After death, no changes from Rome – some thoughts about the CDF Instruction

cemeteryAd resurgendum cum Christo is nothing new. Today’s Instruction from the Congregation for the Doctrine of the Faith presents no new teachings or policies regarding the burial of the dead. Rather, it aims to underline why the Church prefers burial over cremation in a time when cremation is on the rise. In short, burial confirms faith in the resurrection of the body, shows the dignity of the human body as an integral part of the human person, and it corresponds to the respect owed to the body as an temple of the Holy Spirit. Also significant in this Holy Year of Mercy: burying the dead is one of the corporal works of mercy.

Has the Church been opposed to cremation, and does it continue to be, then? Not at all. Objectively, cremation does not “negate the Christian doctrine of the soul’s immortality nor that of the resurrection of the body” (n. 4). Like with burial, the Church asks that the ashes be placed in a sacred place, such as a cemetery or other area set aside by compentent Church authorities. Like the buried body, the ashes of the deceased should be similarly included in the prayers of the living and are deserving of continuous respect. Their location helps to assure that.

The most interesting part of the Instruction, in my opinion, is that these considerations and requirements aim to prevent any form of superstition (paragraph 7 mentions pantheism, naturalism and nihilism as reasons to not allow the scattering of ashes “in the air, on land, at sea or in some other way”).

We are created in the image of God, in body and spirit. Through Baptism our bodies have become home to the Holy Spirit. Human beings have an innate dignity which flows directly from our created nature. This dignity does not stop at death. Our bodies continue to be deserving of respect. In life we have shown our faith through our actions and words. In death we remain able to show our faith in the bodily ressurection in which Christ went before us. Physical life may end at death, but the two are not separate. In our modern western society we have grown used to keeping death out of sight (which probably accounts for how easily we allow such horrors like abortion and euthanasia), but life and death are integral to our existence and our faith, as Ad resurgendum cum Christo underlines in its second paragraph:

“Because of Christ, Christian death has a positive meaning. The Christian vision of death receives privileged expression in the liturgy of the Church: “Indeed for your faithful, Lord, life is changed not ended, and, when this earthly dwelling turns to dust, an eternal dwelling is made ready for them in heaven” [Roman Missal, Preface I for the Dead]. By death the soul is separated from the body, but in the resurrection God will give incorruptible life to our body, transformed by reunion with our soul. In our own day also, the Church is called to proclaim her faith in the resurrection: “The confidence of Christians is the resurrection of the dead; believing this we live” [Tertullian, De Resurrectione carnis, 1,1].”

Photo credit: Inge Verdurmen

Robert Kardinaal Sarah: “Naar een authentieke toepassing van Sacrosanctum Concilium”

This is a Dutch translation of Cardinal Robert Sarah’s address on the first day of the Sacra Liturgia conference, held in London from 5 to 8 July. This translation is based on the text as released via the Sacra Liturgia Facebook page. It is not a complete transcript of what Cardinal Sarah said. This is expected to be released sometime next week, after the cardinal has added a few points once he returns to Rome. In due time, this address, as well as the conference’s other papers, will be published in book form.


Dit is een Nederlandse vertaling van de toespraak die Kardinaal Robert Sarah heeft gegeven op de eerste dag van de Sacra Liturgia conferentie, gehouden in Londen van 5 tot 8 juli. Deze vertaling is gebasseerd op de tekst zoals die op de Facebook-pagina van Sacra Liturgia werd gepubliceerd. Het is geen volledige transcriptie van wat Kardinaal Sarah heeft gezegd. Het is de verwachting dat deze in de loop van de komende week wordt uitgegeven, zodra de kardinaal een aantal punten toe heeft kunnen voegen na zijn terugkeer naar Rome. Uiteindelijk zal deze toespraak, samen met alle andere die tijdens de conferentie gehouden zijn, in boekvorm uitgegeven worden.

TOESPRAAK VAN ZIJNE EMINENTIE ROBERT KARDINAAL SARAH:
“NAAR EEN AUTHENTIEKE TOEPASSING VAN SACROSANCTUM CONCILIUM”

IMG_7842

Ik wil in de eerste plaats mijn dank uitspreken aan Zijne Eminentie Vincent Kardinaal Nichols, voor zijn welkom in het Aartsbisdom Westminster en zijn vriendelijke begroetingswoorden. Eveneens wil ik Zijne Excellentie Bisschop Dominique Rey, bisschop van Fréjus-Toulon, danken voor zijn uitnodiging om hier met u aanwezig zijn bij de derde internationale “Sacra Liturgia” conferentie, en vanavond de openingstoespraak te presenteren. Uwe Excellentie, ik feliciteer u met dit internationale initiatief ter bevordering van de studie van het belang van liturgische vorming en viering in het leven en de missie van de Kerk.

In deze toespraak wil ik een aantal overwegingen aan u voorleggen over hoe de westerse Kerk naar een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium kan toewerken. Hiermee wil ik de vraag stellen: “Wat hadden de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie voor ogen met de liturgische hervorming?” Daarna wil ik bespreken hoe hun bedoelingen na het Concilie zijn toegepast. Uiteindelijk zou ik u een aantal voorstellen willen voorleggen over het liturgisch leven van de Kerk vandaag, zodat onze liturgische praktijk de bedoelingen van de Concilievaders beter kan weergeven.

Het is volgens mij overduidelijk dat de Kerk leert dat de katholieke liturgie de unieke bevoorrechte locus is van het verlossende handelen van Christus in onze huidige wereld, door middel van werkelijke participatie waarin wij Zijn genade en kracht ontvangen die zo nodig zijn voor onze volharding en groei in het christelijk leven. Het is de goddelijke vastgestelde plaats waar wij onze plicht tot het aanbieden van een offer, het Ene Ware Offer, aan God komen vervullen. Het is waar we onze diepgaande behoefte om God te aanbidden verwerkelijken. Katholieke liturgie is iets heiligs, iets dat door haar aard heilig is. Katholieke liturgie is geen gewone menselijke samenkomst.

Ik wil hier een zeer belangrijk feit onderstrepen: God, niet de mens, staat in het hart van de katholieke liturgie. We komen om Hem te aanbidden. De liturgie gaat niet om jou of mij; we vieren er niet onze eigen identiteit of prestaties, verheerlijken of promoten er niet onze eigen cultuur of plaatselijke religieuze gewoontes. De liturgie draait in de allereerste plaats om God en wat Hij voor ons gedaan heeft. In Zijn Goddelijke Voorzienigheid heeft de Almachtige God de Kerk gesticht en de heilige liturgie ingesteld waarmee wij Hem ware aanbidding kunnen opdragen in overeenstemming met het Nieuwe Verbond dat Christus gebracht heeft.Hierdoor, door het binnengaan van de vereisten van de heilige riten die in de traditie van de Kerk zijn ontwikkeld, krijgen wij onze ware identiteit en betekenis als zonen en dochters van de Vader.

Het is van essentieel belang dat we dit specifieke karakter van de katholieke eredienst begrijpen, want in recente decennia hebben we vele liturgische vieringen gezien waarin mensen, persoonlijkheid en menselijke prestaties te prominent aanwezig waren, bijna tot uitsluiting van God. Zoals Kardinaal Ratzinger ooit schreef: “Als de liturgie in de eerste plaats een werkplaats voor ons eigen handelen lijkt, dan wordt het essentiële vergeten: God. Het vergeten van God is het meest dreigende gevaar van onze tijd” (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 593). 

We moeten volkomen duidelijk zijn over de aard van de katholieke eredienst als we de Constutitie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie op de juiste wijze willen lezen en als we deze getrouw willen uitvoeren.

Al vele jaren voor het Concilie, in zowel missielanden als in de meer ontwikkelde gebieden, was er veel discussie over de mogelijkheid om het gebruik van de volkstalen in de liturgie uit te breiden, vooral voor de lezingen uit de Heilige Schrift, alsook voor een aantal andere onderdelen van het eerste deel van de Mis (wat we nu de “dienst van het Woord” noemen) en de liturgische zang. De Heilige Stoel had al meerdere keren toestemming gegeven voor het gebruik van de volkstaal in het toedienen van de sacramenten. Dit is de context waarin de Concilievaders spraken over de mogelijke positieve oecumenische of missionaire gevolgen van liturgische hervorming. Het is waar dat de volkstaal een positieve plaats heeft in de liturgie. Hier zochten de Vaders naar, niet naar de protestantisering van de Heilige Liturgie of instemmend met haar onderwerping aan een valse inculturisatie.

Ik ben een Afrikaan. Laat me dit duidelijk maken: de liturgie is niet de plaats om mijn cultuur te promoten. Het is veeleer de plaats waar mijn cultuur gedoopt wordt, waar mijn cultuur in het goddelijke wordt opgenomen. Door de liturgie van de Kerk (die missionarissen door heel de wereld hebben meegedragen) spreekt God tot ons, verandert Hij ons en stelt ons in staat deel te nemen in Zijn goddelijk bestaan. Als iemand christen wordt, als iemand in volledige eenheid met de katholieke kerk komt, ontvangt hij iets meer, iets dat hem verandert. Zeker, culturen en andere christenen brengen gaven met zich mee in de Kerk – de liturgie van de Ordinariaten voor Anglicanen die nu in volle eenheid met de Kerk zijn is hier een prachtig voorbeeld van. Maar zij brengen deze gaven met nederigheid, en de Kerk, in haar moederlijke wijsheid, maakt er gebruik zoals zij dat goed acht.

Eén van de duidelijkste en mooiste uitdrukking van de bedoelingen van de Concilievaders is te vinden aan het begin van het tweede hoofdstuk van de Constitutie, dat het mysterie van de Hoogheilige Eucharistie behandelt. In nummer 48 lezen we:

“Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan de tafel van ‘s Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem, en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte Gods alles in allen moge zijn.”

Broeders en zusters, dit is wat de Concilievaders wilden. Jazeker, ze discussieerden en stemden over specifieke manieren om hun bedoelingen toe te passen. Maar laat ons glashelder zijn: de rituele hervormingen in de Constitutie, zoals het herstel van het gebed van de gelovigen tijdens de Mis (n. 53), de uitbreiding van de concelebratie (n. 57) of een aantal van haar beleidslijnen zoals de vereenvoudiging verlangd in nummers 34 en 50, zijn alle ondergeschikt aan de fundamentele bedoelingen van de Concilievaders die ik zojuist heb omschreven. Het zijn middelen tot een doel, en het is het doel dat wij moeten behalen.

Als we naar een authentiekere toepassing van Sacrosanctum Concilium willen toewerken, dan moeten we op de allereerste plaats deze einddoelen in het oog houden. Misschien dat, als we ze met een frisse blik en met het voordeel van de ervaring van de laatste vijf decennia bestuderen, we sommige rituele hervormingen en bepaalde liturgische beleidslijnen in een ander licht zullen zien. Als sommige van deze nu moeten worden heroverwogen, om zo “het christelijk leven onder de gelovigen steeds hoger op te voeren” en “alle mensen tot de Kerk te roepen”, laat ons dan de Heer vragen ons de liefde en de nederigheid en wijsheid te schenken om dit te doen.

Ik noem deze mogelijkheid om opnieuw naar de Constitutie en de hervorming die volgde op de publicatie ervan te kijken, omdat ik niet denk dat we vandaag zelfs ook maar de eerste paragraaf van Sacrosanctum Concilium eerlijk kunnen lezen en tevreden kunnen zijn dat we de doelstellingen ervan hebben bereikt. Broeders en zusters, waar zijn de gelovigen waarover de Concilievaders spraken? Vele gelovigen zij nu ongelovig: ze komen helemaal niet meer naar de liturgie. In de woorden van de heilige Johannes Paulus II: vele christenen leven in een staat van “stille afvalligheid;” zij “leven alsof God niet bestaat” (Apostolische Exhortatie Ecclesia in Europa, 28 juni 2003, 9). Waar is de eenheid die het Concilie hoopte te bereiken? We hebben het nog niet bereikt. Hebben we werkelijk vooruitgang geboekt in het roepen van alle mensen tot de Kerk? Ik denk het niet. En toch hebben we heel veel in de liturgie gedaan!

In mijn 47 jaar als priester en na meer dan 36 jaar aan bisschoppelijk dienstwerk kan ik verklaren dat vele katholieke gemeenschappen en individuen de liturgie, zoals hervormd na het Concilie, met geestdrift en vreugde leven en vieren, en er veel van, zo niet al, het goede uit halen dat de Concilievaders verlangden. Dit is een grote vrucht van het Concilie. Maar uit mijn ervaring – nu ook als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten – weet ik ook dat er vele vervormingen van de liturgie in heel de Kerk van vandaag bestaan, en er zijn vele situaties die verbeterd kunnen worden zodat de doelstellingen van het Concilie behaald kunnen worden. Voor ik over een aantal mogelijke verbeteringen spreek, laten we bedenken wat er gebeurde na de publicatie van de Constitutie over de Heilige Liturgie.

Terwijl het officiele hervormingswerk plaatsvondt ontstonden er een aantal zeer ernstige verkeerde interpretaties van de liturgie en deze schoten wortel in verschillende plaatsen in de wereld. Deze misbruiken van de Heilige Liturgie ontwikkelden zich vanwege een foutief begrip van het Concilie en resulteerden in liturgische vieringen die subjectief waren en meer gericht op de verlangens van de individuele gemeenschap dan op de offerdienst van de Almachtige God. Mijn voorganger als Prefect van de Congregatie, Francis Kardinaal Arinze, noemde dit ooit eens “de doe-het-zelf Mis”. De heilige Johannes Paulus II vond het zelfs noodzakelijk het volgende te schrijven in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003):

“Deze dienst van de verkondiging van de kant van het Leergezag heeft een antwoord gekregen in de innerlijke groei van de christelijke gemeente. Zonder twijfel heeft de liturgiehervorming van het Concilie in hoge mate bijgedragen aan een bewustere, actievere en vruchtbaarder deelname aan het heilig Offer van het Altaar van de kant van de gelovigen. Op veel plaatsen is Aanbidding van het Allerheiligst Sacrament ook een belangrijke dagelijkse praktijk en wordt een onuitputtelijke bron van heiligheid. De vrome deelname van de gelovigen aan de eucharistische processie op Sacramentsdag is een genade van de Heer die ieder jaar vreugde brengt aan hen die eraan deelnemen. Andere positieve tekenen van geloof in en liefde voor de Eucharistie zouden nog genoemd kunnen worden.

Helaas is er naast dit licht ook schaduw. Op sommige plaatsen is de praktijk van de eucharistische Aanbidding vrijwel volledig verwaarloosd. In verschillende delen van de Kerk zijn misbruiken opgetreden, die lijden tot verwarring met betrekking tot het gezonde geloof en de katholieke leer ten aanzien van dit wonderbaarlijke Sacrament. Soms komt men een uiterst verengd begrip van het eucharistische mysterie tegen. Beroofd van zijn betekenis als offer wordt het gevierd als ware het eenvoudigweg een broederlijke maaltijd. Daarenboven wordt van tijd tot tijd de noodzaak van het ambtelijke priesterschap dat wortelt in de apostolische opvolging verduisterd en de sacramentaliteit van de Eucharistie wordt teruggebracht tot louter werkdadigheid in de verkondiging. Dit heeft hier en daar geleid tot oecumenische initiatieven die hoewel edel in hun motieven, toegeven aan eucharistische praktijken die in tegenspraak zijn met de discipline waarmee de Kerk haar geloof uitdrukt. Kunnen wij anders dan onze diepe droefheid over dit alles uitdrukken? De Eucharistie is een te groot geschenk dan dat wij dubbelzinnigheid en verschraling van de betekenis zouden kunnen dulden.

Ik vertrouw erop dat deze encycliek er effectief aan kan bijdragen om de schaduwen van onaanvaardbare doctrines en praktijken te verdrijven, opdat de Eucharistie verder moge stralen in heel de glans van haar mysterie (n. 10).”

Hier bestond ook een pastorale werkelijkheid: om goede redenen of niet, sommige mensen konden of wilden niet deelnemen aan de hervormde riten. Zij bleven weg of namen alleen deel aan de niet-hervormde liturgie waar ze die konden vinden, zelfs als de viering ervan niet was toegestaan. Zo werd de liturgie een uitdrukking van verdeeldheid in de Kerk, in plaats van één van katholieke eenheid. Het Concilie wilde niet dat de liturgie ons van elkaar scheidde! De heilige Johannes Paulus II werkte aan het genezen van deze verdeling, met de hulp van Kardinaal Ratzinger die, als Paus Benedictus XVI, de nodige interne verzoening in de Kerk wilde faciliteren door in zijn Motu Proprio Summorum Pontificum (7 juli 2007) te bepalen dat de oudere vorm van de Romeinse ritus zonder beperkingen beschikbaar moet zijn voor die individuen en groepen die uit haar rijkdom willen putten. In Gods Voorzienigheid is het nu mogelijk onze katholieke eenheid te vieren met respect voor, en zelfs vreugde in, een legitieme diversiteit van de rituele praktijk.

We mogen dan een hele nieuwe, moderne liturgie in de volkstaal hebben opgebouwd, maar als we niet de juiste basis hebben gelegd – als onze seminaristen en geestelijkheid niet “diep doordrongen zijn van de geest en de kracht van de liturgie”, zoals het Concilie vroeg – dan kunnen zij zelf de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd niet vormen. We moeten de woorden van het Concilie zelf zeer serieus nemen: het zou “kansloos” zijn te hopen op een liturgische vernieuwing zonder een grondige liturgische vorming. Zonder deze essentiële vorming zouden geestelijken zelfs schade toebrengen aan het geloof van mensen in het eucharistisch mysterie.

Ik wil niet bovenmatig pessimistisch overkomen, en ik zeg nogmaals: er zijn vele, vele gelovige mannelijke en vrouwelijke leken, vele geestelijken en religieuzen voor wie de liturgie zoals hervormd na het Concilie een bron van veel geestelijke en apostolische vruchten is, en daar dank ik de Almachtige God voor. Maar ik denk dat u het met mij eens zal zijn, zelfs op basis van mijn korte analyse hierboven, dat we beter kunnen doen, zodat de Heilige Liturgie werkelijk de bron en het hoogtepunt van het leven en de missie van de Kerk wordt, nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals de Concilievaders zozeer verlangden.

Gezien de fundamentele verlangens van de Concilievaders en de verschillende situaties die na het Concilie zichtbaar zijn geworden, zou ik een aantal praktische overwegingen willen presenteren over hoe we Sacrosanctum Concilium vandaag beter kunnen toepassen. Ook al dien ik als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, ik doe dit in alle nederigheid als een priester en een bisschop in de hoop dat dit een volwassen reflectie en studie en goed liturgisch handelen in heel de Kerk zal bevorderen.

Het zal geen verrassing zijn wanneer ik zeg dat we in de eerste plaats de kwaliteit en diepgang van onze liturgische vorming moeten onderzoeken, hoe we de geest en kracht van de liturgie overbrengen op onze geestelijken, religieuzen en lekengelovigen. Te vaak nemen we aan dat onze wijdingskandidaten voor het priesterschap of het permanente diaconaat genoeg over de liturgie “weten”. Maar het Concilie drong hierin niet aan op kennis, hoewel de Constitutie natuurlijk het belang van liturgiestudie onderstreepte (zie n. 15-17). Nee, de eerste en essentiële liturgische vorming is meer een onderdompeling in de liturgie, in het diepe mysterie van God, onze liefhebbende Vader. Het is een kwestie van de liturgie beleven in al haar rijkdom, zodat we, na gedronken te hebben uit haar bron, altijd dorsten naar haar verrukkingen, haar orde en schoonheid, haar stilte en bezinning, haar verheerlijking en aanbidding, haar vermogen ons ten diepste te verbinden met Hem die in en door de riten van de Kerk werkt.

Als we hier zorg voor dragen, als onze nieuwe priesters en diakens werkelijk dorsten naar de liturgie, zullen zij op hun beurt in staat zijn degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te vormen – zelfs als de liturgische situatie en mogelijkheden van hun kerkelijke missie bescheidener zijn dan die van het seminarie of de kathedraal. Ik weet van vele priesters in zulke omstandigheden die hun mensen vormen in de geest en kracht van de liturgie, en wier parochies voorbeelden zijn van grote liturgische schoonheid. We moeten niet vergeten dat waardige eenvoud niet hetzelfde is als reductief minimalisme of een verwaarloosde en vulgaire stijl. Zoals onze Heilige Vader, Paus Franciscus, leert in zijn Apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium: “De Kerk evangeliseert en evangeliseert zichzelf met de schoonheid van de liturgie, die ook viering is van de evangeliserende activiteit en bron van een hernieuwde impuls tot zelfgave.” (n. 24)

Ten tweede denk ik dat het zeer belangrijk is dat we duidelijk zijn over de aard van liturgische participatie, van de participatio actuosa waar het Concilie toe opriep. Hierover is veel verwarring geweest in de laatste decennia. Nummer 48 van de Constitutie zegt: De Kerk wil “dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling.” Het Concilie beschouwt participatie als voornamelijk intern, voortkomend uit een goed begrip van de riten en gebeden. Zeker, de Concilievaders vragen de gelovigen te zingen, de priester te antwoorden, liturgische taken op zich te nemen die rechtmatig de hunne zijn, maar staan erop dat allen zich bewust zijn van wat ze doen, “godvruchtig en actief”.

Als we het belang van de internisalisatie van onze liturgische participatie begrijpen zullen we het luidruchtige en gevaarlijke liturgische activisme, dat in de laatste decennia zo prominent aanwezig is geweest, vermijden. We gaan niet naar de liturgie om op te treden, om dingen te doen zodat anderen het kunnen zien: we gaan om verbonden te worden met het handelen van Christus door een internalisatie van de uitwendige liturgische riten, gebeden, tekenen en symbolen. Wellicht dat degenen die geroepen zijn tot liturgisch dienstwerk dit zich beter moeten herinneren dan anderen! Maar we moeten anderen ook vormen, in het bijzonder onze kinderen en jonge mensen, in de ware betekenis van liturgische participatie, in de ware manier om de liturgie te bidden.

Ten derde, ik heb gesproken over het feit dat een aantal hervormingen die na het Concilie zijn ingevoerd mogelijk zijn samengesteld volgens de tijdsgeest en dat er een groeiende hoeveelheid studie door trouwe zonen en dochters van de Kerk is geweest, waarin wordt gevraagd of wat was ingevoerd werkelijk de doelstellingen van de Constitutie toepaste, of dat ze er in werkelijkheid aan voorbij gingen. Deze studie vindt soms plaats onder de noemer “hervorming van de hervorming” en ik weet dat EH Thomas Kocik over deze kwestie een doorwrochte studie heeft gepresenteerd tijdens de Sacra Liturgia conferentie in New York, een jaar geleden.

Ik denk niet dat we de mogelijkheid of de wenselijkheid van een officiële hervorming van de liturgische hervorming kunnen afwijzen, omdat haar voorstanders een aantal belangrijke beweringen doen in hun pogingen trouw te zijn aan de nadruk van het Concilie in nummer 23 van de Constitutie “om de gezonde traditie te bewaren en toch de weg te openen voor een gewettigde vooruitgang”, en dat “vernieuwingen niet plaats hebben, tenzij deze door een werkelijk en duidelijk nut van de Kerk worden vereist, waarbij men er op dient te letten, dat de nieuwe vormen als het ware organisch voortkomen uit de reeds bestaande vormen.”

Ik kan meedelen dat, toen ik afgelopen april door de Heilige Vader in audiëntie werd ontvangen, Paus Franciscus mij vroeg de kwestie van een hervorming van een hervorming te bestuderen en hoe beide vormen van de Romeinse ritus te verrijken. Dat zal een fijngevoelig werk zijn en ik vraag om uw geduld en gebed. Maar als we Sacrosanctum Concilium beter willen toepassen, als we willen bereiken wat het Concilie verlangde, dan is dit een serieuze kwestie die zorgvuldig moet worden bestudeerd en behandeld met de nodige duidelijkheid en voorzichtigheid.

Wij priesters, wij bisschoppen dragen een grote verantwoordelijkheid. Hoe leidt ons goede voorbeeld tot goed liturgisch handelen; hoe kwetst onze onachtzaamheid of wangedrag de Kerk en haar heilige liturgie!

Wij priesters moeten in de allereerste plaats aanbidders zijn. Onze mensen zien het verschil tussen een priester die met geloof viert en één die haastig viert, veel op zijn horloge kijkt, bijna alsof hij zo snel mogelijk weer terug naar de televisie wil! Priesters, we kunnen niets belangrijkers doen dan de heilige mysteries te vieren: laten we oppassen voor de verleiding van liturgische luiheid, want dat is een verleiding van de duivel.

We moeten onthouden dat wij niet de makers van de liturgie zijn. Wij zijn haar nederige bedienaars, onderworpen aan haar discipline en wetten. Wij hebben ook de verantwoordelijkheid om degenen die ons bijstaan in liturgische functies te vormen in zowel de geest en kracht van de liturgie en zeker ook haar regels. Ik heb soms priesters een stap terug doen zetten om buitengewone bedienaars de Heilige Communie uit te laten delen: dit is fout, het is een ontkenning van het priesterlijk dienstwerk evenals een klerikalisering van de leken. Wanneer dit gebeurt is het een teken dat de vorming verkeerd is gegaan, en dat het gecorrigeerd moet worden.

Ik heb ook priesters en bisschoppen gezien die, gekleed om de Heilige Mis te vieren, telefoons en camera’s tevoorschijn haalden en in de heilige liturgie gebruikten. Dit is een verschrikkelijke aanklacht tegen het begrip dat zij hebben over wat ze doen als ze de liturgische gewaden aantrekken, dus zich als een alter Christus kleden – en nog meer, als ipse Christus, als Christus zelf. Dit is heiligschennis. Geen bisschop, priester of diaken die is gekleed voor het liturgisch dienstwerk of aanwezig op het priesterkoor moet foto’s nemen, zelfs niet tijdens grote geconcelebreerde Missen. Dit priesters dit vaak doen tijdens zulke Missen, of met elkaar praten of nonchalant zitten, is volgens mij een teken dat wij opnieuw moeten nadenken over de gepastheid van deze Missen, vooral als het priesters aanzet tot zulk schandalig gedrag dat het gevierde mysterie zo onwaardig is, of als de grootte van deze geconcelebreerde vieringen tot het risico van ontheiliging van de heilige Eucharistie leidt.

Ik wil een beroep doen aan alle priester. U heeft misschien mijn artikel in L’Osservatore Romano van een jaar geleden (12 juni 2015) gelezen, of mijn interview met het tijdschrift Famille Chrétienne in mei van dit jaar. Bij beide gelegenheden heb ik gezegd dat ik denk dat het heel belangrijk is dat we zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting, van priesters en gelovigen samen in dezelfde richting – naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt, in die delen van de liturgische riten waarin we ons tot God richten. Dit is toegestaan onder de huidige liturgische regels. Het is volledig legitiem in de moderne ritus. Ik denk dat het een heel belangrijke stap is om te verzekeren dat in onze vieringen de Heer werkelijk in het centrum staat.

En dus, beste priesters, vraag ik u dit waar mogelijk toe te passen, voorzichtig en met de nodige catechese, zeker, maar ook met het zelfvertrouwen van een herder dat dit iets goeds is voor de Kerk, iets goeds voor onze mensen. Uw eigen pastorale oordeel zal bepalen hoe en wanneer dit mogelijk is, maar wellicht is de eerste zondag van de Advent van dit jaar, wanneer we uitkijken naar “de Heer die zal komen” en “die niet aarzelt”, een hele goede tijd om dit te doen. Beste priesters, we zouden opnieuw moeten luisteren naar de klaagzang van God zoals verkondigd door de profeet Jeremia: “ze hebben Mij de rug toegekeerd” (2:27). Laat ons weer naar de Heer terugkeren!

Ik zou ook een beroep willen doen op mijn broeders bisschoppen: leidt u alstublieft uw priesters en mensen op deze manier naar de Heer, in het bijzonder in grote vieringen in uw bisdommen en in uw kathedraal. Vorm uw seminaristen alstublieft in de werkelijkheid dat we niet tot het priesterschap geroepen zijn om zelf in het hart van de liturgische eredienst te staan, maar om de gelovigen van Christus als medegelovigen naar Hem te leiden. Maak deze eenvoudige maar diepgaande hervorming alstublieft mogelijk in uw bisdommen, uw kathedralen, uw parochies en uw seminaries.

Wij bisschoppen hebben een grote verantwoordelijkheid, en ooit zullen we ons voor de Heer moeten verantwoorden over ons beheer. Wij bezitten niets! Zoals de heilige Paulus ons leert, wij zijn slechts “helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen” (1 Kor. 4:1). Wij hebben de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de heilige werkelijkheid van de liturgie wordt gerespecteerd in onze bisdommen en dat onze priesters en diakens zich niet alleen aan de liturgische voorschriften houden, maar de geest en de kracht van de liturgie waaruit deze voortkomen kennen. Ik was zeer bemoedigd door het lezen van de presentatie getiteld “The Bishop: Governor, Promoter and Guardian of the Liturgical Life of the Diocese”, gegeven voor de Sacra Liturgia conferentie in Rome in 2013 door aartsbisschop Alexander Sample van Portland in Oregon in de VS, en ik raad mijn broeders bisschoppen op broederlijke wijze aan zijn overwegingen zorgvuldig te bestuderen.

Hier herhaal ik wat ik elders heb gezegd: dat Paus Franciscus mij heeft gevraagd het liturgisch werk voort te zetten dat Paus Benedictus begonnen is (zie: Boodschap aan Sacra Liturgia 2015, New York City). Het feit dat we een nieuwe paus hebben betekent niet dat de visie van zijn voorganger nu niet langer geldig is. Integendeel, zoals we weten heeft onze Heilige Vader Paus Franciscus het grootste respect voor de liturgische visie en maatregelen die Paus Benedictus heeft uitgevoerd in opperste trouw aan de wensen en doelstellingen van de Concilievaders.

Staat u mij, voor ik afrond, toe een aantal andere kleine manieren te noemen die ook bij kunnen dragen aan een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium. Eén daarvan is dat we de liturgie moeten zingen, we moeten de liturgische teksten zingen, met respect voor de liturgische tradities van de Kerk en ons verheugend in de schatkist aan gewijde muziek die de onze is, in het bijzonder die muziek die hoort bij de Romeinse ritus, het Gregoriaans. We moeten gewijde liturgische muziek zingen, en niet slechts religieuze muziek of, erger, wereldse muziek.

We moeten de juiste balans vinden tussen de volkstalen en het gebruik van het Latijn in de liturgie. Het Concilie heeft nooit de bedoeling gehad dat de Romeinse ritus volledig in de volkstaal gevierd zou worden. Maar het wilde wel een breder gebruik ervan toestaan, in het bijzonder voor de lezingen. Tegenwoordig zou het mogelijk moeten zijn, vooral door moderne druktechnieken, om voor ieder het begrijpen van het Latijn te vergemakkelijken, wellicht voor de liturgie van de Eucharistie, en dit is natuurlijk met name gepast bij internationale samenkomsten waar de plaatselijke volkstaal door velen niet verstaan wordt. En wanneer de volkstaal gebruikt wordt moet het natuurlijk een juiste vertaling van het originele Latijn zijn, zoals Paus Franciscus recent aan mij heeft bevestigd.


Tussenkomst van Bisschop Rey

Met grote vreugde hebben we vandaag gehoord dat onze Heilige Vader, Paus Franciscus, u heeft gevraagd een studie te beginnen van de liturgische hervorming na het Concilie, en mogelijkheden te verkennen van wederzijdse verrijking tussen de oudere en nieuwere vormen van de Romeinse ritus, oorspronkelijk besproken door Paus Benedictus XVI.

Uwe Eminentie, uw oproep dat wij “zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting” in onze liturgische vieringen, “naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt,” is een uitnodiging tot een radicale herontdekking van iets dat aan de wortel ligt van de christelijke liturgie. Het roept ons op om wederom te beseffen dat, in al onze liturgische vieringen, de christelijke liturgie in essentie gericht is op Christus, wiens komst wij met vreugdevolle hoop afwachten.

Uwe Eminentie, ik ben slechts één bisschop van één bisdom in het zuiden van Frankrijk. Maar als antwoord op uw oproep wil ik nu aankondigen dat, in ieder geval op de laatste zondag van de Advent van dit jaar, in mijn viering van de heilige Eucharistie in mijn kathedraal en bij andere gelegenheden zoals het past, ik ad orientem zal vieren – in de richting van de Heer die komt. Voor de Advent zal ik een brief schrijven aan mijn priesters en mensen over deze kwestie om mijn beslissing toe te lichten. Ik zal hen aanmoedigen mijn voorbeeld te volgen. Ik zal hen vragen mijn persoonlijke getuigenis, als eerste herder van het bisdom, te ontvangen in de geest van iemand die zijn volk wil oproepen om hierdoor het primaatschap van de genade in hun liturgische vieringen te herontdekken. Ik zal uitleggen dat deze verandering ons zal helpen de fundamentele aard van de christelijke eredienst te herinneren: dat het steeds op de Heer gericht moet zijn.


Kardinaal Sarah, Addendum

We moeten ervoor zorgen dat aanbidding het hart is van onze liturgische vieringen. Te vaak maken we niet de beweging van viering naar aanbidding, maar als we dat niet doen ben ik bang dat we niet altijd volledig intern hebben deelgenomen aan de liturgie. Twee lichaamshoudingen zijn hier nuttig, zelf onmisbaar. De eerste is stilte. Als ik nooit stil ben, als de liturgie mij geen ruimte geeft voor stil gebed en bezinning, hoe kan ik dan Christus aanbidden, hoe ik mij dan in mijn hart en ziel met Hem verbonden voelen? Stilte is zeer belangrijk, en niet alleen voor en na de liturgie.

Zo is ook het knielen bij de consecratie (tenzij ik ziek ben) van belang. In het westen is dit een lichamelijke handeling van aanbidding die ons nederig maakt voor onze Heer en God. Het is in zichzelf een gebedshandeling. Waar knielen en buigen uit de liturgie zijn verdwenen moeten ze worden teruggebracht, in het bijzonder in verband met het ontvangen van onze Heer in de heilige communie. Beste priesters, vorm uw mensen, waar mogelijk en met pastorale prudentie, zoals ik eerder zei, in deze prachtige handeling van aanbidding en liefde. Laat ons wederom neerknielen in aanbidding en liefde voor de Eucharistische Heer!

In verband met het geknield ontvangen van de heilige communie  wil ik verwijzen naar de brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten uit 2002, die duidelijk maakt dat “elke weigering van de Heilige Communie aan één van de gelovigen op basis van zijn of haar knielende houding is een ernstige overtreding van één van de meest fundamentele rechten van de christengelovigen” (Brief, 1 juli 2002, Notitiae, n. 437, nov-dec 2002, p. 583).

Het correct kleden van alle liturgische bedienaren op het priesterkoor, inclusief de lectoren, is ook van groot belang, wil dit dienstwerk als authentiek beschouwd worden en wil het uitgevoerd worden met het decorum passend bij de heilige liturgie – ook de bedienaren zelf dienen de juiste eerbied te tonen voor de mysteries die zij toedienen.

Dit zijn enkele voorstellen: ik ben er zeker van dat er vele andere gedaan kunnen worden. Ik leg ze u voor als mogelijke manieren om verder te gaan naar “de juiste manier om de liturgie innerlijk en uiterlijk te vieren”, dat natuurlijk het verlangen was dat Kardinaal Ratzinger aan het begin van zijn grootse werk, De Geest van de Liturgie, uitdrukte (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 4). Ik moedig u aan om alles te doen dat u kunt om dit doel te realiseren, dat volledig in overeenstemming is met dat van de Constitutie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie.

 

 

“Farewell diocese” – Bishop de Korte says goodbye

While the Mass for his installation as bishop of ‘s-Hertogenbosch has begun, here is my translation of Bishop Gerard de Korte’s final message to the faithful of Groningen-Leeuwarden, the diocese he leaves behind:

Foto-Ramon-Mangold-ANP

“On Monday 29 February, around 10:30, the Papal Nuncio, Msgr. Aldo Cavalli, rang and asked if he could come to Groningen that day. He wanted to discuss an “important topic”. I knew then that it would be about the succession of Bishop Hurkmans of Den Bosch. And my intuition was confirmed that afternoon. The Nuncio told me that Pope Francis had appointed me as the new bishop of Den Bishop. The news led to some necessary chaos, both for me as for many faithful in our diocese.

In september of 2008 I was installed in the cathedral as bishop of Groningen-Leeuwarden. Despite all sorts of great and small concerns – when is our earthly life ever without clouds? – I look back on the years behind me with gratitude. A few years ago, the downsizing of the diocesan offices caused many concerns. Especially the letting go of several respected employees, solely for economic reasons, was a difficult but also necessary decision.

A lot has happened in the past years. Almost automatically, I recall the merger of parishes and caritas groups. After a long period of preparation and a broad consultation of pastoral teams and parish councils, the decision was made in autumn of 2011 to merge the 80 parishes into some 20 new parishes. This process must be completed on 1 January 2018. Starting point is the vision to combine administrative upscaling with pastoral downsizing. In the large diocese of the north we must try and maintain as many of the 80 faith communities as possible. In my letter “The years of truth” (January 2015) I made a distinction between church building and faith community. When it is no longer possible to maintain a church building, but the local faith community is still (relatively…) alive, the faithful can choose to continue coming together for the liturgy and other activities. The core thought here is: keeping the Church as close to the faithful as possible.

By now, I have moved to ‘s-Hertogenbosch. Moving is an exercise in the art of letting go. I have to say goodbye to a nice house, a great team of coworkers and so many other good people. In recent days I have spoken of an Abrahamic experience. Like the father of our faith I must leave the good and familiar country and go into the unknown in the hope that it will be good to be there as well. By the way, I am confident that I will soon find a true home again in Den Bosch.

You will go on as Catholics of the north. A small but conscious minority. I gladly repeat the call from my letter “The years of truth”: Catholics, take your responsibility. You are called to manifest the faith of your baptism. Pope Francis urges Catholics not to remain hidden in the sacristy or church building. Vital faith communities are missionary communities with open doors. All things being equal, we gather in out church buildings for the celebration of the Eucharist and other forms of liturgy. This feeds our soul and gives us the strength to give form to the imitation of Christ in our daily lives. Pope Francis frequently speaks of a Church which looks towards all of society. A Church that prefers to be dirty because she has spent too much time in the streets, instead of sick because she has been inside too much.

Finally, I would invite you to pray for each other. Hopefully you are willing to pray for the success of my new mission in the south. My task will not always be easy, but much is possible in the power of God’s Spirit. In the south I pray for wisdom for Pope Francis and all who are preparing the appointment of a new bishop. I hope for a new bishop who will work for a warm and hospitable Church around Christ as our living Lord. I wish you all the best and God’s  blessing. Continue on the path of faith, hope and especially love “trusting in Christ”.

+ Msgr. Dr. Gerard De Korte”

Photo credit: Ramon Mangold

For clarity – Pope Francis and female deacons

deacon ordinationPope Francis’ recent suggestion that a commission should be formed to study the form and fucntion of female deacons in the early Church (with, one would think, an eye on their possible re-introduction into the life of the Church today) has led to much enthusiasm and outrage, both for all the wrong reasons.

The papal comments came as an answer to the question if the permanent diaconate could not be open to men and women alike. It being a spontaneous question-and-answer session, the Holy Father obviously did not have all the necessary information at the ready, so he chose to share what he recalled from conversations with a Syrian theologian he used to meet in Rome, well before he became Pope.

And those recollections immediately point out some of the problems in equating male and theoretical female deacons. The latter’s role was found in sensitive and private situations between women: baptism, which at that time was performed by full immersion, but also cases in which a woman would have to present the physical evidence of an abusive husband! The differences with the duties of a male deacon – who has financial and charitable responsibilities, as well as clearly-defined duties in the liturgy of the Mass – are clear.

A 2002 study by the International Theological Commission, summarised here, also states this, and further reaffirms the unity of the sacrament of Holy Orders – the grades of deacon, priest and bishop. A deacon is, at least in theory, able to be ordained as priest and bishop. The Church only has the authority to ordain men, not women (as Pope Francis has pointed out more than once), so in regard to the sacrament, female deacons are not possible.

Many of the duties of a deacon can be performed perfectly well by a woman. In fact, as Father Dwight Longenecker points out, in many parishes, women are already in charge of finances and run the charitable efforts of the community. You don’t need to be ordained for that. Pope Francis is not wrong when he started his answer with the half-joke that the female deacons of the Church are the religious sisters.

That leaves the duties for which ordination is a prerequisite: the liturgy of Holy Mass, such as, for example, reading the Gospel and giving the homily. Here, the deacon or priest does not do anything for himself: he performs the duties of proclamation and teaching of Christ. He is an alter Christus. The Church teaches that this is no act or show, but a sacramental reality, which we are asked to acknowledge in faith.

Some have chosen to see Pope Francis willingness to look into this matter as evidence that he wants female deacons, which is a ridiculous conclusion to draw. By that reasoning, Pope St. John Paul II wanted the same thing when he asked to International Theological Commission to study the matter…

Pope Francis said he wants clarification in this matter, and a conclusion along the lines of the 2002 study is no less a clarification than one that says, yes, there can be female deacons. But, it has to be said, all signs indicate that we should not expect the latter conclusion to be drawn.

Three years of Pope Francis – years of continuity of rupture?

Pope-Francis

^Three years ago tomorrow, the world’s first look at Pope Francis

Tomorrow marks the third anniversary of the election of Pope Francis. Time flies. And of course, countless commentators are picking their high and low points from these past years.  And it amazes me how much opposition the Holy Father still faces, especially in online Catholic media. And I know, that can’t be taken as an accurate reflection of the Catholic world as a whole, but this is communication, and there volume sometimes matters as much as accuracy and perhaps more than representation. It’s not nice, but there you have it.

In these comments, and not just those that specifically aim to give an overview of this pontificate, an artificial opposition between Pope Benedict XVI and Pope Francis is strikingly noticable. Pope Benedict said, this, taught that, and now Pope Francis says something else and teaches another thing, so the commentary goes. The implication being that what Pope Francis is saying, doing and emphasising is somehow contrary to the things Pope Benedict focussed on, and some even go so far as to call the current pontiff a heretic because of this preceived discrepancy. A careful reader of what Pope Francis says (and yes, I admit, a careful reading of his remarks, especially the off-the-cuff ones, can be a challenge), knows that this is not the case. Not only are the two pontiffs in agreement with each other when it comes to the content of the faith, the differences in their focus is also not as large as some would have us think.

A fair few number of people lament the fact that Pope Francis emphasises mercy, care for the poor and creation and the economic inequality that seems an innate element of western capitalist societies. These are not really Catholic topics, they say, and the Pope should devote more time and focus on catechesis, liturgy, prayer, truth as revealed to us in the Gospels. But do these things suddenly no longer matter or exist, just because this Pope speaks about them less or in another way than his predecessor? Of course not. The Catholic Church consists of more than just the Pope, and we all share the same responsibility as he does: to proclaim the faith and defend it, to teach it, celebrate it properly and let it shine through in every part of our being and lives. Maybe we should talk less about what the Pope should say and say and do some things ourselves.

Sure, one may prefer one Pope over the other, but just because ‘your Pope’ has passed away or retired, his teachings have not. St. John Paul II’s teachings about the family and Pope Benedict XVI’s words about liturgy and truth remain as valid and valuable as Pope Francis’ attention to mercy and the environment. The different topics and emphases should not automatically be considered as contrary, but as in continuity. Pope Francis does not suddenly disregared his predecessors’ teachings simply because he speaks about something else. Neither should we.

Network of love – Bishop van den Hende on what makes a diocese

Last month, the Dioceses of Groningen-Leeuwarden and Rotterdam marked the 60th anniversary of their foundation. A week ago, the website of the latter diocese published the text of the Bishop Hans van den Hende’s homily for the festive Mass on 6 February. In it, the bishop puts the sixty years that the diocese has existed in perspective, and goes on the describe the diocese not as a territory, but as a part of the people of God, as the Second Vatican Council calls it in the decree Christus Dominus. Following Blessed Pope Paul VI, Bishop van den Hende explains that a diocese is a network of love. following the commandment of Jesus to remain in His love. This network starts in the hearts of people and as such it contributes to building a society of love and mercy.

20160206_Rotterdam_60JaarBisdom_WEB_©RamonMangold_08_348pix“Brothers and sisters in Christ, today we mark the sixtieth year of the existence of the Diocese of Rotterdam. “Sixty years, is that worth celebrating?”, some initially wondered. “We celebrated fifty years in a major way. One hundred years would be something.”

In the history of the Church, sixty years is not a long period of time. But sixty years is a long time when you consider it in relation to a human life. Many people do not reach the age of sixty because of hunger and thirst, war and violence. There are major areas where there hasn’t been peace for sixty years. Sixty years is long enough to contain a First and a Second World War.

Every year that the Lord gives us has its ups and downs, can have disappointments, great sorrow and joy. Sixty years we began as a diocese. In 1955, Pope Pius XII had announced that there would be two new dioceses in the Netherlands. The north of the country received the Diocese of Groningen. And here the Diocese of Rotterdam was created from the Diocese of Haarlem.

In 1956, on 2 February, both dioceses began. The new bishops came later. The bishops of the older dioceses of Utrecht and Haarlem initially were the administrators of the new dioceses. But in May of 1956 the first shepherds of the two new dioceses were consecrated (the consecration of Msgr. Jansen as bishop of Rotterdam was on 8 May 1956).

Describing the division of dioceses in provinces and areas, I could give you the impression that a diocese is in the first place a territory that can be pointed out geographically. But a diocese is not primarily a firmly defined area or a specific culture. The Second Vatican Council describes a diocese in the first place as a part of the people of God: “portio populi Dei” (CD, 11). The Vatican Council avoids here the word “pars”, that is to say, a physical piece.

A diocese is a part of the people of God. And that automatically makes a diocese a network of people united in faith around the one Lord. A network in the heart of society, connected to people that they may travel with. Pope Paul VI characterised the Church as a “network of love”, with the mission to contribute to a society of love in the entire world.

A network of love in unity with Jesus, who tells His disciples in the Gospel (John 15: 9-17), “Remain in my love”. Now that we are marking sixty years, we must recognise that things can go wrong in those sixty years, that there are things which do not witness to the love of Christ. How we treat each other, how parishes sometimes compete with each other, and also the sin of sexual abuse of minors and how we deal with that, these are part of our history.

Should we then say that this network of love is too difficult a goal to achieve? If we think that, we should remember what St. Paul says in the first reading (1 Cor. 1:3-9). He says: the network of love does not just belong to people, but is united with Jesus Christ, who helps us persevere until the end. Jesus is God’s only Son who has lived love to the fullest, who died on the cross, who rose from the dead and who made no reproaches but said, “Peace be with you” (cf. John 20:21).

The network of love is inspired by the Holy Spirit whose efficacy becomes visible where there is unity, where forgiveness is achieved, where people can bow to each other and serve one another.

To be a network of love is a duty that we must accept ever anew as a mission from the Lord. We are a diocese according to God’s heart, insofar as the witness to Christ has taken root in us (1 Cor. 1:5-6). When we do not consider the disposition of His heart we do not go His way. And when we do not store and keep His life in our hearts (cf. Luke 2:51), we are not able to proclaim His word and remain in His love.

As a diocese (as a local Church around the bishop) we are not just a part of the worldwide Church of Christ, but a part in which everything can happen which makes us Church in the power of the Holy Spirit: in the first place the celebration of the Eucharist as source and summit, and the other sacraments: liturgy. Communicating the faith in the proclamation of the Gospel: kerygma, which – in catechesis, for example – must be coupled with solidarity between the generations. And thirdly, that we, as a network of love, show our faith in acts of love: charity (cf. Deus caritas est, n. 23).

We celebrate this anniversary in a year of mercy, proclaimed by Pope Francis. It is a holy year of mercy. Mercy means on the one hand to continue trusting in God’s love, asking for forgiveness for what’s not right, for what is a sin. Allowing Him into our hearts. On the other hand it means that we make mercy a mission in our lives and show it in our service to our neighbours, in acts of love, in works of mercy. In the Gospel of Matthew, chapter 25, Jesus summarises this for us: I was thristy and you gave me to drink, I was hungry and you gave me to eat. I was naked, I was homeless and alone. Did you care for me? Jesus does not isolate people in need, but identifies Himself with them: You help me when you approach a person in need (vg. Matt. 25:40).

Characterising the diocese and the entire Church as a network of love is not a recent invention from our first bishop, Msgr. Jansen, but is an answer to Christ’s own mission for His Church. And many saints went before us on that path with that mission. Saint Lawrence was a deacon in third-century Rome (225-258), who helped the people where he could. And when the emperor wanted to take all the Church’s treasure, which wasn’t even in the form of church buildings, as the Christians did not have those yet, Lawrence did not come to him with the riches, but with the people in need. And he said, “These are the treasures of the Church”. These treasures don’t take the form of bank accounts or the wax candles the emperor loved so much, but people, who are images of God. Jesus looking into our hearts also asks us to see in the hearts of people. In this way we continue to celebrate Lawrence and his witness.

And what about Saint Elisabeth (1207-1231) who went out to give bread to people and help the sick? She was of noble birth and was expected not to do this, but she went out from her castle and helped people in need. In this way she was a face of God’s mercy. And consider Blessed Mother Teresa (1910-1997), of whom there is a statue in this church. She saw people collapsing in misery, lying in the gutter, and she saw in their hearts. And also in our city of Rotterdam we are happy to have sisters of Mother Teresa realising mercy in our time.

A network of love and building a society of love. What more can we do in love and mercy? Marking sixty years of our diocese, it is a good time to ask ourselves: has the witness of Christ, has His love properly entered our hearts? And then we should say, and I am answering on behalf of all of us: we could do better. We need mercy and are to communicate God’s merciful love. In this city and elsewhere we are to contribute to a civilisation of love, contribute to a community which builds up instead of tearing down. It is clear that neither the Kingdom of God nor a diocese can be found on a map, because it starts in the hearts of people.

I pray that we celebrate this anniversary today in the knowledge that God’s mercy accompanies us and that we may accept his mission of solicitude, compassion and mercy. This is more than enough work for us, but it is only possible when it fills our hearts. Amen.”

‘Embracing’ mercy – Bishop Hoogmartens’ message for Lent

Bishop Patrick Hoogmartens’ message for Lent, like many others, revolves around the special signifigance of Lent in the Holy Year of Mercy. He describes the Holy Year as an opportunity to become “better and more joyful Christians”, and mentions some of the means to do so in his own Diocese of Hasselt – the Holy Door, the Blessed Sacrament and the sacrament of confession at the cathedral and the preparation for the diocese’s 50th anniversary in 2017.

While treading carefully around such ‘hot button’ topics (or so some seem to perceive them) as personal prayer and sin, Bishop Hoogmartens joins Pope Francis in inviting his readers to make the mercy we receive from God an integral part of our lives, penetrating down into everything we say and do and into eveyr interacting with other people.

11-Mgr-Hoogmartens“Dear brothers and sisters,
Good friends,

Today is Ash Wednesday, the start of Lent: a time to prepare ourselves in order to fully experience Easter. This year, Lent is very special because of the Jubilee of Mercy which Pope Francis opened in early December in Rome.

In our cathedral too, in the ambulatory, in front at the left, a “Holy Door of Mercy” has been opened for the duration of the Holy Year of Mercy. Faithful – alone or as a group – are expected to enter through it as pilgrims, with the intention to enter into the reality that Jesus has revealed to us, the mercy of the Father. The image on the Door is that of Jesus, the Good Shepherd. He leads us – in the Spirit – to the mercy of the Father. Further along in the ambulatory of the cathedral one can physically go this path: past Mary, the Virga Jesse which will be placed there for the entire year, via a personal prayer before the Blessed Sacrament to receiving the sacrament of reconciliation, for which the presence of a confessor is assured.

For us faithful it is important to make use of the Jubilee of Mercy – wherever in the world – to become better and more joyful Christians. Lent offers rich opportunities for that. The liturgy frequently mentions God’s mercy. It also invites us to ’embrace’, which should be a part of the lifestyle of the Christian who always wants to make room in his heart for people living in poverty. It also invites us to personal prayer, each perhaps in his own rhythm and his own way, but best after the Biblical example. We are also invited to take part in the confession services which will be organised in the parish federations and deaneries. I will be leading the service in the cathedral on Monday in Holy Week.

By experiencing the Year of Mercy with many others in all its depth, we also prepare for living the glory of God’s mercy in the cathedral on the “starter evenings” on 20 and 21 September. A greater gift our diocese can not receive on the 50th anniversary of its founding.

As modern people, with so many other things on our minds, with a frequently busy life, and each with our own concerns, we perhaps wonder what this mercy means for us and the world? Pope Francis wrote a beautiful letter about it. But we ourselves also sense what it is about. We all know we are often weak, careless, focussed on ourselves, and yes, also sinful. From the mercy that we experience from God we in our turn can then be more merciful towards others, including people living in poverty. ‘Embracing’; Pope Francis calls it the key to the Gospel! The name of God is mercy, after all, as the title of his latest book says.

Would our world, with all its concerns, with so much violence, with the refugee crisis and poverty issues, not gain much when many would experience and contemplate the “mercy of the Father” as Jesus showed it to us?

When that mercy also becomes an incentive for political and economical leaders, of pedagogues and parents and of communities, the world can only become better. It is the joy of Easter which for us Christians always remains the corner stone in this context. And we can already look ahead to that Easter now.

In the meanwhile, let us practice in this Lent for a simpler life, the application of prayer and the sacraments and the love for everyone encountered, who we want to embrace out of God’s mercy.

I gladly wish you a meaningful and blessed Lent, in this Jubilee of Mercy.

+ Patrick Hoogmartens
Bishop of Hasselt”