen uit de Heilige Schrift, alsook voor een aantal andere onderdelen van het eerste deel van de Mis (wat we nu de “dienst van het Woord” noemen) en de liturgische zang. De Heilige Stoel had al meerdere keren toestemming gegeven voor het gebruik van de volkstaal in het toedienen van de sacramenten. Dit is de context waarin de Concilievaders spraken over de mogelijke positieve oecumenische of missionaire gevolgen van liturgische hervorming. Het is waar dat de volkstaal een positieve plaats heeft in de liturgie. Hier zochten de Vaders naar, niet naar de protestantisering van de Heilige Liturgie of instemmend met haar onderwerping aan een valse inculturisatie.

Ik ben een Afrikaan. Laat me dit duidelijk maken: de liturgie is niet de plaats om mijn cultuur te promoten. Het is veeleer de plaats waar mijn cultuur gedoopt wordt, waar mijn cultuur in het goddelijke wordt opgenomen. Door de liturgie van de Kerk (die missionarissen door heel de wereld hebben meegedragen) spreekt God tot ons, verandert Hij ons en stelt ons in staat deel te nemen in Zijn goddelijk bestaan. Als iemand christen wordt, als iemand in volledige eenheid met de katholieke kerk komt, ontvangt hij iets meer, iets dat hem verandert. Zeker, culturen en andere christenen brengen gaven met zich mee in de Kerk – de liturgie van de Ordinariaten voor Anglicanen die nu in volle eenheid met de Kerk zijn is hier een prachtig voorbeeld van. Maar zij brengen deze gaven met nederigheid, en de Kerk, in haar moederlijke wijsheid, maakt er gebruik zoals zij dat goed acht.

Eén van de duidelijkste en mooiste uitdrukking van de bedoelingen van de Concilievaders is te vinden aan het begin van het tweede hoofdstuk van de Constitutie, dat het mysterie van de Hoogheilige Eucharistie behandelt. In nummer 48 lezen we:

“Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan de tafel van ‘s Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem, en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte Gods alles in allen moge zijn.”

Broeders en zusters, dit is wat de Concilievaders wilden. Jazeker, ze discussieerden en stemden over specifieke manieren om hun bedoelingen toe te passen. Maar laat ons glashelder zijn: de rituele hervormingen in de Constitutie, zoals het herstel van het gebed van de gelovigen tijdens de Mis (n. 53), de uitbreiding van de concelebratie (n. 57) of een aantal van haar beleidslijnen zoals de vereenvoudiging verlangd in nummers 34 en 50, zijn alle ondergeschikt aan de fundamentele bedoelingen van de Concilievaders die ik zojuist heb omschreven. Het zijn middelen tot een doel, en het is het doel dat wij moeten behalen.

Als we naar een authentiekere toepassing van Sacrosanctum Concilium willen toewerken, dan moeten we op de allereerste plaats deze einddoelen in het oog houden. Misschien dat, als we ze met een frisse blik en met het voordeel van de ervaring van de laatste vijf decennia bestuderen, we sommige rituele hervormingen en bepaalde liturgische beleidslijnen in een ander licht zullen zien. Als sommige van deze nu moeten worden heroverwogen, om zo “het christelijk leven onder de gelovigen steeds hoger op te voeren” en “alle mensen tot de Kerk te roepen”, laat ons dan de Heer vragen ons de liefde en de nederigheid en wijsheid te schenken om dit te doen.

Ik noem deze mogelijkheid om opnieuw naar de Constitutie en de hervorming die volgde op de publicatie ervan te kijken, omdat ik niet denk dat we vandaag zelfs ook maar de eerste paragraaf van Sacrosanctum Concilium eerlijk kunnen lezen en tevreden kunnen zijn dat we de doelstellingen ervan hebben bereikt. Broeders en zusters, waar zijn de gelovigen waarover de Concilievaders spraken? Vele gelovigen zij nu ongelovig: ze komen helemaal niet meer naar de liturgie. In de woorden van de heilige Johannes Paulus II: vele christenen leven in een staat van “stille afvalligheid;” zij “leven alsof God niet bestaat” (Apostolische Exhortatie Ecclesia in Europa, 28 juni 2003, 9). Waar is de eenheid die het Concilie hoopte te bereiken? We hebben het nog niet bereikt. Hebben we werkelijk vooruitgang geboekt in het roepen van alle mensen tot de Kerk? Ik denk het niet. En toch hebben we heel veel in de liturgie gedaan!

In mijn 47 jaar als priester en na meer dan 36 jaar aan bisschoppelijk dienstwerk kan ik verklaren dat vele katholieke gemeenschappen en individuen de liturgie, zoals hervormd na het Concilie, met geestdrift en vreugde leven en vieren, en er veel van, zo niet al, het goede uit halen dat de Concilievaders verlangden. Dit is een grote vrucht van het Concilie. Maar uit mijn ervaring – nu ook als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten – weet ik ook dat er vele vervormingen van de liturgie in heel de Kerk van vandaag bestaan, en er zijn vele situaties die verbeterd kunnen worden zodat de doelstellingen van het Concilie behaald kunnen worden. Voor ik over een aantal mogelijke verbeteringen spreek, laten we bedenken wat er gebeurde na de publicatie van de Constitutie over de Heilige Liturgie.

Terwijl het officiele hervormingswerk plaatsvondt ontstonden er een aantal zeer ernstige verkeerde interpretaties van de liturgie en deze schoten wortel in verschillende plaatsen in de wereld. Deze misbruiken van de Heilige Liturgie ontwikkelden zich vanwege een foutief begrip van het Concilie en resulteerden in liturgische vieringen die subjectief waren en meer gericht op de verlangens van de individuele gemeenschap dan op de offerdienst van de Almachtige God. Mijn voorganger als Prefect van de Congregatie, Francis Kardinaal Arinze, noemde dit ooit eens “de doe-het-zelf Mis”. De heilige Johannes Paulus II vond het zelfs noodzakelijk het volgende te schrijven in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003):

“Deze dienst van de verkondiging van de kant van het Leergezag heeft een antwoord gekregen in de innerlijke groei van de christelijke gemeente. Zonder twijfel heeft de liturgiehervorming van het Concilie in hoge mate bijgedragen aan een bewustere, actievere en vruchtbaarder deelname aan het heilig Offer van het Altaar van de kant van de gelovigen. Op veel plaatsen is Aanbidding van het Allerheiligst Sacrament ook een belangrijke dagelijkse praktijk en wordt een onuitputtelijke bron van heiligheid. De vrome deelname van de gelovigen aan de eucharistische processie op Sacramentsdag is een genade van de Heer die ieder jaar vreugde brengt aan hen die eraan deelnemen. Andere positieve tekenen van geloof in en liefde voor de Eucharistie zouden nog genoemd kunnen worden.

Helaas is er naast dit licht ook schaduw. Op sommige plaatsen is de praktijk van de eucharistische Aanbidding vrijwel volledig verwaarloosd. In verschillende delen van de Kerk zijn misbruiken opgetreden, die lijden tot verwarring met betrekking tot het gezonde geloof en de katholieke leer ten aanzien van dit wonderbaarlijke Sacrament. Soms komt men een uiterst verengd begrip van het eucharistische mysterie tegen. Beroofd van zijn betekenis als offer wordt het gevierd als ware het eenvoudigweg een broederlijke maaltijd. Daarenboven wordt van tijd tot tijd de noodzaak van het ambtelijke priesterschap dat wortelt in de apostolische opvolging verduisterd en de sacramentaliteit van de Eucharistie wordt teruggebracht tot louter werkdadigheid in de verkondiging. Dit heeft hier en daar geleid tot oecumenische initiatieven die hoewel edel in hun motieven, toegeven aan eucharistische praktijken die in tegenspraak zijn met de discipline waarmee de Kerk haar geloof uitdrukt. Kunnen wij anders dan onze diepe droefheid over dit alles uitdrukken? De Eucharistie is een te groot geschenk dan dat wij dubbelzinnigheid en verschraling van de betekenis zouden kunnen dulden.

Ik vertrouw erop dat deze encycliek er effectief aan kan bijdragen om de schaduwen van onaanvaardbare doctrines en praktijken te verdrijven, opdat de Eucharistie verder moge stralen in heel de glans van haar mysterie (n. 10).”

Hier bestond ook een pastorale werkelijkheid: om goede redenen of niet, sommige mensen konden of wilden niet deelnemen aan de hervormde riten. Zij bleven weg of namen alleen deel aan de niet-hervormde liturgie waar ze die konden vinden, zelfs als de viering ervan niet was toegestaan. Zo werd de liturgie een uitdrukking van verdeeldheid in de Kerk, in plaats van één van katholieke eenheid. Het Concilie wilde niet dat de liturgie ons van elkaar scheidde! De heilige Johannes Paulus II werkte aan het genezen van deze verdeling, met de hulp van Kardinaal Ratzinger die, als Paus Benedictus XVI, de nodige interne verzoening in de Kerk wilde faciliteren door in zijn Motu Proprio Summorum Pontificum (7 juli 2007) te bepalen dat de oudere vorm van de Romeinse ritus zonder beperkingen beschikbaar moet zijn voor die individuen en groepen die uit haar rijkdom willen putten. In Gods Voorzienigheid is het nu mogelijk onze katholieke eenheid te vieren met respect voor, en zelfs vreugde in, een legitieme diversiteit van de rituele praktijk.

We mogen dan een hele nieuwe, moderne liturgie in de volkstaal hebben opgebouwd, maar als we niet de juiste basis hebben gelegd – als onze seminaristen en geestelijkheid niet “diep doordrongen zijn van de geest en de kracht van de liturgie”, zoals het Concilie vroeg – dan kunnen zij zelf de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd niet vormen. We moeten de woorden van het Concilie zelf zeer serieus nemen: het zou “kansloos” zijn te hopen op een liturgische vernieuwing zonder een grondige liturgische vorming. Zonder deze essentiële vorming zouden geestelijken zelfs schade toebrengen aan het geloof van mensen in het eucharistisch mysterie.

Ik wil niet bovenmatig pessimistisch overkomen, en ik zeg nogmaals: er zijn vele, vele gelovige mannelijke en vrouwelijke leken, vele geestelijken en religieuzen voor wie de liturgie zoals hervormd na het Concilie een bron van veel geestelijke en apostolische vruchten is, en daar dank ik de Almachtige God voor. Maar ik denk dat u het met mij eens zal zijn, zelfs op basis van mijn korte analyse hierboven, dat we beter kunnen doen, zodat de Heilige Liturgie werkelijk de bron en het hoogtepunt van het leven en de missie van de Kerk wordt, nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals de Concilievaders zozeer verlangden.

Gezien de fundamentele verlangens van de Concilievaders en de verschillende situaties die na het Concilie zichtbaar zijn geworden, zou ik een aantal praktische overwegingen willen presenteren over hoe we Sacrosanctum Concilium vandaag beter kunnen toepassen. Ook al dien ik als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, ik doe dit in alle nederigheid als een priester en een bisschop in de hoop dat dit een volwassen reflectie en studie en goed liturgisch handelen in heel de Kerk zal bevorderen.

Het zal geen verrassing zijn wanneer ik zeg dat we in de eerste plaats de kwaliteit en diepgang van onze liturgische vorming moeten onderzoeken, hoe we de geest en kracht van de liturgie overbrengen op onze geestelijken, religieuzen en lekengelovigen. Te vaak nemen we aan dat onze wijdingskandidaten voor het priesterschap of het permanente diaconaat genoeg over de liturgie “weten”. Maar het Concilie drong hierin niet aan op kennis, hoewel de Constitutie natuurlijk het belang van liturgiestudie onderstreepte (zie n. 15-17). Nee, de eerste en essentiële liturgische vorming is meer een onderdompeling in de liturgie, in het diepe mysterie van God, onze liefhebbende Vader. Het is een kwestie van de liturgie beleven in al haar rijkdom, zodat we, na gedronken te hebben uit haar bron, altijd dorsten naar haar verrukkingen, haar orde en schoonheid, haar stilte en bezinning, haar verheerlijking en aanbidding, haar vermogen ons ten diepste te verbinden met Hem die in en door de riten van de Kerk werkt.

Als we hier zorg voor dragen, als onze nieuwe priesters en diakens werkelijk dorsten naar de liturgie, zullen zij op hun beurt in staat zijn degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te vormen – zelfs als de liturgische situatie en mogelijkheden van hun kerkelijke missie bescheidener zijn dan die van het seminarie of de kathedraal. Ik weet van vele priesters in zulke omstandigheden die hun mensen vormen in de geest en kracht van de liturgie, en wier parochies voorbeelden zijn van grote liturgische schoonheid. We moeten niet vergeten dat waardige eenvoud niet hetzelfde is als reductief minimalisme of een verwaarloosde en vulgaire stijl. Zoals onze Heilige Vader, Paus Franciscus, leert in zijn Apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium: “De Kerk evangeliseert en evangeliseert zichzelf met de schoonheid van de liturgie, die ook viering is van de evangeliserende activiteit en bron van een hernieuwde impuls tot zelfgave.” (n. 24)

Ten tweede denk ik dat het zeer belangrijk is dat we duidelijk zijn over de aard van liturgische participatie, van de participatio actuosa waar het Concilie toe opriep. Hierover is veel verwarring geweest in de laatste decennia. Nummer 48 van de Constitutie zegt: De Kerk wil “dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling.” Het Concilie beschouwt participatie als voornamelijk intern, voortkomend uit een goed begrip van de riten en gebeden. Zeker, de Concilievaders vragen de gelovigen te zingen, de priester te antwoorden, liturgische taken op zich te nemen die rechtmatig de hunne zijn, maar staan erop dat allen zich bewust zijn van wat ze doen, “godvruchtig en actief”.

Als we het belang van de internisalisatie van onze liturgische participatie begrijpen zullen we het luidruchtige en gevaarlijke liturgische activisme, dat in de laatste decennia zo prominent aanwezig is geweest, vermijden. We gaan niet naar de liturgie om op te treden, om dingen te doen zodat anderen het kunnen zien: we gaan om verbonden te worden met het handelen van Christus door een internalisatie van de uitwendige liturgische riten, gebeden, tekenen en symbolen. Wellicht dat degenen die geroepen zijn tot liturgisch dienstwerk dit zich beter moeten herinneren dan anderen! Maar we moeten anderen ook vormen, in het bijzonder onze kinderen en jonge mensen, in de ware betekenis van liturgische participatie, in de ware manier om de liturgie te bidden.

Ten derde, ik heb gesproken over het feit dat een aantal hervormingen die na het Concilie zijn ingevoerd mogelijk zijn samengesteld volgens de tijdsgeest en dat er een groeiende hoeveelheid studie door trouwe zonen en dochters van de Kerk is geweest, waarin wordt gevraagd of wat was ingevoerd werkelijk de doelstellingen van de Constitutie toepaste, of dat ze er in werkelijkheid aan voorbij gingen. Deze studie vindt soms plaats onder de noemer “hervorming van de hervorming” en ik weet dat EH Thomas Kocik over deze kwestie een doorwrochte studie heeft gepresenteerd tijdens de Sacra Liturgia conferentie in New York, een jaar geleden.

Ik denk niet dat we de mogelijkheid of de wenselijkheid van een officiële hervorming van de liturgische hervorming kunnen afwijzen, omdat haar voorstanders een aantal belangrijke beweringen doen in hun pogingen trouw te zijn aan de nadruk van het Concilie in nummer 23 van de Constitutie “om de gezonde traditie te bewaren en toch de weg te openen voor een gewettigde vooruitgang”, en dat “vernieuwingen niet plaats hebben, tenzij deze door een werkelijk en duidelijk nut van de Kerk worden vereist, waarbij men er op dient te letten, dat de nieuwe vormen als het ware organisch voortkomen uit de reeds bestaande vormen.”

Ik kan meedelen dat, toen ik afgelopen april door de Heilige Vader in audiëntie werd ontvangen, Paus Franciscus mij vroeg de kwestie van een hervorming van een hervorming te bestuderen en hoe beide vormen van de Romeinse ritus te verrijken. Dat zal een fijngevoelig werk zijn en ik vraag om uw geduld en gebed. Maar als we Sacrosanctum Concilium beter willen toepassen, als we willen bereiken wat het Concilie verlangde, dan is dit een serieuze kwestie die zorgvuldig moet worden bestudeerd en behandeld met de nodige duidelijkheid en voorzichtigheid.

Wij priesters, wij bisschoppen dragen een grote verantwoordelijkheid. Hoe leidt ons goede voorbeeld tot goed liturgisch handelen; hoe kwetst onze onachtzaamheid of wangedrag de Kerk en haar heilige liturgie!

Wij priesters moeten in de allereerste plaats aanbidders zijn. Onze mensen zien het verschil tussen een priester die met geloof viert en één die haastig viert, veel op zijn horloge kijkt, bijna alsof hij zo snel mogelijk weer terug naar de televisie wil! Priesters, we kunnen niets belangrijkers doen dan de heilige mysteries te vieren: laten we oppassen voor de verleiding van liturgische luiheid, want dat is een verleiding van de duivel.

We moeten onthouden dat wij niet de makers van de liturgie zijn. Wij zijn haar nederige bedienaars, onderworpen aan haar discipline en wetten. Wij hebben ook de verantwoordelijkheid om degenen die ons bijstaan in liturgische functies te vormen in zowel de geest en kracht van de liturgie en zeker ook haar regels. Ik heb soms priesters een stap terug doen zetten om buitengewone bedienaars de Heilige Communie uit te laten delen: dit is fout, het is een ontkenning van het priesterlijk dienstwerk evenals een klerikalisering van de leken. Wanneer dit gebeurt is het een teken dat de vorming verkeerd is gegaan, en dat het gecorrigeerd moet worden.

Ik heb ook priesters en bisschoppen gezien die, gekleed om de Heilige Mis te vieren, telefoons en camera’s tevoorschijn haalden en in de heilige liturgie gebruikten. Dit is een verschrikkelijke aanklacht tegen het begrip dat zij hebben over wat ze doen als ze de liturgische gewaden aantrekken, dus zich als een alter Christus kleden – en nog meer, als ipse Christus, als Christus zelf. Dit is heiligschennis. Geen bisschop, priester of diaken die is gekleed voor het liturgisch dienstwerk of aanwezig op het priesterkoor moet foto’s nemen, zelfs niet tijdens grote geconcelebreerde Missen. Dit priesters dit vaak doen tijdens zulke Missen, of met elkaar praten of nonchalant zitten, is volgens mij een teken dat wij opnieuw moeten nadenken over de gepastheid van deze Missen, vooral als het priesters aanzet tot zulk schandalig gedrag dat het gevierde mysterie zo onwaardig is, of als de grootte van deze geconcelebreerde vieringen tot het risico van ontheiliging van de heilige Eucharistie leidt.

Ik wil een beroep doen aan alle priester. U heeft misschien mijn artikel in L’Osservatore Romano van een jaar geleden (12 juni 2015) gelezen, of mijn interview met het tijdschrift Famille Chrétienne in mei van dit jaar. Bij beide gelegenheden heb ik gezegd dat ik denk dat het heel belangrijk is dat we zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting, van priesters en gelovigen samen in dezelfde richting – naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt, in die delen van de liturgische riten waarin we ons tot God richten. Dit is toegestaan onder de huidige liturgische regels. Het is volledig legitiem in de moderne ritus. Ik denk dat het een heel belangrijke stap is om te verzekeren dat in onze vieringen de Heer werkelijk in het centrum staat.

En dus, beste priesters, vraag ik u dit waar mogelijk toe te passen, voorzichtig en met de nodige catechese, zeker, maar ook met het zelfvertrouwen van een herder dat dit iets goeds is voor de Kerk, iets goeds voor onze mensen. Uw eigen pastorale oordeel zal bepalen hoe en wanneer dit mogelijk is, maar wellicht is de eerste zondag van de Advent van dit jaar, wanneer we uitkijken naar “de Heer die zal komen” en “die niet aarzelt”, een hele goede tijd om dit te doen. Beste priesters, we zouden opnieuw moeten luisteren naar de klaagzang van God zoals verkondigd door de profeet Jeremia: “ze hebben Mij de rug toegekeerd” (2:27). Laat ons weer naar de Heer terugkeren!

Ik zou ook een beroep willen doen op mijn broeders bisschoppen: leidt u alstublieft uw priesters en mensen op deze manier naar de Heer, in het bijzonder in grote vieringen in uw bisdommen en in uw kathedraal. Vorm uw seminaristen alstublieft in de werkelijkheid dat we niet tot het priesterschap geroepen zijn om zelf in het hart van de liturgische eredienst te staan, maar om de gelovigen van Christus als medegelovigen naar Hem te leiden. Maak deze eenvoudige maar diepgaande hervorming alstublieft mogelijk in uw bisdommen, uw kathedralen, uw parochies en uw seminaries.

Wij bisschoppen hebben een grote verantwoordelijkheid, en ooit zullen we ons voor de Heer moeten verantwoorden over ons beheer. Wij bezitten niets! Zoals de heilige Paulus ons leert, wij zijn slechts “helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen” (1 Kor. 4:1). Wij hebben de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de heilige werkelijkheid van de liturgie wordt gerespecteerd in onze bisdommen en dat onze priesters en diakens zich niet alleen aan de liturgische voorschriften houden, maar de geest en de kracht van de liturgie waaruit deze voortkomen kennen. Ik was zeer bemoedigd door het lezen van de presentatie getiteld “The Bishop: Governor, Promoter and Guardian of the Liturgical Life of the Diocese”, gegeven voor de Sacra Liturgia conferentie in Rome in 2013 door aartsbisschop Alexander Sample van Portland in Oregon in de VS, en ik raad mijn broeders bisschoppen op broederlijke wijze aan zijn overwegingen zorgvuldig te bestuderen.

Hier herhaal ik wat ik elders heb gezegd: dat Paus Franciscus mij heeft gevraagd het liturgisch werk voort te zetten dat Paus Benedictus begonnen is (zie: Boodschap aan Sacra Liturgia 2015, New York City). Het feit dat we een nieuwe paus hebben betekent niet dat de visie van zijn voorganger nu niet langer geldig is. Integendeel, zoals we weten heeft onze Heilige Vader Paus Franciscus het grootste respect voor de liturgische visie en maatregelen die Paus Benedictus heeft uitgevoerd in opperste trouw aan de wensen en doelstellingen van de Concilievaders.

Staat u mij, voor ik afrond, toe een aantal andere kleine manieren te noemen die ook bij kunnen dragen aan een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium. Eén daarvan is dat we de liturgie moeten zingen, we moeten de liturgische teksten zingen, met respect voor de liturgische tradities van de Kerk en ons verheugend in de schatkist aan gewijde muziek die de onze is, in het bijzonder die muziek die hoort bij de Romeinse ritus, het Gregoriaans. We moeten gewijde liturgische muziek zingen, en niet slechts religieuze muziek of, erger, wereldse muziek.

We moeten de juiste balans vinden tussen de volkstalen en het gebruik van het Latijn in de liturgie. Het Concilie heeft nooit de bedoeling gehad dat de Romeinse ritus volledig in de volkstaal gevierd zou worden. Maar het wilde wel een breder gebruik ervan toestaan, in het bijzonder voor de lezingen. Tegenwoordig zou het mogelijk moeten zijn, vooral door moderne druktechnieken, om voor ieder het begrijpen van het Latijn te vergemakkelijken, wellicht voor de liturgie van de Eucharistie, en dit is natuurlijk met name gepast bij internationale samenkomsten waar de plaatselijke volkstaal door velen niet verstaan wordt. En wanneer de volkstaal gebruikt wordt moet het natuurlijk een juiste vertaling van het originele Latijn zijn, zoals Paus Franciscus recent aan mij heeft bevestigd.


Tussenkomst van Bisschop Rey

Met grote vreugde hebben we vandaag gehoord dat onze Heilige Vader, Paus Franciscus, u heeft gevraagd een studie te beginnen van de liturgische hervorming na het Concilie, en mogelijkheden te verkennen van wederzijdse verrijking tussen de oudere en nieuwere vormen van de Romeinse ritus, oorspronkelijk besproken door Paus Benedictus XVI.

Uwe Eminentie, uw oproep dat wij “zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting” in onze liturgische vieringen, “naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt,” is een uitnodiging tot een radicale herontdekking van iets dat aan de wortel ligt van de christelijke liturgie. Het roept ons op om wederom te beseffen dat, in al onze liturgische vieringen, de christelijke liturgie in essentie gericht is op Christus, wiens komst wij met vreugdevolle hoop afwachten.

Uwe Eminentie, ik ben slechts één bisschop van één bisdom in het zuiden van Frankrijk. Maar als antwoord op uw oproep wil ik nu aankondigen dat, in ieder geval op de laatste zondag van de Advent van dit jaar, in mijn viering van de heilige Eucharistie in mijn kathedraal en bij andere gelegenheden zoals het past, ik ad orientem zal vieren – in de richting van de Heer die komt. Voor de Advent zal ik een brief schrijven aan mijn priesters en mensen over deze kwestie om mijn beslissing toe te lichten. Ik zal hen aanmoedigen mijn voorbeeld te volgen. Ik zal hen vragen mijn persoonlijke getuigenis, als eerste herder van het bisdom, te ontvangen in de geest van iemand die zijn volk wil oproepen om hierdoor het primaatschap van de genade in hun liturgische vieringen te herontdekken. Ik zal uitleggen dat deze verandering ons zal helpen de fundamentele aard van de christelijke eredienst te herinneren: dat het steeds op de Heer gericht moet zijn.


Kardinaal Sarah, Addendum

We moeten ervoor zorgen dat aanbidding het hart is van onze liturgische vieringen. Te vaak maken we niet de beweging van viering naar aanbidding, maar als we dat niet doen ben ik bang dat we niet altijd volledig intern hebben deelgenomen aan de liturgie. Twee lichaamshoudingen zijn hier nuttig, zelf onmisbaar. De eerste is stilte. Als ik nooit stil ben, als de liturgie mij geen ruimte geeft voor stil gebed en bezinning, hoe kan ik dan Christus aanbidden, hoe ik mij dan in mijn hart en ziel met Hem verbonden voelen? Stilte is zeer belangrijk, en niet alleen voor en na de liturgie.

Zo is ook het knielen bij de consecratie (tenzij ik ziek ben) van belang. In het westen is dit een lichamelijke handeling van aanbidding die ons nederig maakt voor onze Heer en God. Het is in zichzelf een gebedshandeling. Waar knielen en buigen uit de liturgie zijn verdwenen moeten ze worden teruggebracht, in het bijzonder in verband met het ontvangen van onze Heer in de heilige communie. Beste priesters, vorm uw mensen, waar mogelijk en met pastorale prudentie, zoals ik eerder zei, in deze prachtige handeling van aanbidding en liefde. Laat ons wederom neerknielen in aanbidding en liefde voor de Eucharistische Heer!

In verband met het geknield ontvangen van de heilige communie  wil ik verwijzen naar de brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten uit 2002, die duidelijk maakt dat “elke weigering van de Heilige Communie aan één van de gelovigen op basis van zijn of haar knielende houding is een ernstige overtreding van één van de meest fundamentele rechten van de christengelovigen” (Brief, 1 juli 2002, Notitiae, n. 437, nov-dec 2002, p. 583).

Het correct kleden van alle liturgische bedienaren op het priesterkoor, inclusief de lectoren, is ook van groot belang, wil dit dienstwerk als authentiek beschouwd worden en wil het uitgevoerd worden met het decorum passend bij de heilige liturgie – ook de bedienaren zelf dienen de juiste eerbied te tonen voor de mysteries die zij toedienen.

Dit zijn enkele voorstellen: ik ben er zeker van dat er vele andere gedaan kunnen worden. Ik leg ze u voor als mogelijke manieren om verder te gaan naar “de juiste manier om de liturgie innerlijk en uiterlijk te vieren”, dat natuurlijk het verlangen was dat Kardinaal Ratzinger aan het begin van zijn grootse werk, De Geest van de Liturgie, uitdrukte (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 4). Ik moedig u aan om alles te doen dat u kunt om dit doel te realiseren, dat volledig in overeenstemming is met dat van de Constitutie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie.

 

 

The long wait is over – A bishop for Limburg

It took two years, three months and a few days, but Limburg finally has a bishop again. Well, once he is ordained and installed, that is. Msgr. Georg Bätzing has been elected by the cathedral chapter and subsequently appointed yesterday by the Pope to become the 13th bishop of the Diocese of Limburg, which had been vacant since the forced retirement of Bishop Franz-Peter Tebartz-van Elst in March of 2014.

HyperFocal: 0

Msgr. Bätzing was born in 1961 in Kirchen, not far from the Diocese of Limburg. He was ordained a priest for the Diocese of Trier in 1987 following studies in Trier and Freiburg. After serving in parishes in Klausen and Koblenz, he was appointed as subsititute rector of the diocesan seminary in Trier. From 1996 to 2010 he led the seminary and was responsible for the whole of priestly formation in the diocese. He received the title of monsignor in 2005. Since 2012 he has been the vicar general of the diocese.

“If I knew how to laugh and cry at the same time, I would do it,” Msgr. Bätzen reflected on his appointment. The past days had been emotional, he said.  But the first moments of shock after hearing the news have been replaced by joy at his new assignment. Over the past two years he had hoped for a good bishop for the neighbouring Diocese of Limburg, but he never thought it would be him. Confident that God “has nothing but good for him in store”, he looks back on Trier, where his roots lie, and forward to Limburg, the faithful of which he asks to pray for him: “That our common path in the Church of Limburg will be good and under the blessing of God.”

Bishop Stephan Ackermann of Trier also commented on the appointment of hsi vicar general: “With Msgr. Bätzing, Limburg receives an excellent bishop. We all know that. We know Vicar General Bätzing as a person who is kindhearted, authentic and clear at the same time. Georg Bätzing can listen well, relies on participation, is a mediator, but does not shy away from making decisions. He is a priest in all his heart and an inspirational preacher.”

aachenmainzThe Diocese of Limburg was established in 1821 to cater to the Catholics in the then-current Duchy of Nassau, as well as the Free City of Frankfurt. Its territory was taken from the adjacent dioceses of Trier and Mainz. Originally a suffragan see of Freiburg, in 1929 it became a part of the Province of Cologne. In 1930 and 1933 it gained some more territory, from Fulda and Trier respectively. There are some 645,000 Catholics in the diocese, out of a total population of 2.4 million. It has few major cities aside from Wiesbaden and Frankfurt am Main, with the majority of Catholics concentrated in the south and northwest.

Now that Limburg has a bishop again, there are two vacant dioceses remaining in Germany (pictured above at right): Aachen, like Limburg a suffragan of Köln, and Mainz, which borders Limburg in two separate parts to the south and east.

Photo credit: Bistum Trier

More than just a headline – Pope Francis’ asks forgiveness

h=300Pope Francis is making headlines again, once more following an in-flight press conference on his return from a papal visit abroad, in this case to Armenia. The headlines generally follow one format: “Pope asks forgiveness from gays” or some variation thereof. While this is essentialy correct, the Holy Father’s complete answer is more nuanced and different from what more than a few readers will conclude from the headlines.

From the translation provided by the National Catholic Register comes the relevant part of the answer to a question about how the Church is said to have marginalised homosexual people in the past:

“I will repeat what I said on my first trip. I repeat what the Catechism of the Catholic Church says: that they must not be discriminated against, that they must be respected and accompanied pastorally. One can condemn, but not for theological reasons, but for reasons of political behavior … Certain manifestations are a bit too offensive for others, no? … But these are things that have nothing to do with the problem. The problem is a person that has a condition, that has good will and who seeks God, who are we to judge? And we must accompany them well … this is what the catechism says, a clear catechism. Then there are traditions in some countries, in some cultures that have a different mentality on this problem. I think that the Church must not only ask forgiveness — like that “Marxist Cardinal” said (laughs) — must not only ask forgiveness to the gay person who is offended. But she must ask forgiveness to the poor too, to women who are exploited, to children who are exploited for labor. She must ask forgiveness for having blessed so many weapons. The Church must ask forgiveness for not behaving many times — when I say the Church, I mean Christians! The Church is holy, we are sinners! — Christians must ask forgiveness for having not accompanied so many choices, so many families …”

It is clear that Pope Francis said a whole lot more than that the Church must ask forgiveness. He starts from what the Catechisms says, and so places his comments within the larger doctrine of the Church: this is not something new that he is saying, but the Church has consistently taught that people should nto be discriminated against for their sexual orientation, that they must be respected as human beings and that the Church has an obligation to accompany them pastorally. In short, she is to treat them as she treats all human beings, starting from their innate dignity.

The Church has failed in this in the past, and sometimes still does, just like she did and does in regard to women and children who are exploited, or the victims of war and nationalism. For this, Pope Francis, says, the Church, meaning all Christians, must ask forgiveness, for it is contrary to what she is tasked with.

While the Church must always be open to accept all people regardless of gender, sexuality, race, occupation or whatever other characteristic, the story does not end there. The Church is more than just people and has a message to convey, a teaching, a relationship with a Person. And everything she does must stand in the light of the encounter with this Person, who is God, the Father, the Son and the Holy Spirit. This includes how she relates to the people she welcomes.

A second interesting part of the Pope’s answer is that he says “one can condemn”. And what one can condemn is not people, but “political behaviour”, since “certain manifestations are a bit too offensive”. One can wonder what exactly is meant here, but I have seen some commenters see this as a condemnation of pride manifestations and similar. That may be so, but it could also be more general and refer to various sorts of behaviour stemming from one’s sexual orientation which could be offensive to others. The problem is then not so much about homosexuality, but consideration of the other’s thoughts and feelings. As Pope Francis says, this has little to do with the problem of marginalisation. One can disagree, even be offended, without pushing away the person one disagrees with or is offended by. Sure, it is hard, but, to mention a cliché, it is what Jesus would do. He did not shun his opponents. He entered into dialogue, challenged them to change their thoughts and behaviour, but never because he did not respect their human dignity (on the contrary even).

And then he repeats that earlier line, which caused so much debate: “The problem is a person that has a condition, that has good will and who seeks God, who are we to judge?” It is important to not make the same mistake as many people do with that line from the Gospel of Matthew (7:1), which is not simply a commandment not to judge, but rather a warning to remember that judgement goes two ways. Pope Francis describes a rather specific situation in which we should be careful not to judge: a person in some situation that is either objectively sinful or disordered, in this case someone who is homosexual, but who has the desire to do what is right and is seeking the Lord. The second part is important. Of course we should not refrain from judging actions committed by a similar person which are directed against his own or others’ wellbeing or his relationship with God, especially not when that person has no desire to do what is right or to find God. These latter conditions, good wil and seeking God, are frequently overlooked, and people are content with claiming that Pope Francis has said that we are not to judge homosexual people. Like he suggested before, the Church is not in the business of judging people, but actions. But, the Pope has insisted time and again, the Church, and therefore all Christians, are to accompany people who are of good will and seek God, not condemn and marginalise them. For, as Pope Francis also reminds us, we are all sinners, we all have our obstacles that sometimes make it hard to live according to the ideals the Church holds up.

In closing, Pope Francis’ answer is not revolutionary in that it contains any new teaching. It does, however, emphasise a different approach, a recognition of where we run the risk of failing to follow the example of Christ. Only then can ways be mended, and that, in the end, is what a Christian life is about.

Photo credit: Tiziana Fabi/Pool photo via AP

Small miracles – In Lourdes, Bishop Wiertz gets personal

Visiting Lourdes with faithful from his diocese last week, Roermond’s Bishop Frans Wiertz related a personal story about his deteriorating eyesight. The 73-year-old bishop, the most senior of the active bishops in the Netherlands, has been suffering from an increasing loss of his sight for a while now. And, as he puts it, “it will not get better”.

Perhaps Lourdes was the perfect place to share such a personal experience of a physical ailment. Here, where the Blessed Virgin appeared to St. Bernadette Soubirous, thousands of pilgrims come every year to seek healing from what ails them, and the diocesan pilgrimage led by Bishop Wiertz (together with Bishop Antoon Hurkmans, recently retired from ‘s-Hertogenbosch) was no different.

Bishop Wiertz gives no indication that it prevents him from doing his duties as bishop. As he explains, it forces him to focus more on listening instead of watching, and each word he reads requires more time, so perhaps he has to take things a little bit slower. But he has an auxiliary bishop, Msgr. Everard de Jong, at his side to lead the Diocese of Roermond with its 1 million faithful. For now, we need not expect yet another round of bishop appointments.

The full text of Bishop Wiertz’s homily follows below:

“You may have noticed this week that I always read my text with a little light. That is because I can no longer see very well. I will turn 74 this year and even bishops are not safe from all sort of old age ailments. But you need not feel sorry for me: I am in good health for my age. Except for those eyes. Sight is failing. And it will not get better.

IMG_9527

A while ago this bothered me, as I have to read, and read out, much. And in my free time I like to read books: novels, history, theology. I manage with those lights, but I’m not as fast as I used to be. That is no disaster, but it is a nuisance. Until I discovered something a few months ago. Since I have to read more slowly, I also read with more attention. Every word becomes clearer, so to speak. It sticks more and I reflect on its meaning more.

Walking around here in Lourdes, I wonder if this eye problem does not also have a deeper meaning. I may see a little less, but I also got something in return. A more intense awareness of the meaning of words. And in conversation listening becomes more important than looking.

God lets us have new experiences before we realise it ourselves. I do not mean to say that all illnesses or physical defects are a good thing. Not at all. Over the course of the years I have spoken to more than enough people who really suffer. My ailment is like nothing in comparison. But I have also learned from these sick and handicapped people – here in Lourdes, but also in the parishes where I have worked – that there is only one way to overcome suffering: by going through it. And at the same time look for support with God.

Luckily, nowadays doctors can do a lot to cure people are make physical suffering more bearable. But the best way to learn and accept your situation is through prayer. “Is anyone among you suffering? He should pray,” we heard in the first reading. It doesn’t make you better in the literal sense of the word, but it can help you feel better.

God heals in a different way. He helps you discover things in your illness of handicap, things you weren’t aware of before. Call them small miracles who help you every day to handle life.

Many people know Lourdes because of the great miracles. But in all the years that I have been coming here I have never seen those. I did witness many small miracles. People who can handle things again after a pilgrimage. People who find out, here in Lourdes, that they can still do a lot of things themselves. Like me with my more intense readings and more intensive listening. A small miracle. It is nothing compared to the miracle Jesus performs for the royal official in the Gospel. His son lives again even before he realises it himself. And why? What did he do? Nothing more than taking Jesus’ word for it. We can have faith in Jesus, that all that we experience in our lives has meaning. Even when we do not see it ourselves.

That is why we can look for the small positive things that cheer us up. Small things which help us through the day, who make us able able to handle things for a while. The smile of someone we know. A kind word. The good care of volunteers. The fact that we are making such a beautiful trip together. These are small miracles that God gives us. Winks from heaven, which He uses to show us that He thinks of us and grants everyone healing in His very own way.

You will shortly recieve the laying on of hands. You may experience that as a sign that God is with you, that He gives you strength and helps you. Perhaps in a way that you haven’t thought of yourself. Let us always be open to God, who walks His own paths in healing, but never leaves us.

Amen.”

Photo credit: Organisatie Limburgse Bedevaarten

The courage of Easter – Archbishop Koch’s message

1900163306“How confidently can we live, as God is at our side on the difficult paths of life! How confidently can we pray: the good God hears and understands us! How hopefully can we commit ourselves to people, as God gives us strength in all challenges! How expectantly can we die, as the Crucified One does not abandon us in death!

Do we as Christians really live such an alternative, renewed life style? Does our life differ from that of those who can not or do not want to believe in the Resurrection? Do we really conform to the Easter message? Do we really rely on the presence of God in our lives? Without the courage to rely on God and live in an Easter-ly way, we can not experience the Ressurected One in our lives. Experiences can only gather those who “let go”. We can leave the graves of our unbelief and our inertia when the stone from our graves has also been rolled away. The people in our society need no witness more than that of faithful Christians who dare, with the resurrected Christ, to shape their lives every day and always direct their lives anew towards the message of Easter.”

Archbishop Heiner Koch,
Easter letter to the faithful of the Archdiocese of Berlin

The good death of Good Friday

“And Jesus uttered a loud cry, and breathed his last. And the curtain of the temple was torn in two, from top to bottom.  And when the centurion, who stood facing him, saw that he thus breathed his last, he said, “Truly this man was the Son of God!” (Mark 15:37-39)

Christ crucified

The cry of Jesus is that of every crucified person through the ages, everyone who has been abandoned or humiliated, the cry of the martyr and the prophet, of those vilified and unjustly condemned, of those in exile or in prison.  It is the cry of human desperation that leads, however, to the victory of faith which transforms death into eternal life.  “I will tell of your name to my brethren; in the midst of the congregation I will praise you” (Ps 22:22).

Jesus dies on the cross.  Is it the death of God?  No, it is the most solemn celebration of the witness of faith.

The twentieth century has been defined as the century of martyrs.  Examples such as Maximilian Kolbe and Edith Stein express an immense light.  Today too, the Body of Christ is crucified in many parts of the world.  The martyrs of the twenty-first century are true apostles of the modern world.

In this great darkness the faith is kindled: “Truly, this man was the Son of God!”, because he who dies in this way, turning the desperation of death into hope for life, cannot be a mere man.

The Crucified One is a total offering.
He has held back nothing, not a shred of his clothing, not a drop of his blood, not even his own Mother.
He has given everything: “Consummatum est”.
When one no longer has anything left to give because he has given everything, then he is able to offer true gifts.
Stripped, naked, overcome with wounds, with thirst due to abandonment, with insults:
It is no longer the image of a man.
To give everything: this is charity.
Where what is mine ends, paradise begins.
(Don Primo Mazzolari)

From the Via Crucis meditations (12th station) written by Cardinal Gualtiero Bassetti, prayed in Rome on Good Friday 2016.

How God left the Netherlands – or is it the other way around?

Lots of news on social media today about the latest edition of the five-yearly poll on the faith of the Dutch. In short, the trend is as expected: fewer people who call themselves Christians, who believe in the existence of God, or go to any church. At the same time, and this is perhaps surprising, fewer people call themselves generally spiritual (this despite the apparently steady popularity of vaguely spiritual magazines, websites and television programs).

Among Catholics the trend is largely similar to the overal picture: fewer people remain members of the Catholic Church, and of those who do, fewer are active in the Church. Some numbers: 13% believes in the existence of heaven, and 17% in a personal God. Only one-third of the Dutch Catholics prays every day and less than half believe that Jesus is the Son of God or was sent by Him (in comparison, among Protestants 77% believes that Christ is God). Disconcerting numbers, to be sure. These are essential elements of the Christian faith, but apparently there are many Catholics who see no apparent problem in denying them and continuing to consider themselves Christian.

Does the root of the problem lie in a serious failure of the Church to communicate the faith? Perhaps in part: the Church has become marginalised over the past decades, by forces outside of her control, but also by a creeping fear of being too visibly Christian in society. Many Catholic communities, in my opinion, are content to keep their faith indoors, and when they do make it visible, it is in the form of charitable and social activities, which are laudable in their own right, but not exclusive to churches and faith communities. Another element, I think, is the extreme individualism prevalent in Dutch society. Certainly, society is still social, but when it comes to religion, the general idea is that people have to make up their own minds, and that means figuring it all out for themselves. For those many people who call themselves atheist, agnostic or vaguely spiritual, the decision to become Christian would be a personal one and one that must not be influenced by what others say, or else the individual’s freedom becomes curtailed. Others see religion is essentially curtailing freedom, but they are often blind to the fact that any life philosophy, including their own, is equally or even more curtailing. The moment one makes a choice or a decision, other options become impossible, and so the freedom to choose it has vanished. Lastly, an increasing number of people see no need to believe in God. They get along fine in society, and even if they don’t, they do not see how faith will change any of that. The value and need for faith is invisible, and so is the distinction between the various religions. What does it matter if you are Catholic or Protestant, Jew of Buddhist, if it works for you and it all boils down to being nice to each other? Here lies perhaps the hardest challenge for us: how to show the value of faith.

There is, however, always hope. Catholics under 40 are generally more orthodox in faith and practice, and that is a new trend. New and young Catholics do not want mere general sentiments of being nice. They can get that anywhere. They want a solid body of faith and philosophy, teaching and action. And the Catholic Church has that aplenty. It’s a shame that that is too often hidden.

Should we be overly worried about these developments? Of course, we are talking about increasing numbers of people who do not know about the truth of their existence. That is a concern. But God does not depend on popularity. He does not abandon His people, not even in the Netherlands. Let these numbers be an incentive for us, as Catholics, not to hide behind the doors of our churces, to take the faith out into the Streets, show its value and invite others in.