Pope in Sweden – the Dutch translations

In this post I have collected my translations of the various homilies and addresses given by Pope Francis during his short visit to Sweden. Perhaps needlessly said, apart from this paragraph, the post will consist of Dutch text.

14918917_10153849375235723_6517291123125650450_o

Homilie tijdens de oecumenische gebedsdienst in Lund:

“”Blijf in mij zoals ik in u” (Joh. 15:4). Deze woorden, uitgesproken door Jezus bij het Laatste Avondmaal, laten ons een blik werpen in het hart van Christus, kort voor Zijn ultieme offer aan het kruis. We kunnen Zijn hart voelen kloppen met liefde voor ons en Zijn verlangen voor eenheid onder allen die in Hem geloven. Hij vertelt ons dat Hij de ware wijnstok is en wij de ranken die, net zoals Hij één is met de Vader, één met Hem moeten zijn, willen we vrucht dragen.

Hier in Lund, tijdens deze gebedsdienst, willen wij ons gezamenlijk verlangen laten zien om één te blijven met Christus, zodat we leven hebben. We vragen Hem: “Heer, help ons in uw genade om dichter met U verenigd te zijn en zo, samen, een effectievere getuigenis te geven van geloof, hoop en liefde.” Dit is ook een moment om God te danken voor het werk van onze vele broeders en zusters van verschillende kerkelijke gemeenschappen die weigerden genoeg te nemen met verdeeldheid, maar in plaats daarvan de hoop op verzoening van allen die in de ene Heer geloven levend hielden.

Als katholieken en Lutheranen zijn we een gezamenlijke weg van verzoening gegaan. Nu, in de context van de herdenking van de Reformatie van 1517, hebben we een nieuwe kans om een gezamenlijke weg te kiezen, één die in de afgelopen vijftig jaar vorm heeft gekregen in de oecumenische dialoog tussen de Lutherse Wereldfederatie en de Katholieke Kerk. Ook wij kunnen geen genoegen nemen met de verdeeldheid en afstand die onze scheiding tussen ons geschapen heeft. Wij hebben de kans een kritiek moment van onze geschiedenis te repareren door voorbij de controverses en meningsverschillen, die ons er vaak van hebben weerhouden elkaar te begrijpen, te gaan.

Jezus zegt ons dat de Vader de “wijngaardenier” is (vg. vers 1) die de wijnstok verzorgt en snoeit om te zorgen dat die meer vrucht draagt (vg. vers 2). De Vader heeft steeds zorg voor onze relatie met Jezus, om te zien of we werkelijk één met Hem zijn (vg. vers 4). Hij waakt over ons, en Zijn blik van liefde zet ons aan ons het verleden te zuiveren en in het heden te werken om een toekomst van eenheid tot stand te brengen, die Hij zozeer verlangt.

Ook wij moeten met liefde en eerlijkheid naar ons verleden kijken, fouten herkennen en vergeving zoeken, want God alleen is onze rechter. Met dezelfde eerlijkheid en liefde moeten we inzien dat onze verdeeldheid ons scheidt van de oorspronkelijke intuïtie van het volk van God, dat van nature verlangt één te zijn, en dat die verdeeldheid historisch bestendigd werd door de machthebbers van deze wereld, en niet zozeer het gelovige volk, dat altijd en overal met zekerheid en liefde door zijn Goede Herder geleid moet worden. Zeker, er was aan beide zijden een oprechte wil om het ware geloof te belijden en te behouden, maar tegelijkertijd weten we dat we in onszelf zijn opgesloten door angst voor of vooroordeel over het geloof dat anderen met een ander accent en taal belijden. Zoals Paus Johannes Paulus II zei: “We moeten niet toestaan dat wij worden geleid door de intentie onszelf te willen benoemen als rechters van de geschiedenis, maar alleen door de motivatie om beter te willen begrijpen wat er is gebeurd en om boodschappers van de waarheid te worden” (Brief aan Kardinaal Johannes Willebrands, President van het Secretariaat voor de Christelijke Eenheid, 31 oktober 1983). God is de wijngaardenier, die de wijnrank met immense liefde verzorgd en beschermd; laten wij geraakt zijn door Zijn waakzame blik. Het enige dat Hij verlangt is dat wij als levende ranken in Zijn Zoon Jezus blijven. Met deze nieuwe blik op het verleden beweren we niet een onpraktische correctie op wat er gebeurd is te willen realiseren, maar “het verhaal anders te vertellen” (Luthers-Rooms Katholieke Commissie over de Eenheid, Van Conflict naar Eenheid, 17 juni 2013, 16).

Jezus herinnerert ons eraan: “Los van Mij kunnen jullie niets” (vers 5). Hij is degene die ons onderhoudt en ons aanmoedigt manieren te vinden om onze eenheid steeds zichtbaarder te maken. Zeker, ons verdeeldheid is een enorme bron van lijden en onbegrip geweest, maar het heeft ons er ook toe geleid eerlijk te erkennen dat we zonder Hem niets kunnen; zo heeft het ons in staat gesteld bepaalde aspecten van ons geloof beter te begrijpen. Dankbaar erkennen we dat de Reformatie geholpen heeft de Heilige schrift een meer centrale plaats te geven in het leven van de Kerk. Door het gezamenlijk luisteren naar het woord van God in de Schrift zijn er belangrijke stappen voorwaarts gezet in de dialoog tussen de Katholieke Kerk en de Lutherse Wereldfederatie, wiens vijftigste verjaardag we nu vieren. Laten we de Heer vragen dat Zijn woord ons bijeen mag houden, want het is een bron van voeding en leven; zonder de inspiratie van het woord kunnen we niets.

De geestelijk ervaring van Maarten Luther daagt ons uit ons te herinneren dat wij zonder God niets kunnen. “Hoe kan ik een genadige God verkrijgen?” Deze vraag achtervolgde Luther. De vraag van een rechtvaardige relatie met God is in feite de bepalende vraag voor ons leven. Zoals we weten ontmoette Luther die genadige God in het goede nieuws van Jezus, mensgeworden, gestorven en verrezen. Met het concept van sola gratia herinnert hij ons eraan dat God altijd het initiatief neemt, nog voor enige menselijke reactie, zelfs als Hij dat antwoord wil opwekken. De rechtvaardigingsleer drukt zo de essentie van het menselijke bestaan tegenover God uit.

Jezus spreekt voor ons als onze bemiddelaar voor de Vader; Hij vraagt Hem dat Zijn leerlingen één mogen zijn, “zodat de wereld kan geloven” (Joh. 17:21). Dat geeft ons troost en inspireert ons om één te zijn met Jezus, en daarom te bidden: “Geef ons de gave van eenheid zodat de wereld kan geloven in de kracht van uw barmhartigheid”. Dit is de getuigenis die de wereld van ons verwacht. Wij christenen zullen geloofwaardige getuigen van de barmhartigheid zijn in zoverre dat vergeving, vernieuwing en verzoening dagelijks onder ons worden ervaren. Samen kunnen wij Gods barmhartigheid verkondigen en zichtbaar maken, concreet en met vreugde, door de waardigheid van ieder persoon hoog te houden en te bevorderen. Zonder deze dienst aan en in de wereld is het christelijk geloof onvolledig.

Als Lutheranen en katholieken bidden wij samen in deze kathedraal, in het bewustzijn dat we zonder God niets kunnen. Wij vragen Zijn hulp om levende ledematen te zijn, blijvend in Hem, steeds met behoefte aan Zijn genade, zodat we samen Zijn woord aan de wereld kunnen geven, die zijn tedere liefde en barmhartigheid zo nodig heeft.”

Gezamenlijke verklaring ter gelegenheid van de gezamenlijke Katholiek-Lutheraanse herdenking van de Reformatie:

cwgqncmwgaehs-0

“”Laten we met elkaar verbonden blijven, jullie en Ik, want zoals een rank geen vrucht kan dragen uit eigen kracht, maar alleen als ze verbonden blijft met de wijnstok, zo kunnen ook jullie geen vrucht dragen als je niet met Mij verbonden blijft” (Johannes 15:4).

Met dankbare harten

Met deze Gezamenlijke Verklaring drukken wij vreugdevolle dankbaarheid aan God uit voor dit moment van gezamenlijk gebed in de kathedraal van Lund, aan het begin van het jaar waarin we het vijfhonderdste jubileum van de Reformatie herdenken. Vijftig jaar aanhoudende en vruchtbare oecumenische dialoog tussen katholieken en Lutheranen heeft ons geholpen vele verschillen te overbruggen, en heeft ons wederzijds begrip en vertrouwen versterkt. Tegelijkertijd zijn we dichter tot elkaar gekomen door de gezamenlijke dienst aan onze naasten – vaak in situaties van lijden en vervolging. Door dialoog en gedeelde getuigenis zijn we niet langer vreemden. We hebben veeleer geleerd dat wat ons verenigdt groter is dan wat ons scheidt.

Van conflict naar gemeenschap

Hoewel we ten diepste dankbaar zijn voor de geestelijke en theologische gaven van de Reformatie, belijden en betreuren we voor Christus ook dat Lutheranen en katholieken de zichtbare eenheid van de Kerk hebben beschadigd. Theologische verschillen gingen samen met vooroordelen en conflicten, en religie werd een instrument voor politieke doeleinden. Ons gezamenlijk geloof in Jezus Christus en ons doopsel vereist van ons een dagelijkse bekering, waarmee we de historische meningsverschillen en conflicten die het dienstwerk van de verzoening verhinderden van ons afwerpen. Hoewel het verleden niet verandert kan worden, kan wat er herinnert wordt en hoe het wordt herinnert wel veranderen. Wij bidden voor de genezing van onze wonden en van de herinneringen die ons beeld van de ander blokkeren. We verwerpen nadrukkelijk alle haat en geweld, in het verleden en heden, vooral wanneer uitgevoerd in de naam van religie. Vandaag horen we het gebod van God om alle strijd aan de kant te zetten. We erkennen dat we, bevrijd door genade, voorwaarts gaan naar de eenheid waartoe God ons steeds roept.

Onze toewijding aan gezamenlijke getuigenis

Nu we die periode in de geschiedenis als een last achter ons laten, beloven wij plechtig samen te getuigen van Gods barmhartige genade, zichtbaar in de gekruisigde en verrezen Christus. In het bewustzijn dat de manier waarop wij ons tot elkaar verhouden onze getuigenis van het Evangelie vorm geeft, wijden wij ons toe aan de verdere groei van gemeenschap, geworteld in het doopsel, terwijl we proberen de overblijvende obstakels die volledige eenheid nog verhinderen te verwijderen. Christus verlangt dat we één zijn, zodat de wereld kan geloven (vg. Joh. 17:21).

Vele leden van onze gemeenschappen verlangen ernaar de Eucharistie aan één tafel te ontvangen als een concrete uitdrukking van volledige eenheid. Wij ervaren de pijn van degenen die hun hele leven delen, behalve de verlossende aanwezigheid van God aan de Eucharistische tafel. Wij erkennen onze gezamenlijke pastorale verantwoordelijkheid om een antwoord te geven op de geestelijke dorst en honger van onze mensen om één te zijn in Christus. Wij verlangen ernaar dat deze wond in het Lichaam van Christus zal genezen. Dit is het doel van onze oecumenische inspanningen, die we willen bevorderen, ook door onze toewijding aan de theologische dialoog te hernieuwen

We bidden tot God dat katholieken en Lutheranen samen zullen kunnen getuigen van het Evangelie van Jezus Christus, en de mensheid uitnodigen het goede nieuws van Gods verlossende handelen te horen en ontvangen. We bidden tot God om inspiratie, aanmoediging en kracht zodat we naast elkaar kunnen staan in het dienstwerk, de menselijke waardigheid en rechten hooghouden, met name van de armen, werken voor gerechtigheid en alle vormen van geweld afwijzen. God roept ons op allen die verlangen naar waardigheid, gerechtigheid, vrede en verzoening nabij te zijn. Vandaag in het bijzonder verheffen we onze stemmen voor een einde aan het geweld en extremisme dat zo vele landen en gemeenschappen, en talloze zusters en broeders in Christus, treft. We sporen Lutheranen en katholieken aan om samen te werken in het ontvangen van de vreemde, degenen die gedwongen zijn te vluchten vanwege oorlog of vervolging te hulp te komen, en de rechten van vluchtelingen en asielzoekers te verdedigen.

Meer dan ooit beseffen we dat ons gezamenlijk dienstwerk in deze wereld moet reiken tot aan Gods scheppen, die lijdt onder uitbuitingen en de gevolgen van onverzadelijke hebzucht. We erkennen het recht van toekomstige generaties om te genieten van Gods wereld in al haar potentieel en schoonheid. We bidden voor een omslag in harten en hoofden die leidt tot een liefdevolle en verantwoordelijke zorg voor de schepping.

Eén in Christus

Op deze gunstige gelegenheid drukken wij onze dankbaarheid uit aan onze broeders en zusters die de verschillende christelijke wereldgemeenschappen en broederschappen vertegenwoordigen die hier aanwezig zijn en zich aansluiten bij ons gebed. Nu we ons opnieuw toewijden aan de beweging van conflict naar gemeenschap, doen we dat als ledematen van het ene Lichaam van Christus, waarin we door het doopsel zijn opgenomen. We nodigen onze oecumenische partners uit ons aan onze verplichtingen te herinneren en ons te bemoedigen. We vragen hen voor ons te blijven bidden, met ons op weg te gaan en ons te ondersteunen in het uitvoeren van de gebedsvolle verplichtingen die wij vandaag uitspreken.

Oproep aan katholieken en Lutheranen in de wereld

Wij roepen alle Lutherse en katholieke parochies en gemeenschappen op om stoutmoedig en creatief, vol vreugde en hoop te zijn in hun toewijding om de grote reis voor ons voort te zetten. In plaats van conflicten uit het verleden, zal Gods geschenk van eenheid onder ons de samenwerking leiden en onze solidariteit verdiepen. Door dichter in het geloof tot Christus te komen, door samen te bidden, door naar elkaar te luisteren, door de liefde van Christus voor te leven in onze relaties, zullen wij, katholieken en Lutheranen, onszelf openstellen voor de kracht van de Drieëne God. Geworteld in Christus en van Hem getuigend vernieuwen wij onze vastberadenheid om trouwe voorboden te zijn van Gods grenzeloze liefde voor de hele mensheid.”

Toespraak tijdens het Oecumenisch evenement in Malmö Arena:

14939566_10153850168870723_2952759365792262173_o

“Ik dank God voor deze gezamenlijke herdenking van het vijfhonderste jubileum van de Reformatie. We gedenken dit jubileum met een hernieuwde geest en erkennen dat de christelijke eenheid een prioriteit is, omdat we weten dat er meer is dat ons verenigt dan ons scheidt. De weg die we gegaan zijn om die eenheid te bereiken is zelf een groot geschenk dat God ons geeft. Met deze hulp zijn we vandaag hier bijeen gekomen, Lutheranen en katholieken, is een geest van broederschap, om onze blik te richten op de ene Heer, Jezus Christus.

Onze dialoog heeft ons geholpen te groeien in wederzijds begrip; het heeft wederzijds vertrouwen bevordert en ons verlangen om verder te gaan naar volledige eenheid bevestigd. Eén van de vruchten van deze dialoog is de samenwerking tussen verschillende organisaties van de Lutherse Wereldfederatie en de Katholieke Kerk. Dankzij deze nieuwe sfeer van begrip zullen Caritas Internationalis en de World Service van de Lutherse Wereldfederatie vandaag een gezamenlijk overeengekomen verklaring ondertekenen die gericht is op het ontwikkelen en versterken van een geest van samenwerking ter bevordering van de menselijke waardigheid en sociale gerechtigheid. Ik groet van harte de leden van beide organisaties; in een wereld die door oorlogen en conflicten uit elkaar getrokken wordt, zijn en blijven zij een lichtend voorbeeld van toewijding tot en dienst aan de naaste. Ik moedig u aan voort te gaan op de weg van samenwerking.

Ik heb aandachtig geluisterd naar de mensen die getuigenis hebben gegeven, hoe zij te midden van zoveel uitdagingen dagelijks hun leven toewijden aan het opbouwen van een wereld die steeds meer wil reageren op het plan van God, onze Vader. Pranita sprak over de schepping. De schepping zelf is duidelijk een teken van Gods grenzeloze liefde voor ons. Als gevolg kunnen de geschenken van de natuur ons tot het overwegen van God aanzetten. Ik deel je zorg over het misbruik dat onze planeet, ons gezamenlijk thuis, schaadt en ernstige gevolgen heeft voor het klimaat. Zoals we in ons, in mijn land zeggen: “Uiteindelijk zijn het de armen die de kosten betalen voor ons feesten”. Zoals jij terecht opmerkte hebben zij de grootste impact op degenen die het meest kwetsbaar en behoeftig zijn; zij worden gedwongen te emigreren om aan de gevolgen van klimaatverandering te ontsnappen. Wij allemaal, en wij christenen in het bijzonder, zijn verantwoordelijk voor de bescherming van de schepping. Onze manier van leven en ons handelen moet altijd overeenstemmen met ons geloof. Wij zijn geroepen harmonie op te wekken in onszelf en met anderen, maar ook met God en Zijn handwerk. Pranita, ik moedig je aan vol te houden in je toewijding in naam van ons gezamenlijk thuis. Dank je!

Mgr. Hector Fabio vertelde ons over het gezamenlijk werk van katholieken en Lutheranen in Colombia. Het is goed om te weten dat christenen samenwerken om gemeenschappelijke en maatschappelijke processen van algemeen belang op te starten. Ik vraag jullie in het bijzonder te bidden voor dat grootse land, zodat, door middel van de samenwerking van iedereen, de vrede, waar zo naar verlangd wordt en die zo nodig is voor een menswaardig samenleven, eindelijk kan worden behaald. En omdat het menselijk hart, als het naar Jezus kijkt, geen grenzen kent, moge het dan een gebed zijn dat verder reikt, en al die landen omvat waar ernstige conflicten voortduren.

Marguerite maakt ons bewust van de hulp aan kinderen die het slachtoffers zijn van wreedheid en het werk voor de vrede. Dit is zowel bewonderenswaardig en een oproep om de talloze situaties van kwetsbaarheid van zo vele personen die zich niet kunnen laten horen serieus te nemen. Wat jij als missie beschouwd is een zaadje, een zaadje dat overvloedig vrucht draagt, en vandaag, dankzij dat zaadje, kunnen duizenden kinderen studeren, groeien en in goede gezondheid leven. Je hebt geïnvesteerd in de toekomst! Dank je! En ik ben dankbaar dat je zelfs nu, in ballingschap, een boodschap van vrede blijft verspreiden. Je zei dat iedereen die jou kent denkt dat wat je doet gek is. Natuurlijk, het is de gekte van de liefde voor God en onze naaste. We hebben meer van die gekte nodig, verlicht door het geloof en vertrouwen op de voorzienigheid van God. Blijf werken, en moge die stem van hoop die je aan het begin van je avontuur hebt gehoord, en je investering in de toekomst, je eigen hart en de harten van vele jonge mensen blijven raken.

Rose, de jongste, gaf een werkelijk ontroerende getuigenis. Ze heeft gebruik kunnen maken van het sporttalent dat God haar gaf. In plaats van haar energie te verspillen in negatieve situaties heeft ze voldoening gevonden in een vruchtbaar leven. Luisterend naar jouw verhaal, dacht ik aan de levens van zoveel jonge mensen die verhalen als het jouwe zouden moeten horen. Ik wil dat iedereen weet dat ze kunnen ontdekken hoe prachtig het is om kinderen van God te zijn en wat een privilege het is om door Hem geliefd en gekoesterd te zijn. Rose, ik dank je vanuit mijn hart voor jouw werk en toewijding om andere vrouwen aan te moedigen om weer naar school te gaan, en voor het feit dat je dagelijks bidt voor vrede in de jonge staat Zuid-Sudan, die dat zo erg nodig heeft.

En na het horen van deze krachtige getuigenissen, die ons deden nadenken over onze eigen levens en hoe we reageren op de noodsituaties overal om ons heen, wil ik al die regeringen danken, die vluchtelingen helpen, alle regeringen die ontheemde mensen asielzoekers helpen. Alles dat gedaan wordt om deze mensen in nood te helpen is een groots gebaar van solidariteit en een erkenning van hun waardigheid. Voor ons christenen is het prioriteit om erop uit te gaan en de verstotenen – want zij zijn werkelijk verstoten uit hun thuislanden – en de gemarginaliseerden van onze wereld te ontmoeten, en de tedere en barmhartige liefde van God, die niemand afwijst en iedereen accepteert, voelbaar te maken. Wij christenen zijn vandaag geroepen om actieve deelnemers te zijn in de revolutie van tederheid.

Straks horen we de getuigenis van Bisschop Antoine, die in Aleppo woont, een stad die op de knieën gedwongen is door de oorlog, een plaats waar zelfs de meest fundamentele rechten met minachting worden behandelt en vertrapt. In het nieuws horen we elke dag over het afschuwelijke lijden vanwege de strijd in Syrië, door dat conflict in ons geliefde Syrië, die nu al meer dan vijf jaar duurt. Te midden van zoveel verwoesting is het werkelijk heldhaftig dat mannen en vrouwen daar gebleven zijn om materiële en geestelijke hulp te bieden aan de noodlijdenden. Het is ook bewonderenswaardig dat jij, beste broeder Antoine, blijft werken tussen zulk gevaar om ons te kunnen vertellen over de tragische omstandigheden van het Syrische volk. We houden ieder van hen in onze harten en gebeden. Laten we de genade van oprechte bekering afsmeken over de verantwoordelijken voor het lot van de wereld, voor die regio en voor allen die daar ingrijpen.

Beste broeders en zusters, laat ons niet ontmoedigd raken tegenover vijandigheid. Moge de verhalen, de getuigenissen die we hebben gehoord, ons motiveren en ons een nieuwe impuls geven om steeds nauwer samen te werken. Als we weer thuiskomen, mogen we dan een toewijding meebrengen om dagelijkse gebaren van vrede en verzoening te maken, om moedige en trouwe getuigen van christelijke hoop te zijn. En zoals we weten, de hoop stelt ons niet teleur! Dank u!”

Homilie in de Mis voor Allerheiligen:

“Vandaag vieren we met de hele Kerk het hoogfeest van Allerheiligen. Hiermee herdenken we niet alleen hen die in de loop der eeuwen heiligverklaard zijn, maar ook onze vele broeders en zusters die, op een stille en onopvallende wijze, hun christelijk leven hebben geleefd in de volheid van geloof en liefde. Onder hen zijn zeker vele van onze verwanten, vrienden en bekenden.

Dit is voor ons dan een viering van heiligheid. Een heiligheid die niet zozeer te zien is in grote daden of buitengewone gebeurtenissen, maar veeleer in dagelijkse trouw aan de eisen van ons doopsel. Een heiligheid die bestaat in de liefde voor God en de liefde voor onze broeders en zusters. Een liefde die trouw blijft tot het punt van zelfopoffering en volledige toewijding aan anderen. We denken aan de levens van al die moeders en vaders die zich opofferen voor hun gezinnen en bereid zijn – ook al is dat niet altijd makkelijk – van zoveel dingen af te zien, zoveel persoonlijke plannen en projecten.

Maar als er één ding typisch is voor de heiligen, is het dat zij daadwerkelijk gelukkig zijn. Zij hebben het geheim van authentiek geluk ontdekt, dat diep in de ziel ligt en zijn bron heeft in de liefde van God. Daarom noemen we de heiligen zalig. De Zaligsprekingen zijn hun weg, hun doel richting het thuisland. De Zaligsprekingen zijn de weg van het leven die de Heer ons leert, zodat wij in Zijn voetstappen kunnen volgen. In het Evangelie van de Mis van vandaag hoorden we hoe Jezus de Zaligsprekingen verkondigde aan een grote menigte op de heuvel bij het Meer van Galilea.

De Zaligsprekingen zijn het beeld van Christus en als gevolg van elke christen. Ik zou er hier slechts één willen noemen: “Zalig die zachtmoedig zijn”. Van zichzelf zegt Jezus: “Kom bij Mij in de leer, omdat Ik zachtmoedig ben en eenvoudig van hart” (Matt. 11:29). Dit is zijn geestelijk portret en het onthult de overvloed van Zijn liefde. Zachtmoedigheid is een manier van leven en handelen die ons dichter bij Jezus en elkaar brengt. Het stelt ons in staat alles dat ons verdeelt en vervreemd aan de kant te zetten, en steeds nieuwe manieren te vinden om verder te gaan op de weg van eenheid. Zo was het met de zonen en dochters van dit land, waaronder de heilige Maria Elisabeth Hesselblad, kortgeleden heiligverklaard, en de heilige Birgitta van Vadstena, mede-patrones van Europa. Zij hebben gebeden en gewerkt om banden van eenheid en broederschap tussen christenen te smeden. Een zeer sprekend teken hiervan is dat we hier in uw land, getekend als het is door het naast elkaar leven van vrij verschillende volkeren, samen het vijfde eeuwfeest van de Reformatie herdenken. De heiligen brengen verandering tot stand door zachtmoedigheid van het hart. Met die zachtmoedigheid komen wij tot het begrip van de grootsheid van God en aanbidden we Hem met oprechte harten. Zachtmoedigheid is de houding van hen die niets hebben te verliezen, omdat hun enige rijkdom God is.

Op een bepaalde manier zijn de Zaligsprekingen de identiteitskaart van de christen. Zij identificeren ons als volgelingen van Jezus. Wij zijn geroepen zalig te zijn, volgers van Jezus te zijn, de problemen en angsten van onze tijd het hoofd te bieden met de geest en liefde van Jezus. Zo moeten wij in staat zijn nieuwe situaties te herkennen en beantwoorden met verse geestelijke energie. Zalig zijn zij die trouw blijven terwijl zij het kwaad verdragen dat anderen hen toebrengen, en hen vergeven vanuit hun hart. Zalig zijn zij die in de ogen kijken van de verlatenen en gemarginaliseerden, en hen hun nabijheid laten zien. Zalig zijn zij die God in ieder persoon zien, en hun best doen om anderen Hem ook te laten ontdekken. Zalig zijn zij die ons gezamenlijk thuis beschermen en verzorgen. Zalig zijn zij die afzien van hun eigen gemak om anderen te helpen. Zalig zijn die bidden en werken voor de volledige eenheid tussen christenen. Dit zijn allemaal boodschappers van Gods barmhartigheid en tederheid, en zij zullen zeker van Hem hun verdiende loon ontvangen.

Beste broeders en zusters, de oproep tot heiligheid is aan iedereen gericht en moet van de Heer ontvangen worden in een geest van geloof. De heiligen moedigen met hun levens en voorspraak bij God aan, en wijzelf hebben elkaar nodig als we heiligen willen zijn. Elkaar helpen heiligen te worden! Laat ons samen de genade afsmeken om deze oproep met vreugde te ontvangen en mee te werken en de vervulling ervan. Aan onze hemelse Moeder, Koningin van Alle Heiligen, vertrouwen we onze intenties toe en de dialoog gericht op de volledige eenheid van alle christenen, zodat wij gezegend mogen zijn in ons streven en heiligheid in eenheid mogen behalen.”

Photo credit: CNS/Paul Haring

The bread of eternal life

Giving the homily at Mass on 22 September, during the German bishops’ autumn plenary meeting in Fulda, Archbishop Hans-Josef Becker of Paderborn discussed the passage in the Gospel of John in which Jesus speaks about the Bread of Life (6:51-58). From that homily come some questions that we should all ask ourselves every now and again:

erzbischof_becker_5_web“The event of Jesus’ sacrifice in the mystery of the Eucharist is perhaps the most demanding in the faith life of every Catholic Christian.

Where do we stand, sisters and brothers? How do we relate to this gift of God, this legacy? How do we stand before this bread that is Christ? Am I aware that I so meet my Creator and Saviour and thus my goal? – “Whoever eats this bread will live forever!” Here I definitely see an occasion to draw attention to our actual behaviour in the celebration of Holy Mass. Do I really think, and if so, when, about whether I can approach the table of the Lord? Do I know the difference between normal food and the Body of the Lord that Christ gives me? Do I say my ‘Amen’ as a faithful response to receiving the food of eternal life?”

I don’t think there’s anyone who sometimes doesn’t come forward to receive Communion on autopilot. We know the deal: come forward, genuflect, kneel and receive the consecrated host on the tongue (or, if you must and where it has been allowed, in the hand). The actual movements are nothing spectacular anymore. But that is completely contrary to what is happening. As the archbishop asked, do we know the difference between normal food and the Christ-given Body of the Lord? If we do, how can receiving Communion ever be a normal thing?

The relevant Gospel passage is actually very clear:

“I am the living bread that came down from heaven; whoever eats this bread will live forever; and the bread that I will give is my flesh for the life of the world.

The Jews quarreled among themselves, saying, “How can this man give us [his] flesh to eat?”

Jesus said to them, “Amen, amen, I say to you, unless you eat the flesh of the Son of Man and drink his blood, you do not have life within you. Whoever eats my flesh and drinks my blood has eternal life, and I will raise him on the last day. For my flesh is true food, and my blood is true drink. Whoever eats my flesh and drinks my blood remains in me and I in him. Just as the living Father sent me and I have life because of the Father, so also the one who feeds on me will have life because of me. This is the bread that came down from heaven. Unlike your ancestors who ate and still died, whoever eats this bread will live forever.”

We are receiving the holiest thing imaginable in order to receive even more: eternal life and life in unity with the Lord at that.

eucharist

“The bishop bearing witness to the Cross” – Cardinal Woelki’s homily at the consecration of Bishop Bätzing

On Sunday, Bishop Georg Bätzing was ordained and installed as the 13th bishop of Limburg. Cardinal Rainer Maria Woelki, the archbishop of Cologne, gave the homily, which I share in my English translation below. The cardinal also served as consecrator of the new bishop, together with Bishop Manfred Grothe, who lead the diocese as Apostolic Administrator during the two and a half years between bishops, and Bishop Stephan Ackermann of the new bishop’s native Diocese of Trier.

bischofsweihe_neu_int_23“Dear sisters, dear brothers,

An ordination – be it to deacon, to priest or, as today, to bishop – is always a public act; an effective action which changes both the person being ordained – although he is an remains the same person – and his environment. This is true even when an ordination must be performed in secret for political reasons. And so public interest, especially at an episcopal ordination, is a most natural thing. Today too, many eyes are focussed on Limburg; perhaps even more eyes than usual at an episcopal ordination. In recent years, the focus of the media on Limburg and its bishop has been too strong, if the question of how things would proceed now was not one well beyond the Catholic press.

The man who will be ordained as the thirteenth Bishop of Limburg today, is being sent to “bring good news to the afflicted, to bind up the brokenhearted” (cf. Is. 61:1). He knows the wounds that need healing; he knows that the faithful in this diocese must be brought together and united again, and he knows the challenges which face not just the Church in Limburg, but everywhere, when she wants to proclaim, credibly,  Christ as the salvation of all people, also in the future. His motto, then, advances what has already been important to him in his various pastoral duties in Trier: he was and is concerned with unity in diversity – Congrega in unum. It is no coincidence that today’s ordination concludes the traditional week dedicated to the Holy Cross in the Diocese of Limburg.

The feast of the Cross and the Week of the Cross have a long tradition here, which is applicable in this situation. At the introduction of the feast in 1959 by Bishop Wilhelm Kempf its goal was to establish an identity in a young diocese. He chose the Feast of the Exaltation of the Holy Cross as diocesan feast, with an eye on the relic of the Holy Cross kept in the reliquary of the cathedral treasury of Limburg. But not from this artistic and outstanding treasure of Byzantine art, before which one can linger in amazement and admiration like before an exhibit in a museum, does the Church in Limburg derive her identity. No, it is from that which is hidden within: the precious Cross of the Lord, by which we are saved. Only that grants the Church of Limburg, yes, the entire Church, her identity. The Apostle Paul knew this, and following him, everyone who is appointed to the episcopal ministry therefore knows this.

Our new bishop also knows. Because this is the heart of his calling and mission as bishop: to proclaim Christ, as the Crucified One in fact. He is not to proclaim Him with clever and eloquent words, so that the Cross “might not be emptied of his meaning” (cf. 1 Cor. 1:17).

On the Cross hangs the unity of the Church, because from the crucified Body of Jesus the Church emerged. In her all the baptised are woven together. All the diversity of the Spirit, which animates and moves the Church, has its origin there. Understanding the mystery of Christ depends on the Cross. No salvation without the Cross! Without the Cross no Gospel, no Christianity! Only in the Cross do we recognise who God and who man is, what God and what man is capable of. We say that God is love. These horribly absurd, often abused and yet so eagerly awaited words gain their sober and exhilerating depth and truth against all kitsch and all shallow romanticism only in the light of the Crucified One.

Saint John the Evangelist reminds us that God so loved the world, that He gave His only son (cf. John 3:16). This was not an “either-or” devotion. It was not a game of God with Himself without us humans, no large-scale deception, no comedy. Christ died and so He become equal to us all, we who received everything that we have from God and who always violently want to “be like God”, on our own strength, as we can read in the first pages of the Bible, in the history of the fall. And then he, the Son of God, did not want to cling to His divinity with violence, like a robber, but He emptied Himself, became man, creature, became the second Adam, who did not want to be like God on his own strength, but wanted to be obedient until the death on the Cross. Only in this humiliation, in this selfless devotion to God’s love for us, He is raised: the Crucified One lives! The humiliated one reigns!

This is then the case: The God who we imagined as unapproachable, as fearsome, is dead, definitively dead! It was not us who killed him, as Nietzsche claimed, but this Jesus of Nazareth, He has killed him. But the true God lives, the God who came down to us, unimaginably close in Jesus Christ. This God lives, who we recognised on the cross as God-with-us, and whom we continue to recognise only through the cross of Christ, recognise in that complete sense in which recognition means acknowledging, loving, being there for others.

And so, after all, understanding this world and our lives also depends on the cross. Its image assures us that we are ultimately embraced by the mercy of God. That, dear sisters and brothers, is our identity as Christians and therefore also our identity as Church. That is what a bishop is to proclaim, even more, to live. Before everything, he is to be a witness of the death and resurrection of Jesus Christ as the decivise salvific act of God. From this everything else flows: our commitment to and engagement  with Church and society, our commitment to peace and social justice, to human dignity and rights, to the poor and homeless, to the suffering, the sick, the dying, to life, also of the unborn. Everything flows from the mystery of the cross, and so the bishop promises just before his ordination to care for all, to be responsible and seek out the lost to the very end. “Tend to my sheep,” (John 21:16) does not mean, “Tend to my sheep where it is easy, where no dangers lurk.” It means to protect every human being as God Himself does – also there where it becomes abysmal and dark; where people lose themselves, where they put trust in false truths or confuse having with being. God knows how vulnerable we people are, and how much care and mercy each of us needs to live in such a way that it pleases God: not loving ourselves, but God and our neighbour. The cross is the reality of this love which desires to exclude no one, but which also recognises the “no” of those which it addresses. The openness of the most recent Council to a universal understanding of divine salvation allows us to see those who believe differently, only half or not at all as potential sisters and brothers. Such an understanding of and relationship with all people also permeates our Holy Father, when he wants to cure the sickness in ecclesial and social coexistence with the medicine of mercy (cf. Jan Heiner Tück).

As universal sacrament of salvation the Church only has one single Lord: Jesus Christ. God Himself anointed Him (Is. 61:1). That is why we always must ask ourselves what He wants from us and where He wants to lead His Church. The future of the Church is critically dependant on how the different charisms that God has given us can be developed. At the time that Bishop Kempf established the feast of the Cross it was, in addition to establishing an identity, about bringing together unity and diversity, centre and periphery in the young diocese.

This program can not be better summarised than in the new bishop’s motto: “Congrega in unum“. Also today, it is the mission of a bishop to discover charisms, recognise talents, guide developments, allow unity in diversity: “For as in one body we have many parts, and all the parts do not have the same function, so we, though many, are one body in Christ and individually parts of one another” (Rom. 12:4-5). Where he succeeds in this service, oaks of justice can grow (Is. 61:3) and plantings can develop through which the Lord can show His justice (61:3) – in the heart of history, in the here and now, in the heart of this diocese. Where this service is successful people are encouraged and empowered to imitate and let God guide their lives – also when He may lead them, for a short while, “where they do not want to go” (John 21:18). We humans may be sure – in all hazards to which we are exposed or expose in faith – that we are protected by God; He has entrusted the bishop with the most valuable task that He has to give: “Feed my sheep!” (John 21:17).  Nothing more – but that absolutely.

Amen.”

Photo credit: Bistum Limburg

To be an instrument of the Lord – Bishop van den Hende’s catechesis talk at WYD

World Youth Day 2016 is over, but here is a translation of the third catechesis given to the Dutch pilgrims over the course of the week-long event which saw several million young Catholics gathered in Kraków. This catechesis, which in its message mirrored the call by Pope Francis to young Catholics to get off the couch and act, was given by Rotterdam’s Bishop Hans van den Hende. Like during  previous editions, the bishop’s talk could count on an ovation at the end.

Bishop van den Hende speaks about the popular image of divine mercy and what it means to be an instrument of the Lord.

“Dear young people, I was just given the advice to put mercy into practice by not given you catechesis today. But Jesus’ message of mercy does not come in easy bite-size chunks and is not a matter of just swallowing it. A merciful attitude – in imitation of the Lord – is for us a matter of practice and therefore there is catechesis after all.

13640953_10154378393181796_1945214144784299210_o

1. Image of the merciful Jesus

The topic for this day is: Lord, make me an instrument of your mercy. When I was thinking about this beforehand, and this became even clearer these days, I had to think of the person of Jesus Himself. Especially the image of Jesus, such as here in the church of divine mercy.

Hyla%20blue%20largposter%20copyThe image of the divine mercy was created following the direction of Sister Faustina (1905-1938). In this image Jesus points at His heart, He looks at us and you a read and a white beam. It is an image of Jesus who gave His life out of boundless love for us. In the Gospels we can read in the passages about his passion and death on the cross about a soldier who stabbed his side with a spear, causing blood and water to flow (John 19:34). In the image of the divine mercy Jesus looks at us and He points at His heart. He shows that He wants to give everything for us, even His blood. He saves us. And the water reminds us of Baptism.

The person of Jesus has been on our minds for days. You see Him everywhere. The front of our pilgrims’ booklet even shows the two beams that are part of the image of divine mercy.  And we have also seen the image at the shrine of Sister Faustina here in Krakow. Yesterday when we welcomed the Pope, Pope Francis said that Jesus lives and is among us. That is what is most important about this World Youth Day. The Pope may take the initiative for the WYD, it is Jesus Himself who comes to us and is among us with all the gifts we need (Matt. 28:20b).

Pope Francis calls Jesus the face of God’s mercy (misericordiae vultus). In Jesus, the incarnate son of God, we can experience and hear how great the mercy of God is for us. We can look upon Him every day, whether in this image or a cross in your bedroom at home. Every day, you can take the step towards Him, to approach Him, to put your hope in Him and find your strength in Him. Not just on the day on which you have exams, or when things go bad, but you can come to Him every day anew.

Underneath the image of divine mercy, Holy Sister Faustina wrote in Polish: Jesus, I trust in you. In the great church of the shrine of Sister Faustina and the divine mercy, where we were last Tuesday, this sentence was whispered into a microphone several time: Jesus, I trust in you. That could perhaps be your first step, to consciously start each day by going to Jesus: I trust in you, it will be a good day with You, whatever may happen. We encounter the Father’s mercy in Jesus. His heart shows that His love for us is eternal. He is always willing to forgive. Many of you have received the sacrament of penance and reconciliation in these days. It is good to always conclude the confession of your sins with these words: I trust in you. We experience God’s mercy in the things Jesus doesd and says, solemnly put, the acts of the Lord. In the Gospel we read that Jesus heals people, consoles them, forgives people and puts them back on track with renewed courage. Jesus lets His heart speak and you can see and hear how great His mercy for us is. Look at Jesus, listen to Him, go to Him every day and say: Jesus, I trust in you. And perhaps you can take a further step and pray: Jesus, make my heart continously more like yours, that it may be involved with the things your heart is involved with: love, forgiveness, justice, solidarity, new life.

Santa-Faustina-2-760x747Sister Faustina, who only lived to the age of 33, wanted to share the message of God’s mercy. She said: this is so important, I cannot remain silent about this, I will tell this. She only went to school for three years, but she took up the pen and wrote. In the texts, Jesus calls her “His secretary of mercy’. She was an instrument of mercy. In order to make the limitless mercy of the Father known even more – for in he 1930s, like now, there was much crisis, threat of war, violence, discrimination and hate. Especially in a world of sin and evil God’s mercy must be announced. Sister Faustina wanted to do that, she wanted to be an instrument of mercy, a secretary of mercy.

2. To be an instrument of the Lord

When it comes to being an instrument of the Lord, we are part of a good tradition. In the history of our faith there are many who have answered that question with an eager yes. Yes, with your help. Think of the Blessed Virgin Mary, who was asked as a young woman to be the mother of the Lord. At first she doesn’t know what to say: I don’t even have a husband, how can this be? But then she says, I can be an instrument of your plan with the world: “May it be done to me according to your word” (Luke 1:38). In this way Mary consented to being the mother of Jesus. Another example of Saint Francis (1182-1226). Just now we prayed: make me an instrument of your peace. That prayer is attributed to Saint Francis, who had converted and was praying before a cross at a ruined chapel. He approached Jesus and said: Lord, what can I do for you? How can I be your instrument? And the Lord said, rebuild my house. Francis immediately went shopping, so to speak, collected all sorts of building supplies and repaired the chapel, making it wind and watertight. But then Francis found that it wasn’t about the church building as such, but about the people who were the Church, it was about the Church of Christ as the network of love in which there was indifference and unbelief, and such a gap between rich and poor. The prayer you prayed this morning deepens the question: what should I do? I want to be your instrument, Lord. So, in the great tradition of our faith there are always people who have the courage to be instruments of the Lord. Such as the Blessed Virgin in the Gospel and Brother Francis in the course of his life.

In his encyclical Lumen fidei, the Pope explains that it may sound a little clinical, a person as an instrument. As if you are a screwdriver, while we are people with a name and a heart. It ay sound as if you are just a cog in a great machine, and that it doesn’t really matter what you contribute. But the Pope says: do not let yourself be belittled, do not think that you are just a small part, but think of the Church as the body of Christ (1 Cor. 12:12-31) to which you belong. Not a finger can be missed, not an eye, not a toe, not an artery. The tone should then not be: I am just a part. No, you are (no matter how small) an instrument in the great work of God. You can do even the smallest task as a part of the greater whole of His body, the Church, close to Christ. However small your task is, you take part in the work of the Lord and in that no one can be missed.

 3. To be an instrument of the Lord: to accept or hesitate?

What do you do when the Lord ask you: do you want to be my instrument? Do you hesitate, do you accept? Do you ask for time to think? That is often the same as hesitating. In a shop the  shopkeeper knows very well that, when you say you want to think about it, you are probably going to buy it over the Internet.

When the Lord asks you to be His instrument, you may feel that you are too young, or not strong enough in your faith. But take a look in the Bible, you are not alone in that. Remember the prophet Jeremiah. When God asked him to be a prophet, Jeremiah answered, “I do not know how to speak. I am too young!” (Jer. 1:6). But the Lord said: It is me who is calling you, and when I call you it means that I will also give you the strength and talent to do it. And Jeremiah said: Lord, send me. Als remember the Apostle Peter, who hesitated at first. He saw the Lord and the abundant catch. But Peter did not say: “How wonderful”. No, he says, “Depart from me, Lord, for I am a sinful man” (Luke 5:8). And what about the Apostle Paul? He was at first a persecutor of Jesus and His disciples, and he looked on with arms crossed when Stephen the deacon was stoned (Acts 7:58). When Jesus calls him, Paul says, “I am the least of the apostles”, and considers himself as born abnormally (cf. 1 Cor. 15:8-9).

4. How good do you have to be to be an instrument of the Lord?

There are great examples of people who have said yes, and there are those who at first hesitated, such as Jeremiah, Peter and Paul. But in the end they did accept, for they found their strength in God. When we say to Jesus, “I trust in you,” we take the same step as Peter and Paul. Whether you are small or young, sinful or haven’t discovered many of your talents yet.

How good do you actually have to be in order to become an instrument? In the Gispel there are remarkable examples about this, such as the tax collector Levi, who works for the emperor and collects a major bonus for himself. This does not make one popular, as it is unfair. Jesus passes him and says, “Follow me”. The Pharisees wondered: How can Jesus call someone like that? A sinner, someone so untrustworthy! But Jesus says, “I have not come to call the righteous to repentance but sinners” (Luke 5:27,32; see also: Mark 2:13-17). If that isn’t mercy! Pope Francis also refers to this special calling, but in the Gospel of Matthew (9:9-13). He speaks of the tax collector Matthew, sitting at the customs post. The Lord sees him and says, “Follow me. Pope Francis applied this to himself, and his motto is ‘miserando atque eligendo’. This means as much as ‘being chosen by mercy’. The Lord did not come for the healthy, but for the sick to heal them (Matt. 9:12).

The Lord calling and needing you, that is what ultimately matters. It is the Lord who has a plan with you and who calls you and gives you the means in His mercy. So it’s not you being ready with all your talents and thinking, what’s keeping Him? No, the Lord Jesus sees us and calls us to accept His merciful love and accept Him as the basis of our lives, and in turn to be His instrument of mercy. When the Lord calls you, He also gives you the talent. He enables you to be His instrument of mercy. Jesus looks at you and calls you to accept mercy. Do not say that you are too busy or not suited to being an instrument of the Lord. That is no reason for saying no. At my ordination to the priesthood I also wondered, why me? But at the same time I thought, I am not worthy, I am not holy, but you called me (“non sum dignus neque sanctus tamen tu vocasti me“). When He calls and invites you, that is the basis for saying yes. So when Jesus asks you to be His instrument, have the courage to say yes. At the ordination of a deacon or priest, the ordinand says, “Yes, with the help of God’s grace”. Jesus calls and gives you His grace. He wants you to be His instrument and also gives you the tools to do it. Saying yes is very specific. In the first place it is prayer. Like Mary, like Peter and Paul. Going towards the Lord is the first step: here I am, what can I do for you, I know you have a plan for me, for you have called me since my first hour (cf. Jer. 1:5; Ps. 139; CCC 27).

5. Being an instrument of Christ: very specific

“Be merciful like your Father is merciful” is the theme of the WYD.

The Gospel of Matthew, Chapter 25, takes centre stage today. Jesus says, “I was hungry and you gave me food, I was thirsty and you gave me drink, I was naked and you clothed me” (Matt. 25:31-46). To all these works of mercy you can think of people who have been an instrument of the Lord. Think for example of Saint Martin (ca. 316-397) who shared his cloak with a poor man on the side of the road. And think of Saint Elisabeth of Thuringia (1207-1231) who have bread to the hungry and nursed the sick. Putting the works of mercy from Matthew 25 into practice makes being an instrument of mercy very tangible.

But there is more in Chapter 25 of Matthew. Before speaking about the works of mercy, Jesus tells a parable, namely a parable that we should be vigilant (Matt. 25:1-13). You must use your eyes well to see what is needed, and your heart open for the Lord who comes. Or else you risk sitting ready with your talents, but never taking action. That is abit like the fire station with a closed oor, where nothing ever happens. So be vigilant, what do you see with the eyes of the Lord? In Matthew Chapter 25 Jesus tells another parable, namely that you must use the talrnts God has given you, struggles and all (Matt. 25:14-20). You werent given your talents to bury them in the ground in an attempt to never make mistakes. No, be vigilant, keep your eyes and heart open and use your talents. The you can get started on the works of mercy: comforting people, correcting and advicing people, bear annoyances. Jesus says, “Whatever you did for one of these least brothers of mine, you did for me” (Matt. 25:40). Jesus says this to each of us.

6. Being an instrument of mercy, together with others who are instruments: as Church being one community of called, in service to the Lord.

You need not be able to do everything as instrument of mercy. The one may be able to listen well, and the other visits the sick without fear of infection. You need not be able to do everything, but choose what you are going to do. You are to be part of the Church, in which many are called and work.

You can be glad for the talents of others. And finally: encourage each other. Hunger and thirst, tears and loneliness remain. But get to work. Get up according to your calling and the talents that go with it. Hold on to each other. Jesus asks you to have confidence. And when you fall, ask to start anew in the light of God’s forgiving love. You are a human being according to God’s heart, with a name and a unique destiny. As an instrument of the Lord you have your own share in the mission of mercy that the Lord has entrusted to His Church.

I hope and pray that you will begin every day with looking towards the Lord, choose what you can do for Him, keep your trust in Him and support each other not to quit, because the mercy of the God is much to important and great for that. Thank you.”

Some thoughts about Amoris laetitia, doctrine, mercy and Communion

While it is far from the main point of Amoris laetitia or the Synod of Bishops assemblies that preceeded it, the question of whether divorced and remarried Catholics can receive Communion is one that has kept people occupied both during and after the publication of the Post-Synodal Exhortation. That is in part due to the fact that Amoris laetitia does not give a clear answer*, although Pope Francis has indicated that he does not aim to change Church teaching with his text. And current Church teaching is that people whose first married is considered valid and who are in a relation with someone else are objectively adulterous and thus can not receive Holy Communion. Of course, the bare words of the law do not – and can not – take the specific situation of every couple into account, and are therefore necessarily general.

Amoris laetitia instead discusses the pastoral approach to people in such situations, and this is the place where the specifics of an individual relationship, marriage, divorce and second marriage can be discussed and interpreted. That still does not mean that the law can be changed there, but it is the place where understanding can be given, different ways in which a person can be a part of the life of the Church (a major focus of the Exhortation) and also where solutions to normalise their situation (called ‘irregular’ in Church legalese) can be found.

I have seen many comments which interpret the legal considerations as some form of punishment for people failing in marriage. This is of course not so. The law deals with factual situations, not with the reasons for the existence of those facts (although these can be taken into account when a court is asked for an opinion or verdict in a specific case).

In the end, and I have said this before, Jesus Himself gave the perfect summary of how to relate to people who, for whatever reason, failed to live up to the ideal. In the Gospel of John, chapter 8, we read of Jesus’ encounter with a woman caught in adultery. After an episode in which He confronts the scribes and Pharisees with their own hypocricy, the Lord tells the woman that he will not condemn her (mercy, the pastoral approach), but also that she should not sin from then on (the law). The law is clear, but never asks for the condemnation of people.  Jesus forgives our past mistakes, but also asks us not to make the same mistakes again. And in the situation of divorced and remarried Catholics it is clear that this means that we should not condemn the people concerned, but welcome them into our Church communities. But at the same time it is clear that they can’t continue in their objectively sinful state (just like the woman in the Gospel can’t continue sleeping around with other men). What exactly can and must change in each specific situation is a matter for the pastoral sphere, where the law provides a framework.

And here Pope Francis’ sadness, expressed during Saturday’s flight back from Lesbos, at how too many people only focus on this specific question, becomes understandable. The context of the mistakes made is not inconsequential; their causes lie elsewhere and affect the entire edifice of marriage and family. It is about more than Communion (which no one has a right to, anyway): it is about broken families, divorce, adultery, economic uncertainty, unwillingness or inability to get married, falling birth rates… Yes, access to the sacraments, or lack thereof, is one of the consequences of these crises, but we should not make the mistake of considering it the only one.

Yes, there is a development of doctrine, as many have said. Not of its roots, which lie in the Gospels and the Tradition of the Church, the bedrock on which the faith grows, but in the application, the choices we make which result in the tree of faith bearing much fruit. We need both, roots and fruit.

*And no, that infamous footnote 351 is no clear answer either, as it mentions sacraments, of which there are seven, and not Holy Communion to the exlucion of the other six.

Palm Sunday – The inevitability of the Passion

1491295_10153252553151486_5861478274315205969_o

It’s Palm Sunday, which means Holy Week has begun. In the Gospel reading at Mass we heard the entire Easter narrative, from the Last Supper to Jesus’ entombment – we’ll go over the same events in the course of this week, especially from Thursday onwards. But today we especially marked Jesus’ joyful entrance in Jerusalem:

“Jesus proceeded on his journey up to Jerusalem. As he drew near to Bethphage and Bethany at the place called the Mount of Olives, he sent two of his disciples. He said, “Go into the village opposite you, and as you enter it you will find a colt tethered on which no one has ever sat. Untie it and bring it here. And if anyone should ask you, ‘Why are you untying it?’ you will answer, ‘The Master has need of it.’”
So those who had been sent went off  and found everything just as he had told them. And as they were untying the colt, its owners said to them,  “Why are you untying this colt?” They answered, “The Master has need of it.”
So they brought it to Jesus, threw their cloaks over the colt, and helped Jesus to mount. As he rode along, the people were spreading their cloaks on the road; and now as he was approaching the slope of the Mount of Olives, the whole multitude of his disciples
began to praise God aloud with joy for all the mighty deeds they had seen.
They proclaimed: “Blessed is the king who comes in the name of the Lord. Peace in heaven and glory in the highest.”
Some of the Pharisees in the crowd said to him, “Teacher, rebuke your disciples.” He said in reply, “I tell you, if they keep silent, the stones will cry out!””

Gospel of Luke 19:28-40

This is the reading we heard at the start of Mass. In many places, the faithful then processed into Church, carrying palm branches, so recreating the arrival of Jesus in Jerusalem. It’s more than symbolism, of course, as Jesus is not just symbolically with us, but in a very real way: it is good to remember that every now and then in the way we behave around Him. If only we wouldn’t change our mind so quickly as the people in Jerusalem did in those faithful days leading up to His Passion. From “Hossanah” to “Crucify Him!” just like that…

The text from the Gospel of Luke above has a distinct sense of things falling into place. Jesus seems to know exactly what needs to be done, as well as what otherwise complete strangers will say and do. Later on, as Jesus prays on the Mount of Olives, we find out more about this inevitability: He ask that this cup be taken from Him, but “not my will, but yours be done”. Jesus knows what needs to be done, and also why: to redeem the people of God, to take all their pain and suffering upon His shoulders, so that they don’t  have to, and accept all the consequences… He is to do what they, we, can’t. What was our death now becomes His. The events we read above seem to prefigure that: it is inevitable that a colt be found, that the owner be told the Master needs it (and that he accepts it), and even the praise is unavoidable. The Pharisees who complain about it are told that if the disciples don’t praise God, the stones will: For what is about to happen, God deserves praise which can’t  be stopped.

Strangely enough, we read nothing here about the people of Jerusalem cheering and waving palm fronds: it is the disciples who are doing the praising and spreading their cloaks on the ground before the colt on which Jesus rides. In the other Gospels, especially in those of John and Matthew, we do read about people coming out of the city to meet and accompany Him. By focussing solely on the disciples, Luke emphasises the contrast between them and Jerusalem: there is a sense of hostility in the city already. The first thing we encounter there are Pharisees almost ordering that Jesus tell His disciples off for their joy. There is jubilation and praise, certainly, but all is not as happy as it seems. The coming days will show exactly how hostile things will become…

Photo credit: Catholic News Agency

Network of love – Bishop van den Hende on what makes a diocese

Last month, the Dioceses of Groningen-Leeuwarden and Rotterdam marked the 60th anniversary of their foundation. A week ago, the website of the latter diocese published the text of the Bishop Hans van den Hende’s homily for the festive Mass on 6 February. In it, the bishop puts the sixty years that the diocese has existed in perspective, and goes on the describe the diocese not as a territory, but as a part of the people of God, as the Second Vatican Council calls it in the decree Christus Dominus. Following Blessed Pope Paul VI, Bishop van den Hende explains that a diocese is a network of love. following the commandment of Jesus to remain in His love. This network starts in the hearts of people and as such it contributes to building a society of love and mercy.

20160206_Rotterdam_60JaarBisdom_WEB_©RamonMangold_08_348pix“Brothers and sisters in Christ, today we mark the sixtieth year of the existence of the Diocese of Rotterdam. “Sixty years, is that worth celebrating?”, some initially wondered. “We celebrated fifty years in a major way. One hundred years would be something.”

In the history of the Church, sixty years is not a long period of time. But sixty years is a long time when you consider it in relation to a human life. Many people do not reach the age of sixty because of hunger and thirst, war and violence. There are major areas where there hasn’t been peace for sixty years. Sixty years is long enough to contain a First and a Second World War.

Every year that the Lord gives us has its ups and downs, can have disappointments, great sorrow and joy. Sixty years we began as a diocese. In 1955, Pope Pius XII had announced that there would be two new dioceses in the Netherlands. The north of the country received the Diocese of Groningen. And here the Diocese of Rotterdam was created from the Diocese of Haarlem.

In 1956, on 2 February, both dioceses began. The new bishops came later. The bishops of the older dioceses of Utrecht and Haarlem initially were the administrators of the new dioceses. But in May of 1956 the first shepherds of the two new dioceses were consecrated (the consecration of Msgr. Jansen as bishop of Rotterdam was on 8 May 1956).

Describing the division of dioceses in provinces and areas, I could give you the impression that a diocese is in the first place a territory that can be pointed out geographically. But a diocese is not primarily a firmly defined area or a specific culture. The Second Vatican Council describes a diocese in the first place as a part of the people of God: “portio populi Dei” (CD, 11). The Vatican Council avoids here the word “pars”, that is to say, a physical piece.

A diocese is a part of the people of God. And that automatically makes a diocese a network of people united in faith around the one Lord. A network in the heart of society, connected to people that they may travel with. Pope Paul VI characterised the Church as a “network of love”, with the mission to contribute to a society of love in the entire world.

A network of love in unity with Jesus, who tells His disciples in the Gospel (John 15: 9-17), “Remain in my love”. Now that we are marking sixty years, we must recognise that things can go wrong in those sixty years, that there are things which do not witness to the love of Christ. How we treat each other, how parishes sometimes compete with each other, and also the sin of sexual abuse of minors and how we deal with that, these are part of our history.

Should we then say that this network of love is too difficult a goal to achieve? If we think that, we should remember what St. Paul says in the first reading (1 Cor. 1:3-9). He says: the network of love does not just belong to people, but is united with Jesus Christ, who helps us persevere until the end. Jesus is God’s only Son who has lived love to the fullest, who died on the cross, who rose from the dead and who made no reproaches but said, “Peace be with you” (cf. John 20:21).

The network of love is inspired by the Holy Spirit whose efficacy becomes visible where there is unity, where forgiveness is achieved, where people can bow to each other and serve one another.

To be a network of love is a duty that we must accept ever anew as a mission from the Lord. We are a diocese according to God’s heart, insofar as the witness to Christ has taken root in us (1 Cor. 1:5-6). When we do not consider the disposition of His heart we do not go His way. And when we do not store and keep His life in our hearts (cf. Luke 2:51), we are not able to proclaim His word and remain in His love.

As a diocese (as a local Church around the bishop) we are not just a part of the worldwide Church of Christ, but a part in which everything can happen which makes us Church in the power of the Holy Spirit: in the first place the celebration of the Eucharist as source and summit, and the other sacraments: liturgy. Communicating the faith in the proclamation of the Gospel: kerygma, which – in catechesis, for example – must be coupled with solidarity between the generations. And thirdly, that we, as a network of love, show our faith in acts of love: charity (cf. Deus caritas est, n. 23).

We celebrate this anniversary in a year of mercy, proclaimed by Pope Francis. It is a holy year of mercy. Mercy means on the one hand to continue trusting in God’s love, asking for forgiveness for what’s not right, for what is a sin. Allowing Him into our hearts. On the other hand it means that we make mercy a mission in our lives and show it in our service to our neighbours, in acts of love, in works of mercy. In the Gospel of Matthew, chapter 25, Jesus summarises this for us: I was thristy and you gave me to drink, I was hungry and you gave me to eat. I was naked, I was homeless and alone. Did you care for me? Jesus does not isolate people in need, but identifies Himself with them: You help me when you approach a person in need (vg. Matt. 25:40).

Characterising the diocese and the entire Church as a network of love is not a recent invention from our first bishop, Msgr. Jansen, but is an answer to Christ’s own mission for His Church. And many saints went before us on that path with that mission. Saint Lawrence was a deacon in third-century Rome (225-258), who helped the people where he could. And when the emperor wanted to take all the Church’s treasure, which wasn’t even in the form of church buildings, as the Christians did not have those yet, Lawrence did not come to him with the riches, but with the people in need. And he said, “These are the treasures of the Church”. These treasures don’t take the form of bank accounts or the wax candles the emperor loved so much, but people, who are images of God. Jesus looking into our hearts also asks us to see in the hearts of people. In this way we continue to celebrate Lawrence and his witness.

And what about Saint Elisabeth (1207-1231) who went out to give bread to people and help the sick? She was of noble birth and was expected not to do this, but she went out from her castle and helped people in need. In this way she was a face of God’s mercy. And consider Blessed Mother Teresa (1910-1997), of whom there is a statue in this church. She saw people collapsing in misery, lying in the gutter, and she saw in their hearts. And also in our city of Rotterdam we are happy to have sisters of Mother Teresa realising mercy in our time.

A network of love and building a society of love. What more can we do in love and mercy? Marking sixty years of our diocese, it is a good time to ask ourselves: has the witness of Christ, has His love properly entered our hearts? And then we should say, and I am answering on behalf of all of us: we could do better. We need mercy and are to communicate God’s merciful love. In this city and elsewhere we are to contribute to a civilisation of love, contribute to a community which builds up instead of tearing down. It is clear that neither the Kingdom of God nor a diocese can be found on a map, because it starts in the hearts of people.

I pray that we celebrate this anniversary today in the knowledge that God’s mercy accompanies us and that we may accept his mission of solicitude, compassion and mercy. This is more than enough work for us, but it is only possible when it fills our hearts. Amen.”