In Germany, the numbers speak

numbersThe Catholic Church in Germany has published its annual statistics overview over 2015, and for the first time in several years there is a positive development to be noted when compared to the previous year. It remains to be seen if this development continues into the future, but it does begs the questions if this is the result of something like a Francis Effect, or of some other recent trend in the Church or the world. Cardinal Reinhard Marx, commenting on the numbers, believes it is due to there not only being an interest in what the Church has to offer, but also an active desire fore the sacraments:

“The statistics over 2015 indicate that the Church in Germany remains, as before, a strong force, whose message is heard and accepted. There is evidently not only an interest, but also an active desire for the sacraments of the Church, as the slight increase in the number of Baptisms and marriages shows. Although the number of people leaving the Church has decreased when compared to 2014, the number remains high, indicating we should persevere in our pastoral efforts. We need a “demanding pastoral approach” which does justice to the various realities of people and communicates the hope of the faith in a convincing manner. The completion of the Synod of Bishops in the past year, as well as Pope Francis’ Apostolic Letter Amoris laetitia are important signposts.

“But the naked numbers also show that the Church in our country is an integral part of our society. We will develop our pastoral efforts further on the basis of these statsitics. A lot has already been done in the dioceses. I am thinking of the process of dialogue concluded in the past year, which has contributed to a renewal in the Church. Pope Francis encourages us when he says that the path to the Church of the future is the part of a “synodal Church”. This means that all the faithful, laity and clergy, are required! In the future, we will bear witness of our faith together and proclaim the Gospel with conviction.”

The cardinal, who serves as the president of the German Bishop’s Conference, is optimistic, and the latest numbers do warrant some measure of optimism. Many dioceses are reporting changes in trends of several years, especially in the number of baptisms and marriages, revealing that 2014/2015 is, for now a turning point in some areas. When comparing the 2015 statstics with those of 1995, 20 years ago, it becomes clear how welcome this change is. The number of Catholics is still lower than in 1995, sometimes significantly so (of note are the Dioceses of Görlitz and Magdeburg). Baptisms, however, are more frequent in some dioceses than they were in 1995. Berlin, Dresden-Meißen and Erfurt all report increases. It is interesting to see that both these dioceses and those with the most extreme drops in Catholic faithful are in the east of Germany, where secularism is most prevalent after decades of communist rule. This increase can be partly attributed to immigration, from both Poland and the further abroad.

Marriages are still in crisis, however, with the numbers halved in some places over the past 20 years (Bamberg, Berlin, Dresden-Meißen, Erfurt, Görlitz, Hamburg, München und Freising, Passau and Würzburg are the only dioceses to have kept their numbers at 50% or above).

Robert Kardinaal Sarah: “Naar een authentieke toepassing van Sacrosanctum Concilium”

This is a Dutch translation of Cardinal Robert Sarah’s address on the first day of the Sacra Liturgia conference, held in London from 5 to 8 July. This translation is based on the text as released via the Sacra Liturgia Facebook page. It is not a complete transcript of what Cardinal Sarah said. This is expected to be released sometime next week, after the cardinal has added a few points once he returns to Rome. In due time, this address, as well as the conference’s other papers, will be published in book form.


Dit is een Nederlandse vertaling van de toespraak die Kardinaal Robert Sarah heeft gegeven op de eerste dag van de Sacra Liturgia conferentie, gehouden in Londen van 5 tot 8 juli. Deze vertaling is gebasseerd op de tekst zoals die op de Facebook-pagina van Sacra Liturgia werd gepubliceerd. Het is geen volledige transcriptie van wat Kardinaal Sarah heeft gezegd. Het is de verwachting dat deze in de loop van de komende week wordt uitgegeven, zodra de kardinaal een aantal punten toe heeft kunnen voegen na zijn terugkeer naar Rome. Uiteindelijk zal deze toespraak, samen met alle andere die tijdens de conferentie gehouden zijn, in boekvorm uitgegeven worden.

TOESPRAAK VAN ZIJNE EMINENTIE ROBERT KARDINAAL SARAH:
“NAAR EEN AUTHENTIEKE TOEPASSING VAN SACROSANCTUM CONCILIUM”

IMG_7842

Ik wil in de eerste plaats mijn dank uitspreken aan Zijne Eminentie Vincent Kardinaal Nichols, voor zijn welkom in het Aartsbisdom Westminster en zijn vriendelijke begroetingswoorden. Eveneens wil ik Zijne Excellentie Bisschop Dominique Rey, bisschop van Fréjus-Toulon, danken voor zijn uitnodiging om hier met u aanwezig zijn bij de derde internationale “Sacra Liturgia” conferentie, en vanavond de openingstoespraak te presenteren. Uwe Excellentie, ik feliciteer u met dit internationale initiatief ter bevordering van de studie van het belang van liturgische vorming en viering in het leven en de missie van de Kerk.

In deze toespraak wil ik een aantal overwegingen aan u voorleggen over hoe de westerse Kerk naar een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium kan toewerken. Hiermee wil ik de vraag stellen: “Wat hadden de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie voor ogen met de liturgische hervorming?” Daarna wil ik bespreken hoe hun bedoelingen na het Concilie zijn toegepast. Uiteindelijk zou ik u een aantal voorstellen willen voorleggen over het liturgisch leven van de Kerk vandaag, zodat onze liturgische praktijk de bedoelingen van de Concilievaders beter kan weergeven.

Het is volgens mij overduidelijk dat de Kerk leert dat de katholieke liturgie de unieke bevoorrechte locus is van het verlossende handelen van Christus in onze huidige wereld, door middel van werkelijke participatie waarin wij Zijn genade en kracht ontvangen die zo nodig zijn voor onze volharding en groei in het christelijk leven. Het is de goddelijke vastgestelde plaats waar wij onze plicht tot het aanbieden van een offer, het Ene Ware Offer, aan God komen vervullen. Het is waar we onze diepgaande behoefte om God te aanbidden verwerkelijken. Katholieke liturgie is iets heiligs, iets dat door haar aard heilig is. Katholieke liturgie is geen gewone menselijke samenkomst.

Ik wil hier een zeer belangrijk feit onderstrepen: God, niet de mens, staat in het hart van de katholieke liturgie. We komen om Hem te aanbidden. De liturgie gaat niet om jou of mij; we vieren er niet onze eigen identiteit of prestaties, verheerlijken of promoten er niet onze eigen cultuur of plaatselijke religieuze gewoontes. De liturgie draait in de allereerste plaats om God en wat Hij voor ons gedaan heeft. In Zijn Goddelijke Voorzienigheid heeft de Almachtige God de Kerk gesticht en de heilige liturgie ingesteld waarmee wij Hem ware aanbidding kunnen opdragen in overeenstemming met het Nieuwe Verbond dat Christus gebracht heeft.Hierdoor, door het binnengaan van de vereisten van de heilige riten die in de traditie van de Kerk zijn ontwikkeld, krijgen wij onze ware identiteit en betekenis als zonen en dochters van de Vader.

Het is van essentieel belang dat we dit specifieke karakter van de katholieke eredienst begrijpen, want in recente decennia hebben we vele liturgische vieringen gezien waarin mensen, persoonlijkheid en menselijke prestaties te prominent aanwezig waren, bijna tot uitsluiting van God. Zoals Kardinaal Ratzinger ooit schreef: “Als de liturgie in de eerste plaats een werkplaats voor ons eigen handelen lijkt, dan wordt het essentiële vergeten: God. Het vergeten van God is het meest dreigende gevaar van onze tijd” (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 593). 

We moeten volkomen duidelijk zijn over de aard van de katholieke eredienst als we de Constutitie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie op de juiste wijze willen lezen en als we deze getrouw willen uitvoeren.

Al vele jaren voor het Concilie, in zowel missielanden als in de meer ontwikkelde gebieden, was er veel discussie over de mogelijkheid om het gebruik van de volkstalen in de liturgie uit te breiden, vooral voor de lezingen uit de Heilige Schrift, alsook voor een aantal andere onderdelen van het eerste deel van de Mis (wat we nu de “dienst van het Woord” noemen) en de liturgische zang. De Heilige Stoel had al meerdere keren toestemming gegeven voor het gebruik van de volkstaal in het toedienen van de sacramenten. Dit is de context waarin de Concilievaders spraken over de mogelijke positieve oecumenische of missionaire gevolgen van liturgische hervorming. Het is waar dat de volkstaal een positieve plaats heeft in de liturgie. Hier zochten de Vaders naar, niet naar de protestantisering van de Heilige Liturgie of instemmend met haar onderwerping aan een valse inculturisatie.

Ik ben een Afrikaan. Laat me dit duidelijk maken: de liturgie is niet de plaats om mijn cultuur te promoten. Het is veeleer de plaats waar mijn cultuur gedoopt wordt, waar mijn cultuur in het goddelijke wordt opgenomen. Door de liturgie van de Kerk (die missionarissen door heel de wereld hebben meegedragen) spreekt God tot ons, verandert Hij ons en stelt ons in staat deel te nemen in Zijn goddelijk bestaan. Als iemand christen wordt, als iemand in volledige eenheid met de katholieke kerk komt, ontvangt hij iets meer, iets dat hem verandert. Zeker, culturen en andere christenen brengen gaven met zich mee in de Kerk – de liturgie van de Ordinariaten voor Anglicanen die nu in volle eenheid met de Kerk zijn is hier een prachtig voorbeeld van. Maar zij brengen deze gaven met nederigheid, en de Kerk, in haar moederlijke wijsheid, maakt er gebruik zoals zij dat goed acht.

Eén van de duidelijkste en mooiste uitdrukking van de bedoelingen van de Concilievaders is te vinden aan het begin van het tweede hoofdstuk van de Constitutie, dat het mysterie van de Hoogheilige Eucharistie behandelt. In nummer 48 lezen we:

“Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan de tafel van ‘s Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem, en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte Gods alles in allen moge zijn.”

Broeders en zusters, dit is wat de Concilievaders wilden. Jazeker, ze discussieerden en stemden over specifieke manieren om hun bedoelingen toe te passen. Maar laat ons glashelder zijn: de rituele hervormingen in de Constitutie, zoals het herstel van het gebed van de gelovigen tijdens de Mis (n. 53), de uitbreiding van de concelebratie (n. 57) of een aantal van haar beleidslijnen zoals de vereenvoudiging verlangd in nummers 34 en 50, zijn alle ondergeschikt aan de fundamentele bedoelingen van de Concilievaders die ik zojuist heb omschreven. Het zijn middelen tot een doel, en het is het doel dat wij moeten behalen.

Als we naar een authentiekere toepassing van Sacrosanctum Concilium willen toewerken, dan moeten we op de allereerste plaats deze einddoelen in het oog houden. Misschien dat, als we ze met een frisse blik en met het voordeel van de ervaring van de laatste vijf decennia bestuderen, we sommige rituele hervormingen en bepaalde liturgische beleidslijnen in een ander licht zullen zien. Als sommige van deze nu moeten worden heroverwogen, om zo “het christelijk leven onder de gelovigen steeds hoger op te voeren” en “alle mensen tot de Kerk te roepen”, laat ons dan de Heer vragen ons de liefde en de nederigheid en wijsheid te schenken om dit te doen.

Ik noem deze mogelijkheid om opnieuw naar de Constitutie en de hervorming die volgde op de publicatie ervan te kijken, omdat ik niet denk dat we vandaag zelfs ook maar de eerste paragraaf van Sacrosanctum Concilium eerlijk kunnen lezen en tevreden kunnen zijn dat we de doelstellingen ervan hebben bereikt. Broeders en zusters, waar zijn de gelovigen waarover de Concilievaders spraken? Vele gelovigen zij nu ongelovig: ze komen helemaal niet meer naar de liturgie. In de woorden van de heilige Johannes Paulus II: vele christenen leven in een staat van “stille afvalligheid;” zij “leven alsof God niet bestaat” (Apostolische Exhortatie Ecclesia in Europa, 28 juni 2003, 9). Waar is de eenheid die het Concilie hoopte te bereiken? We hebben het nog niet bereikt. Hebben we werkelijk vooruitgang geboekt in het roepen van alle mensen tot de Kerk? Ik denk het niet. En toch hebben we heel veel in de liturgie gedaan!

In mijn 47 jaar als priester en na meer dan 36 jaar aan bisschoppelijk dienstwerk kan ik verklaren dat vele katholieke gemeenschappen en individuen de liturgie, zoals hervormd na het Concilie, met geestdrift en vreugde leven en vieren, en er veel van, zo niet al, het goede uit halen dat de Concilievaders verlangden. Dit is een grote vrucht van het Concilie. Maar uit mijn ervaring – nu ook als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten – weet ik ook dat er vele vervormingen van de liturgie in heel de Kerk van vandaag bestaan, en er zijn vele situaties die verbeterd kunnen worden zodat de doelstellingen van het Concilie behaald kunnen worden. Voor ik over een aantal mogelijke verbeteringen spreek, laten we bedenken wat er gebeurde na de publicatie van de Constitutie over de Heilige Liturgie.

Terwijl het officiele hervormingswerk plaatsvondt ontstonden er een aantal zeer ernstige verkeerde interpretaties van de liturgie en deze schoten wortel in verschillende plaatsen in de wereld. Deze misbruiken van de Heilige Liturgie ontwikkelden zich vanwege een foutief begrip van het Concilie en resulteerden in liturgische vieringen die subjectief waren en meer gericht op de verlangens van de individuele gemeenschap dan op de offerdienst van de Almachtige God. Mijn voorganger als Prefect van de Congregatie, Francis Kardinaal Arinze, noemde dit ooit eens “de doe-het-zelf Mis”. De heilige Johannes Paulus II vond het zelfs noodzakelijk het volgende te schrijven in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003):

“Deze dienst van de verkondiging van de kant van het Leergezag heeft een antwoord gekregen in de innerlijke groei van de christelijke gemeente. Zonder twijfel heeft de liturgiehervorming van het Concilie in hoge mate bijgedragen aan een bewustere, actievere en vruchtbaarder deelname aan het heilig Offer van het Altaar van de kant van de gelovigen. Op veel plaatsen is Aanbidding van het Allerheiligst Sacrament ook een belangrijke dagelijkse praktijk en wordt een onuitputtelijke bron van heiligheid. De vrome deelname van de gelovigen aan de eucharistische processie op Sacramentsdag is een genade van de Heer die ieder jaar vreugde brengt aan hen die eraan deelnemen. Andere positieve tekenen van geloof in en liefde voor de Eucharistie zouden nog genoemd kunnen worden.

Helaas is er naast dit licht ook schaduw. Op sommige plaatsen is de praktijk van de eucharistische Aanbidding vrijwel volledig verwaarloosd. In verschillende delen van de Kerk zijn misbruiken opgetreden, die lijden tot verwarring met betrekking tot het gezonde geloof en de katholieke leer ten aanzien van dit wonderbaarlijke Sacrament. Soms komt men een uiterst verengd begrip van het eucharistische mysterie tegen. Beroofd van zijn betekenis als offer wordt het gevierd als ware het eenvoudigweg een broederlijke maaltijd. Daarenboven wordt van tijd tot tijd de noodzaak van het ambtelijke priesterschap dat wortelt in de apostolische opvolging verduisterd en de sacramentaliteit van de Eucharistie wordt teruggebracht tot louter werkdadigheid in de verkondiging. Dit heeft hier en daar geleid tot oecumenische initiatieven die hoewel edel in hun motieven, toegeven aan eucharistische praktijken die in tegenspraak zijn met de discipline waarmee de Kerk haar geloof uitdrukt. Kunnen wij anders dan onze diepe droefheid over dit alles uitdrukken? De Eucharistie is een te groot geschenk dan dat wij dubbelzinnigheid en verschraling van de betekenis zouden kunnen dulden.

Ik vertrouw erop dat deze encycliek er effectief aan kan bijdragen om de schaduwen van onaanvaardbare doctrines en praktijken te verdrijven, opdat de Eucharistie verder moge stralen in heel de glans van haar mysterie (n. 10).”

Hier bestond ook een pastorale werkelijkheid: om goede redenen of niet, sommige mensen konden of wilden niet deelnemen aan de hervormde riten. Zij bleven weg of namen alleen deel aan de niet-hervormde liturgie waar ze die konden vinden, zelfs als de viering ervan niet was toegestaan. Zo werd de liturgie een uitdrukking van verdeeldheid in de Kerk, in plaats van één van katholieke eenheid. Het Concilie wilde niet dat de liturgie ons van elkaar scheidde! De heilige Johannes Paulus II werkte aan het genezen van deze verdeling, met de hulp van Kardinaal Ratzinger die, als Paus Benedictus XVI, de nodige interne verzoening in de Kerk wilde faciliteren door in zijn Motu Proprio Summorum Pontificum (7 juli 2007) te bepalen dat de oudere vorm van de Romeinse ritus zonder beperkingen beschikbaar moet zijn voor die individuen en groepen die uit haar rijkdom willen putten. In Gods Voorzienigheid is het nu mogelijk onze katholieke eenheid te vieren met respect voor, en zelfs vreugde in, een legitieme diversiteit van de rituele praktijk.

We mogen dan een hele nieuwe, moderne liturgie in de volkstaal hebben opgebouwd, maar als we niet de juiste basis hebben gelegd – als onze seminaristen en geestelijkheid niet “diep doordrongen zijn van de geest en de kracht van de liturgie”, zoals het Concilie vroeg – dan kunnen zij zelf de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd niet vormen. We moeten de woorden van het Concilie zelf zeer serieus nemen: het zou “kansloos” zijn te hopen op een liturgische vernieuwing zonder een grondige liturgische vorming. Zonder deze essentiële vorming zouden geestelijken zelfs schade toebrengen aan het geloof van mensen in het eucharistisch mysterie.

Ik wil niet bovenmatig pessimistisch overkomen, en ik zeg nogmaals: er zijn vele, vele gelovige mannelijke en vrouwelijke leken, vele geestelijken en religieuzen voor wie de liturgie zoals hervormd na het Concilie een bron van veel geestelijke en apostolische vruchten is, en daar dank ik de Almachtige God voor. Maar ik denk dat u het met mij eens zal zijn, zelfs op basis van mijn korte analyse hierboven, dat we beter kunnen doen, zodat de Heilige Liturgie werkelijk de bron en het hoogtepunt van het leven en de missie van de Kerk wordt, nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals de Concilievaders zozeer verlangden.

Gezien de fundamentele verlangens van de Concilievaders en de verschillende situaties die na het Concilie zichtbaar zijn geworden, zou ik een aantal praktische overwegingen willen presenteren over hoe we Sacrosanctum Concilium vandaag beter kunnen toepassen. Ook al dien ik als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, ik doe dit in alle nederigheid als een priester en een bisschop in de hoop dat dit een volwassen reflectie en studie en goed liturgisch handelen in heel de Kerk zal bevorderen.

Het zal geen verrassing zijn wanneer ik zeg dat we in de eerste plaats de kwaliteit en diepgang van onze liturgische vorming moeten onderzoeken, hoe we de geest en kracht van de liturgie overbrengen op onze geestelijken, religieuzen en lekengelovigen. Te vaak nemen we aan dat onze wijdingskandidaten voor het priesterschap of het permanente diaconaat genoeg over de liturgie “weten”. Maar het Concilie drong hierin niet aan op kennis, hoewel de Constitutie natuurlijk het belang van liturgiestudie onderstreepte (zie n. 15-17). Nee, de eerste en essentiële liturgische vorming is meer een onderdompeling in de liturgie, in het diepe mysterie van God, onze liefhebbende Vader. Het is een kwestie van de liturgie beleven in al haar rijkdom, zodat we, na gedronken te hebben uit haar bron, altijd dorsten naar haar verrukkingen, haar orde en schoonheid, haar stilte en bezinning, haar verheerlijking en aanbidding, haar vermogen ons ten diepste te verbinden met Hem die in en door de riten van de Kerk werkt.

Als we hier zorg voor dragen, als onze nieuwe priesters en diakens werkelijk dorsten naar de liturgie, zullen zij op hun beurt in staat zijn degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te vormen – zelfs als de liturgische situatie en mogelijkheden van hun kerkelijke missie bescheidener zijn dan die van het seminarie of de kathedraal. Ik weet van vele priesters in zulke omstandigheden die hun mensen vormen in de geest en kracht van de liturgie, en wier parochies voorbeelden zijn van grote liturgische schoonheid. We moeten niet vergeten dat waardige eenvoud niet hetzelfde is als reductief minimalisme of een verwaarloosde en vulgaire stijl. Zoals onze Heilige Vader, Paus Franciscus, leert in zijn Apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium: “De Kerk evangeliseert en evangeliseert zichzelf met de schoonheid van de liturgie, die ook viering is van de evangeliserende activiteit en bron van een hernieuwde impuls tot zelfgave.” (n. 24)

Ten tweede denk ik dat het zeer belangrijk is dat we duidelijk zijn over de aard van liturgische participatie, van de participatio actuosa waar het Concilie toe opriep. Hierover is veel verwarring geweest in de laatste decennia. Nummer 48 van de Constitutie zegt: De Kerk wil “dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling.” Het Concilie beschouwt participatie als voornamelijk intern, voortkomend uit een goed begrip van de riten en gebeden. Zeker, de Concilievaders vragen de gelovigen te zingen, de priester te antwoorden, liturgische taken op zich te nemen die rechtmatig de hunne zijn, maar staan erop dat allen zich bewust zijn van wat ze doen, “godvruchtig en actief”.

Als we het belang van de internisalisatie van onze liturgische participatie begrijpen zullen we het luidruchtige en gevaarlijke liturgische activisme, dat in de laatste decennia zo prominent aanwezig is geweest, vermijden. We gaan niet naar de liturgie om op te treden, om dingen te doen zodat anderen het kunnen zien: we gaan om verbonden te worden met het handelen van Christus door een internalisatie van de uitwendige liturgische riten, gebeden, tekenen en symbolen. Wellicht dat degenen die geroepen zijn tot liturgisch dienstwerk dit zich beter moeten herinneren dan anderen! Maar we moeten anderen ook vormen, in het bijzonder onze kinderen en jonge mensen, in de ware betekenis van liturgische participatie, in de ware manier om de liturgie te bidden.

Ten derde, ik heb gesproken over het feit dat een aantal hervormingen die na het Concilie zijn ingevoerd mogelijk zijn samengesteld volgens de tijdsgeest en dat er een groeiende hoeveelheid studie door trouwe zonen en dochters van de Kerk is geweest, waarin wordt gevraagd of wat was ingevoerd werkelijk de doelstellingen van de Constitutie toepaste, of dat ze er in werkelijkheid aan voorbij gingen. Deze studie vindt soms plaats onder de noemer “hervorming van de hervorming” en ik weet dat EH Thomas Kocik over deze kwestie een doorwrochte studie heeft gepresenteerd tijdens de Sacra Liturgia conferentie in New York, een jaar geleden.

Ik denk niet dat we de mogelijkheid of de wenselijkheid van een officiële hervorming van de liturgische hervorming kunnen afwijzen, omdat haar voorstanders een aantal belangrijke beweringen doen in hun pogingen trouw te zijn aan de nadruk van het Concilie in nummer 23 van de Constitutie “om de gezonde traditie te bewaren en toch de weg te openen voor een gewettigde vooruitgang”, en dat “vernieuwingen niet plaats hebben, tenzij deze door een werkelijk en duidelijk nut van de Kerk worden vereist, waarbij men er op dient te letten, dat de nieuwe vormen als het ware organisch voortkomen uit de reeds bestaande vormen.”

Ik kan meedelen dat, toen ik afgelopen april door de Heilige Vader in audiëntie werd ontvangen, Paus Franciscus mij vroeg de kwestie van een hervorming van een hervorming te bestuderen en hoe beide vormen van de Romeinse ritus te verrijken. Dat zal een fijngevoelig werk zijn en ik vraag om uw geduld en gebed. Maar als we Sacrosanctum Concilium beter willen toepassen, als we willen bereiken wat het Concilie verlangde, dan is dit een serieuze kwestie die zorgvuldig moet worden bestudeerd en behandeld met de nodige duidelijkheid en voorzichtigheid.

Wij priesters, wij bisschoppen dragen een grote verantwoordelijkheid. Hoe leidt ons goede voorbeeld tot goed liturgisch handelen; hoe kwetst onze onachtzaamheid of wangedrag de Kerk en haar heilige liturgie!

Wij priesters moeten in de allereerste plaats aanbidders zijn. Onze mensen zien het verschil tussen een priester die met geloof viert en één die haastig viert, veel op zijn horloge kijkt, bijna alsof hij zo snel mogelijk weer terug naar de televisie wil! Priesters, we kunnen niets belangrijkers doen dan de heilige mysteries te vieren: laten we oppassen voor de verleiding van liturgische luiheid, want dat is een verleiding van de duivel.

We moeten onthouden dat wij niet de makers van de liturgie zijn. Wij zijn haar nederige bedienaars, onderworpen aan haar discipline en wetten. Wij hebben ook de verantwoordelijkheid om degenen die ons bijstaan in liturgische functies te vormen in zowel de geest en kracht van de liturgie en zeker ook haar regels. Ik heb soms priesters een stap terug doen zetten om buitengewone bedienaars de Heilige Communie uit te laten delen: dit is fout, het is een ontkenning van het priesterlijk dienstwerk evenals een klerikalisering van de leken. Wanneer dit gebeurt is het een teken dat de vorming verkeerd is gegaan, en dat het gecorrigeerd moet worden.

Ik heb ook priesters en bisschoppen gezien die, gekleed om de Heilige Mis te vieren, telefoons en camera’s tevoorschijn haalden en in de heilige liturgie gebruikten. Dit is een verschrikkelijke aanklacht tegen het begrip dat zij hebben over wat ze doen als ze de liturgische gewaden aantrekken, dus zich als een alter Christus kleden – en nog meer, als ipse Christus, als Christus zelf. Dit is heiligschennis. Geen bisschop, priester of diaken die is gekleed voor het liturgisch dienstwerk of aanwezig op het priesterkoor moet foto’s nemen, zelfs niet tijdens grote geconcelebreerde Missen. Dit priesters dit vaak doen tijdens zulke Missen, of met elkaar praten of nonchalant zitten, is volgens mij een teken dat wij opnieuw moeten nadenken over de gepastheid van deze Missen, vooral als het priesters aanzet tot zulk schandalig gedrag dat het gevierde mysterie zo onwaardig is, of als de grootte van deze geconcelebreerde vieringen tot het risico van ontheiliging van de heilige Eucharistie leidt.

Ik wil een beroep doen aan alle priester. U heeft misschien mijn artikel in L’Osservatore Romano van een jaar geleden (12 juni 2015) gelezen, of mijn interview met het tijdschrift Famille Chrétienne in mei van dit jaar. Bij beide gelegenheden heb ik gezegd dat ik denk dat het heel belangrijk is dat we zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting, van priesters en gelovigen samen in dezelfde richting – naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt, in die delen van de liturgische riten waarin we ons tot God richten. Dit is toegestaan onder de huidige liturgische regels. Het is volledig legitiem in de moderne ritus. Ik denk dat het een heel belangrijke stap is om te verzekeren dat in onze vieringen de Heer werkelijk in het centrum staat.

En dus, beste priesters, vraag ik u dit waar mogelijk toe te passen, voorzichtig en met de nodige catechese, zeker, maar ook met het zelfvertrouwen van een herder dat dit iets goeds is voor de Kerk, iets goeds voor onze mensen. Uw eigen pastorale oordeel zal bepalen hoe en wanneer dit mogelijk is, maar wellicht is de eerste zondag van de Advent van dit jaar, wanneer we uitkijken naar “de Heer die zal komen” en “die niet aarzelt”, een hele goede tijd om dit te doen. Beste priesters, we zouden opnieuw moeten luisteren naar de klaagzang van God zoals verkondigd door de profeet Jeremia: “ze hebben Mij de rug toegekeerd” (2:27). Laat ons weer naar de Heer terugkeren!

Ik zou ook een beroep willen doen op mijn broeders bisschoppen: leidt u alstublieft uw priesters en mensen op deze manier naar de Heer, in het bijzonder in grote vieringen in uw bisdommen en in uw kathedraal. Vorm uw seminaristen alstublieft in de werkelijkheid dat we niet tot het priesterschap geroepen zijn om zelf in het hart van de liturgische eredienst te staan, maar om de gelovigen van Christus als medegelovigen naar Hem te leiden. Maak deze eenvoudige maar diepgaande hervorming alstublieft mogelijk in uw bisdommen, uw kathedralen, uw parochies en uw seminaries.

Wij bisschoppen hebben een grote verantwoordelijkheid, en ooit zullen we ons voor de Heer moeten verantwoorden over ons beheer. Wij bezitten niets! Zoals de heilige Paulus ons leert, wij zijn slechts “helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen” (1 Kor. 4:1). Wij hebben de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de heilige werkelijkheid van de liturgie wordt gerespecteerd in onze bisdommen en dat onze priesters en diakens zich niet alleen aan de liturgische voorschriften houden, maar de geest en de kracht van de liturgie waaruit deze voortkomen kennen. Ik was zeer bemoedigd door het lezen van de presentatie getiteld “The Bishop: Governor, Promoter and Guardian of the Liturgical Life of the Diocese”, gegeven voor de Sacra Liturgia conferentie in Rome in 2013 door aartsbisschop Alexander Sample van Portland in Oregon in de VS, en ik raad mijn broeders bisschoppen op broederlijke wijze aan zijn overwegingen zorgvuldig te bestuderen.

Hier herhaal ik wat ik elders heb gezegd: dat Paus Franciscus mij heeft gevraagd het liturgisch werk voort te zetten dat Paus Benedictus begonnen is (zie: Boodschap aan Sacra Liturgia 2015, New York City). Het feit dat we een nieuwe paus hebben betekent niet dat de visie van zijn voorganger nu niet langer geldig is. Integendeel, zoals we weten heeft onze Heilige Vader Paus Franciscus het grootste respect voor de liturgische visie en maatregelen die Paus Benedictus heeft uitgevoerd in opperste trouw aan de wensen en doelstellingen van de Concilievaders.

Staat u mij, voor ik afrond, toe een aantal andere kleine manieren te noemen die ook bij kunnen dragen aan een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium. Eén daarvan is dat we de liturgie moeten zingen, we moeten de liturgische teksten zingen, met respect voor de liturgische tradities van de Kerk en ons verheugend in de schatkist aan gewijde muziek die de onze is, in het bijzonder die muziek die hoort bij de Romeinse ritus, het Gregoriaans. We moeten gewijde liturgische muziek zingen, en niet slechts religieuze muziek of, erger, wereldse muziek.

We moeten de juiste balans vinden tussen de volkstalen en het gebruik van het Latijn in de liturgie. Het Concilie heeft nooit de bedoeling gehad dat de Romeinse ritus volledig in de volkstaal gevierd zou worden. Maar het wilde wel een breder gebruik ervan toestaan, in het bijzonder voor de lezingen. Tegenwoordig zou het mogelijk moeten zijn, vooral door moderne druktechnieken, om voor ieder het begrijpen van het Latijn te vergemakkelijken, wellicht voor de liturgie van de Eucharistie, en dit is natuurlijk met name gepast bij internationale samenkomsten waar de plaatselijke volkstaal door velen niet verstaan wordt. En wanneer de volkstaal gebruikt wordt moet het natuurlijk een juiste vertaling van het originele Latijn zijn, zoals Paus Franciscus recent aan mij heeft bevestigd.


Tussenkomst van Bisschop Rey

Met grote vreugde hebben we vandaag gehoord dat onze Heilige Vader, Paus Franciscus, u heeft gevraagd een studie te beginnen van de liturgische hervorming na het Concilie, en mogelijkheden te verkennen van wederzijdse verrijking tussen de oudere en nieuwere vormen van de Romeinse ritus, oorspronkelijk besproken door Paus Benedictus XVI.

Uwe Eminentie, uw oproep dat wij “zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting” in onze liturgische vieringen, “naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt,” is een uitnodiging tot een radicale herontdekking van iets dat aan de wortel ligt van de christelijke liturgie. Het roept ons op om wederom te beseffen dat, in al onze liturgische vieringen, de christelijke liturgie in essentie gericht is op Christus, wiens komst wij met vreugdevolle hoop afwachten.

Uwe Eminentie, ik ben slechts één bisschop van één bisdom in het zuiden van Frankrijk. Maar als antwoord op uw oproep wil ik nu aankondigen dat, in ieder geval op de laatste zondag van de Advent van dit jaar, in mijn viering van de heilige Eucharistie in mijn kathedraal en bij andere gelegenheden zoals het past, ik ad orientem zal vieren – in de richting van de Heer die komt. Voor de Advent zal ik een brief schrijven aan mijn priesters en mensen over deze kwestie om mijn beslissing toe te lichten. Ik zal hen aanmoedigen mijn voorbeeld te volgen. Ik zal hen vragen mijn persoonlijke getuigenis, als eerste herder van het bisdom, te ontvangen in de geest van iemand die zijn volk wil oproepen om hierdoor het primaatschap van de genade in hun liturgische vieringen te herontdekken. Ik zal uitleggen dat deze verandering ons zal helpen de fundamentele aard van de christelijke eredienst te herinneren: dat het steeds op de Heer gericht moet zijn.


Kardinaal Sarah, Addendum

We moeten ervoor zorgen dat aanbidding het hart is van onze liturgische vieringen. Te vaak maken we niet de beweging van viering naar aanbidding, maar als we dat niet doen ben ik bang dat we niet altijd volledig intern hebben deelgenomen aan de liturgie. Twee lichaamshoudingen zijn hier nuttig, zelf onmisbaar. De eerste is stilte. Als ik nooit stil ben, als de liturgie mij geen ruimte geeft voor stil gebed en bezinning, hoe kan ik dan Christus aanbidden, hoe ik mij dan in mijn hart en ziel met Hem verbonden voelen? Stilte is zeer belangrijk, en niet alleen voor en na de liturgie.

Zo is ook het knielen bij de consecratie (tenzij ik ziek ben) van belang. In het westen is dit een lichamelijke handeling van aanbidding die ons nederig maakt voor onze Heer en God. Het is in zichzelf een gebedshandeling. Waar knielen en buigen uit de liturgie zijn verdwenen moeten ze worden teruggebracht, in het bijzonder in verband met het ontvangen van onze Heer in de heilige communie. Beste priesters, vorm uw mensen, waar mogelijk en met pastorale prudentie, zoals ik eerder zei, in deze prachtige handeling van aanbidding en liefde. Laat ons wederom neerknielen in aanbidding en liefde voor de Eucharistische Heer!

In verband met het geknield ontvangen van de heilige communie  wil ik verwijzen naar de brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten uit 2002, die duidelijk maakt dat “elke weigering van de Heilige Communie aan één van de gelovigen op basis van zijn of haar knielende houding is een ernstige overtreding van één van de meest fundamentele rechten van de christengelovigen” (Brief, 1 juli 2002, Notitiae, n. 437, nov-dec 2002, p. 583).

Het correct kleden van alle liturgische bedienaren op het priesterkoor, inclusief de lectoren, is ook van groot belang, wil dit dienstwerk als authentiek beschouwd worden en wil het uitgevoerd worden met het decorum passend bij de heilige liturgie – ook de bedienaren zelf dienen de juiste eerbied te tonen voor de mysteries die zij toedienen.

Dit zijn enkele voorstellen: ik ben er zeker van dat er vele andere gedaan kunnen worden. Ik leg ze u voor als mogelijke manieren om verder te gaan naar “de juiste manier om de liturgie innerlijk en uiterlijk te vieren”, dat natuurlijk het verlangen was dat Kardinaal Ratzinger aan het begin van zijn grootse werk, De Geest van de Liturgie, uitdrukte (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 4). Ik moedig u aan om alles te doen dat u kunt om dit doel te realiseren, dat volledig in overeenstemming is met dat van de Constitutie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie.

 

 

More than just receiving – After Amoris laetitia, some thoughts on Communion and being Catholic

Communion-WafersAlmost a month since the publication of Amoris laetitia, it becomes untenable to claim that the notorious footnote 351 somehow opens the door for divorced and remarried Catholics to receive Communion. The debate is far from over, but over the course of the past weeks there have been an increasing number of authorities who explained that, no, this is not what the Pope intended to say. Cardinals Christoph Schönborn – named by Pope Francis to have given the right interpretation of the entire document -, Walter Brandmüller and Gerhard Müller are among these. The teaching on the subject as written down by Pope Saint John Paul II in Familiaris consortio remains current. And it couldn’t be any different, as Cardinal Burke also emphasised: an Apostolic Exhortation does not have the intention or authority to change doctrine.

I have been among those who have accussed Pope Francis of being unclear on this topic, but he isn’t really. It’s just that he never intended Amoris laetitia to give an authoritative solution, but to urge pastors and faithful to be creative and come up with solutions within the framework of the teachings of the Catholic Church. We must read the text with his emphases and focus, not our own.

Personally I find one of the clearest, and most often overlooked, points to be that the Catholic Church knows seven sacraments, of which the Eucharist is one. The footnote speaks only of ‘sacraments’, which in certain cases may be a help to couples who live in socalled irregular situations. This must, the Pope clearly indicates time and again, be decided on a case by case basis, conscious of the sensitive situation they might be in, and I can imagine that the sacraments of Baptism, Confirmation, Marriage, Confession can all certainly get a look in in these decisions. The possible solution presented in footnote 351 is therefore of a greater scope than what the vast majority of commenters – on both sides of the issue – have been saying.

And here we find a major cause of the problem: apparently, so many people think, you’re not really a part of the Church unless you receive Holy Communion. And not only that, there exists a right to receive Communion. This is both blatantly untrue. Our Catholic identity is in the first place not based in Communion but in Baptism, and secondly it extends far further than the act of receiving (or, in too many cases, taking) Communion. Unless we realise that, we are doomed to remain focussed on the question of who can and can not receive and thus, who is and is not really a part of our Catholic community. Pope Francis is determined to fight this latter idea, and if we are to side with him in that fight, we must re-evaluate our ideas about Holy Communion.

But let no one think I consider Eucharist and Communion not really that important. The Eucharist is the most valuable treasure the Church has. It is Christ, and the Church physically gives Him to the people. There can be no greater gift. This dictates how we relate to this sacrament. An honest desire to receive Communion is a good thing: we desire to receive Christ, make Him a part of ourselves, or ourselves a part of Him (Communion is like eating, but also completely unlike eating).

However, the Eucharist also inspires us, enables us to be Catholic, live a Christian life. This is expressed in prayer, in charity, in the works of mercy (both spiritual and corporal) and in every part of our lives. Or it should be. The proper understanding and relation with Christ in the Eucharist is a necessity in making it work in us. I have compared it to medication (in a field hospital, if you will): if we don’t change our lives and avoid what makes us sick, no amount of pills is going to make us better.

Holy Communion is a gift, and we are asked to not only accept it but make it fruitful in us. And sometimes we can’t. The situation of a family in which one of the spouses was previously married, but who both have the responsibility for children born in that second relationship, is an example. It is an objective fact, in which accusations and responsibility play no part, that this couple lives in an irregular situation and therefore can not receive Communion. But our Catholic faith is greater than that, and by no means are these people excluded from the most holy. Even being in the presence of the Holy Eucharist can be a sanctifying event, which is why the Holy Father emphases the importance of Adoration. The sacrament of Confession, to which footnote 351 is also open, can be a powerful help for people in this situation, even when they can’t change their objectively sinful situation.

We must not downplay the value of Communion, but neither should we deny the power of the Eucharist and the inspiration and strength it gives us to live Christian lives, even if we can’t physically receive it. Prayer, Confession, charity, mercy, solidarity are all fruits of the eternal sacrifice of Christ which, ever new, comes to us through the Eucharist. Let us emphasise what we can, and not what we can’t.

An ‘existential document’- Cardinal Eijk present Amoris laetitia

Per the request of Pope Francis, bishops’ conferences everywhere officially presented his Post-Synodal Exhortation Amoris laetitia today. In the Netherlands, Cardinal Wim Eijk, president of the conference and two-time participant in the Synod of Bishops assemblies that are now concluded with this document, did the local honours here. Below is my translation of his remarks:

Cfh8fObWcAELPUc.jpg

^Cardinal Eijk with Patrizia, Massimo and Davide Paloni at the presentation of Amoris laetita this afternoon. The cardinal attended both Synod assemblies, and the Paloni’s, including little Davide, participated in the second. (photo credit: KN/Jan Peeters)

“Today is an important day in the pontificate of Pope Francis. Today is the crowning moment of an extensive journey which he began soon after the start of his pontificate: a journey with the goal of starting a process of reflection in the Church regarding pastoral care in the fields of marriage and family. There are different reasons for that: the Christian vision on marriage and family is understood, accepted and practised less and less in a world which is getting increasingly secularised. This is manifested most clearly in the western world, where secularisation has advanced so much that in many places, and especially in western Europe, Christians have become a minority. But a secularisation trend is manifest everywhere in the world under the influence of social media, albeit not to the same extent in all places and in some parts of the world only in certain circles. Partly because of distrust towards institutions and the reluctance to make definitive choices for life, certainly in western Europe a minority of Catholics enters into sacramental marriage. In addition, there are fewer people who get married civilly and the choice for simply living together is generally made. On the other hand we see many people who have chosen marriage and get stuck in it and – often after a painful process for both – divorce.

The openness of marriage to receiving and raising children, as the teaching of the Church upholds on Biblical basis, is also no longer seen as an essential value of marriage. Other relationships than that between man and woman are increasingly treated as equivalent to marriage, either de facto or by law. Under the influence of gender theory, the differences between the genders are generally no longer traced to the biological differences between man and woman, but seen as a personal and autonomous choice.

The pressing question with all these developments is: how can the Church find ways of pastoral care and proclamation to present her teachings about marriage and family in such a way that it is understood better and reaches more people? Ways by which she can also help couples and families to live according to God’s intentions. In order to find answers to these questions Pope Francis started this aforementioned journey of reflection. This journey included two assemblies of the Synod of Bishops. An Extraordinary Assembly, in which the presidents of the bishops’ conferences of the entire world Church took part and which took place in October 2014. Subsequently an Ordinary Assembly took place in October of 2015, in which bishops who were selected by the conferences they belonged to took part. I attended the Extraordinary Synod in 2014 as president of the Dutch Bishops’ Conference. In 2015 I attended the Ordinary Synod as elected representative of the Dutch Bishops’ Conference.

For both Synods, Pope Francis appointed a number of Synod fathers of his own choosing. He also invited married couples to witness of the way in which they put the Catholic vision of marriage and family into practice. He also invited a Dutch couple for the last Synod, Massimo and Patrizia Paloni. They attended with their youngest child, Davide. They will speak later.

It should be clear that this was a major journey, requiring a lot of work, when we realise that a preparatory document, the Lineamenta, was written for both Synods by the General Secretariat of the Synod of Bishops. A worldwide consultation was held about it. Based on this a working instrument, an Instrumentum laboris, was created for both Synods. Both Synods recorded the result of their deliberations, each in their own final document. The final documents were the Synod fathers’ advice to the Pope.

Today we witness the conclusion of this major journey, with the publication of the so-called Post-Synodal Exhortation, with the title Amoris laetitia (The joy of love). In it Pope Francis presents his final conclusions about the Synod’s discussions. Regarding the journey’s length and the importance of the topic for the Church we can comfortably charactise the publication of this Post-Synodal Exhortation as a decisive moment in the pontificate of Pope Francis.

As before he surprised Church and world with this publication, in several ways. Personally, I had to re-arrange my agenda for this week to prepare this presentation of this document of 325 paragraphs and almost one hundred closely-printed pages. It will take some time before one has absorbed the complete and rich content. The Pope himself advises not to read the Exhortation hurriedly, but study it and take it in in peace.

Also surprising is the character of the document. I would qualify the Post-Synodal Exhortation as ‘a Church document with a notably existential character’. This is something we are used to with Pope Francis, you will say, but here, at least, it is even more notable than in his other publications. Of course in the first place Pope Francis presents the teachings of the Roman Catholic Church regarding marriage and family. He also devotes plenty of space to the difficulties that people experience in understanding, applying and upholding those teachings.

Pope Francis is aware that this does not always involve resistance to the teachings of the Church. The choice for a civil marriage alone or cohabitation alone is often not motivated by a rejection of Christian marriage, but also by cultural and contingent situations: prevailing distrust towards institutions in general, the difficulties many have in accepting a specific state of life and obligations for the rest of their lives, problems finding work, finding permanent employment or assuring themselves of an adequate income, because of which they consider marriage a “luxury” (n. 294).

Regarding so-called irregular situations, that is to say situations in which people are in a relationshop which is not, or not in all aspects, in accord with the demands of Church teachings, the Pope urges all who work in pastoral care to approach these people with great mercy. Without letting go of Church teachings or compromising them, but by accompanying and being close to these people with a lot of love and patience. People in irregular situations should not be excluded from Church activities, but be integrated as much as possible. It is essential, according to the Pope, that priests and others who work in marriage care try and make the best possible ‘discernment’. He understands this as the constant effort to illuminate the concrete reality of life, the situations and relationships in which people live, with the Word of God. And he also recommends that they look for the openness that may be present in people in irregular situations, to yet shape their relationship according the teachings of the Church.

The Exhortation has nine solid chapters. It is of course no surprise that Pope Francis describes the Biblical vision on marriage and family in the first chapter “in light of the Word”. In the second chapter he comprehensively discusses modern reality and the current challenges of the family. The Pope emphasises in Chapter III that amidst all modern difficulties for the family, we must look towards Jesus, who will fulfill God’s plan with us, and so (re)discover the vocation of the family. In short, this chapter present a summary of Church teachings regarding marriage and family. Chapter IV continues this line with an exposition on marital love, based on the canticle of love written by the Apostle Paul (1 Cor. 13:4-7; n. 90). In Chapter V, “Love made fruitful”, the Pope emphasises that conjugal love presumes an openness to new life. In Chapter VI, “Some pastoral perspectives”, the Pope discusses the need to find new ways for marriage and family care, limiting himself to several general starting points. He sees the development of more practical initiatives as a task for the various bishops’ conferences, parishes and communities. Chapter VII is about the raising of children and Chapter VIII about the accompaniment of fragile relationships. The final Chapter IX, about the spirituality of marriage and family, is emblematic for the existential character of the document, as it points out some ways to develop a solid faith life in the family, as well giving common and personal prayer an established place in it.

I want to address one other topic seperately, which has played a major role during both Synods, and this is the question of whether people who are divorced and civilly remarried can receive Communion. In the Post-Synodal Exhortation, Pope Francis addresses this topic in two places, but he does not speak of people who are divorced and civilly remarried, but more broadly about people who are divorced and live in a new relationship. These people, the Pope says, should not have the feeling that they are excommunicated (n. 243 and 199). It is important to emphasise that he is not saying anything new here. Excommunication is an ecclesiastical punishment which someone can legally incur automatically, which can be legally declared after having been incurred or which can be imposed by verdict after serious misbehaviour or crimes. The situations in which this happens are limited: they includes a limited number of situations, and the situation of people who are divorced and have begun a new relationship is not among these. But nowhere in the Exhortation does the Pope say that they can receive Communion. Regarding people who are divorced and in a new relationship, this means that the traditional praxis, that they can not receive Communion, and which was formulated as follows by Pope John Paul II in Familiaris consortio in 1981 remains current:

“However, the Church reaffirms her practice, which is based upon Sacred Scripture, of not admitting to Eucharistic Communion divorced persons who have remarried. They are unable to be admitted thereto from the fact that their state and condition of life objectively contradict that union of love between Christ and the Church which is signified and effected by the Eucharist. Besides this, there is another special pastoral reason: if these people were admitted to the Eucharist, the faithful would be led into error and confusion regarding the Church’s teaching about the indissolubility of marriage.” (n. 84)

In Chapter VIII of the Exhortation Pope Francis answers the question of what the Church could offer people in these situations, and says what has been mentioned above: people working in pastoral care must accompany these people and consider how they can be involved in the life of the Church as much as possible. It is important to realise here that God’s mercy is not only received by means of the sacraments, but also by listening to and reading the Word of God and through prayer.

As mentioned, this papal document has the title Amoris laetitia, the “joy of love”. It is our duty as Church to promote and protect that joy, convinced that that joy is beneficial for married couples and families as well as for us as society. It is therefore our duty to be close to married couples and families and accompany them according to our abilities with our prayer and pastoral care, especially when they carry the heavy and painful burden of a marriage or family life that is broken. With this Exhortation the Pope urges us to do so.

Pope Francis concludes his Exhortation with a prayer to the Holy Family (Jesus, Mary and Joseph):

“Holy Family of Nazareth,
make us once more mindful
of the sacredness and inviolability of the family,
and its beauty in God’s plan.””

Looking ahead to Amoris laetitia

Today will see the publication of the long-awaited Post-Synodal Apostolic Exhortation, Amoris laetitia, on love in the family. It will undoubtedly tackle all the hot-button topics discussed during and in between the two Synod of Bishops gatherings in 2014 and 2015: the question of divoreced and remarried faithful, certainly, but in the first place it will deal with the family and its role in society. As the title suggests, the starting point of Pope Francis’ tome will be love.

The text aims to collect and summarise all the disparate contributions from the Synod fathers and other participants from across the globe. Their thoughts and concerns vary with the places they come from, and what is a chief concern in Europe may be insignificant in Asia, or vice versa. The Exhortation will not and can not provide clear cut solutions that can be applied the same way in every country and community.

So what can we expect from Amoris laetitia? It will be in continuity with established Catholic doctrine. St. John Paul II’s Theology of the Body is said to have been a major influence. Pope Francis will not change any teachings about marriage, family and the sacraments, and this should be no surprise, really. The Holy Father has been quite clear on those topics. While doctrine will be featured in the text, it will play second fiddle to pastoral care. That is what drives Pope Francis and his ministry in the Church. While the two are equally needed and supplement one another, doctrine must be at the service of pastoral care: without the solid ground of doctrine, pastoral care is inherently dishonest and therefore the opposite of mercy (to link to the Holy Year of Mercy – it is no accident that Amoris laetitia sees the light of day in this year). This is the open Church that Pope Francis wants: a Church that goes out into the streets and gets dirty.

The Exhortation will be lengthy, and Pope Francis has drafted specific reading suggestions for the bishops of the world, as well as a guideline on how they should present the text, asking for press conferences to be called at noon, as the text becomes officially available. This already indicates that the real work of the Exhortation, after the Synods and the drafting, must take place in the dioceses and faith communities. Pastoral care, so emphasised by Pope Francis, has its home there, and from there it must find its way into society.

There will be criticism, in part fueled by the image people have of Pope Francis and his supposed agenda. Such motivation is nothing but a dead end: let’s read Amoris laetitia with an open mind, aware of its roots in the faith and teachings of the Catholic Church, in the person of Jesus Christ, and with an eye on the future and the world we live in. That is where we must make the faith bloom, through our families and our witness of the love that comes from the Lord, and reflects His divine and truine love.

Network of love – Bishop van den Hende on what makes a diocese

Last month, the Dioceses of Groningen-Leeuwarden and Rotterdam marked the 60th anniversary of their foundation. A week ago, the website of the latter diocese published the text of the Bishop Hans van den Hende’s homily for the festive Mass on 6 February. In it, the bishop puts the sixty years that the diocese has existed in perspective, and goes on the describe the diocese not as a territory, but as a part of the people of God, as the Second Vatican Council calls it in the decree Christus Dominus. Following Blessed Pope Paul VI, Bishop van den Hende explains that a diocese is a network of love. following the commandment of Jesus to remain in His love. This network starts in the hearts of people and as such it contributes to building a society of love and mercy.

20160206_Rotterdam_60JaarBisdom_WEB_©RamonMangold_08_348pix“Brothers and sisters in Christ, today we mark the sixtieth year of the existence of the Diocese of Rotterdam. “Sixty years, is that worth celebrating?”, some initially wondered. “We celebrated fifty years in a major way. One hundred years would be something.”

In the history of the Church, sixty years is not a long period of time. But sixty years is a long time when you consider it in relation to a human life. Many people do not reach the age of sixty because of hunger and thirst, war and violence. There are major areas where there hasn’t been peace for sixty years. Sixty years is long enough to contain a First and a Second World War.

Every year that the Lord gives us has its ups and downs, can have disappointments, great sorrow and joy. Sixty years we began as a diocese. In 1955, Pope Pius XII had announced that there would be two new dioceses in the Netherlands. The north of the country received the Diocese of Groningen. And here the Diocese of Rotterdam was created from the Diocese of Haarlem.

In 1956, on 2 February, both dioceses began. The new bishops came later. The bishops of the older dioceses of Utrecht and Haarlem initially were the administrators of the new dioceses. But in May of 1956 the first shepherds of the two new dioceses were consecrated (the consecration of Msgr. Jansen as bishop of Rotterdam was on 8 May 1956).

Describing the division of dioceses in provinces and areas, I could give you the impression that a diocese is in the first place a territory that can be pointed out geographically. But a diocese is not primarily a firmly defined area or a specific culture. The Second Vatican Council describes a diocese in the first place as a part of the people of God: “portio populi Dei” (CD, 11). The Vatican Council avoids here the word “pars”, that is to say, a physical piece.

A diocese is a part of the people of God. And that automatically makes a diocese a network of people united in faith around the one Lord. A network in the heart of society, connected to people that they may travel with. Pope Paul VI characterised the Church as a “network of love”, with the mission to contribute to a society of love in the entire world.

A network of love in unity with Jesus, who tells His disciples in the Gospel (John 15: 9-17), “Remain in my love”. Now that we are marking sixty years, we must recognise that things can go wrong in those sixty years, that there are things which do not witness to the love of Christ. How we treat each other, how parishes sometimes compete with each other, and also the sin of sexual abuse of minors and how we deal with that, these are part of our history.

Should we then say that this network of love is too difficult a goal to achieve? If we think that, we should remember what St. Paul says in the first reading (1 Cor. 1:3-9). He says: the network of love does not just belong to people, but is united with Jesus Christ, who helps us persevere until the end. Jesus is God’s only Son who has lived love to the fullest, who died on the cross, who rose from the dead and who made no reproaches but said, “Peace be with you” (cf. John 20:21).

The network of love is inspired by the Holy Spirit whose efficacy becomes visible where there is unity, where forgiveness is achieved, where people can bow to each other and serve one another.

To be a network of love is a duty that we must accept ever anew as a mission from the Lord. We are a diocese according to God’s heart, insofar as the witness to Christ has taken root in us (1 Cor. 1:5-6). When we do not consider the disposition of His heart we do not go His way. And when we do not store and keep His life in our hearts (cf. Luke 2:51), we are not able to proclaim His word and remain in His love.

As a diocese (as a local Church around the bishop) we are not just a part of the worldwide Church of Christ, but a part in which everything can happen which makes us Church in the power of the Holy Spirit: in the first place the celebration of the Eucharist as source and summit, and the other sacraments: liturgy. Communicating the faith in the proclamation of the Gospel: kerygma, which – in catechesis, for example – must be coupled with solidarity between the generations. And thirdly, that we, as a network of love, show our faith in acts of love: charity (cf. Deus caritas est, n. 23).

We celebrate this anniversary in a year of mercy, proclaimed by Pope Francis. It is a holy year of mercy. Mercy means on the one hand to continue trusting in God’s love, asking for forgiveness for what’s not right, for what is a sin. Allowing Him into our hearts. On the other hand it means that we make mercy a mission in our lives and show it in our service to our neighbours, in acts of love, in works of mercy. In the Gospel of Matthew, chapter 25, Jesus summarises this for us: I was thristy and you gave me to drink, I was hungry and you gave me to eat. I was naked, I was homeless and alone. Did you care for me? Jesus does not isolate people in need, but identifies Himself with them: You help me when you approach a person in need (vg. Matt. 25:40).

Characterising the diocese and the entire Church as a network of love is not a recent invention from our first bishop, Msgr. Jansen, but is an answer to Christ’s own mission for His Church. And many saints went before us on that path with that mission. Saint Lawrence was a deacon in third-century Rome (225-258), who helped the people where he could. And when the emperor wanted to take all the Church’s treasure, which wasn’t even in the form of church buildings, as the Christians did not have those yet, Lawrence did not come to him with the riches, but with the people in need. And he said, “These are the treasures of the Church”. These treasures don’t take the form of bank accounts or the wax candles the emperor loved so much, but people, who are images of God. Jesus looking into our hearts also asks us to see in the hearts of people. In this way we continue to celebrate Lawrence and his witness.

And what about Saint Elisabeth (1207-1231) who went out to give bread to people and help the sick? She was of noble birth and was expected not to do this, but she went out from her castle and helped people in need. In this way she was a face of God’s mercy. And consider Blessed Mother Teresa (1910-1997), of whom there is a statue in this church. She saw people collapsing in misery, lying in the gutter, and she saw in their hearts. And also in our city of Rotterdam we are happy to have sisters of Mother Teresa realising mercy in our time.

A network of love and building a society of love. What more can we do in love and mercy? Marking sixty years of our diocese, it is a good time to ask ourselves: has the witness of Christ, has His love properly entered our hearts? And then we should say, and I am answering on behalf of all of us: we could do better. We need mercy and are to communicate God’s merciful love. In this city and elsewhere we are to contribute to a civilisation of love, contribute to a community which builds up instead of tearing down. It is clear that neither the Kingdom of God nor a diocese can be found on a map, because it starts in the hearts of people.

I pray that we celebrate this anniversary today in the knowledge that God’s mercy accompanies us and that we may accept his mission of solicitude, compassion and mercy. This is more than enough work for us, but it is only possible when it fills our hearts. Amen.”

Sent out into the world for mercy

logoWednesday is Ash Wednesday, the start of Lent (yes, it’s almost Lent already), and in this Holy Year of Mercy it is also the day of another notable event: the day on which more than one thousand special “missionaries of mercy” are sent out by the Pope into the world, to manifest God’s mercy in a specific way, by their ability to forgive the most grave of sins, which are usually beholden to bishops or the Pope alone.

Earlier, we already learned that all priests in the world have been given to authority to forgive the sin of abortion (normally residing with the bishop, all Dutch priests have had this faculty already). Archbishop Rino Fisichella, who is the chief organiser of the events of the Holy Year, outlines the five sins which can only be forgiven by the special missionaries of mercy. These are:

  • Desecration of the Eucharist
  • Breaking the seal of confession
  • Consecrating a bishop without papal approval
  • Sexual contacts by a priest and the person he has those contacts with
  • Violent actions against the Pope

Of course, some of these are more likely to happen than others, but they all touch upon the core values of our faith and Church: the sanctity of sacraments, the unity of the Church and the seriousness of vows and promises. By making the forgiveness for such sins more easily available, Pope Francis wants to emphasise that, even in such serious matters, mercy comes first (with the caveat that true mercy always incorporates justice).

12647487_441962256013964_8703646690579720740_n13 priests from the Netherlands and 33 from Belgium (11 from Flanders, 22 from Wallonia) will be appointed as missionaries of mercy. One of the Dutch priests is Fr. Johannes van Voorst, of the Diocese of Haarlem-Amsterdam (one of seven from that diocese; the other six come from the Diocese of Roermond). Fr. Johannes (seen above offering Mass at St. Paul Outside the Walls today) will be going to Rome to receive his mandate, together with some 700 of his brother priests (the remaining 350 or so will receive their mandate at home). His adventures in Rome can be followed via his Facebook page, where he also posts in English.

After receiving their mission, the names of the missionaries will be made known, so that they can be at the disposal of the faithful in the country.