Pauselijke Boodschap bij het Bezoek aan het Groot-Seminarie in Rome

BEZOEK AAN HET PAUSELIJK GROOT-SEMINARIE IN ROME

TER ERE VAN DE GEDACHTENIS VAN ONZE LIEVE VROUWE VAN VERTROUWEN

LECTIO DIVINA

TOESPRAAK VAN ZIJNE HEILIGHEID BENEDICTUS XVI

Kapel van het Seminarie

Vrijdag, 12 februari 2010

Uwe eminentie,

Uwe excellenties,

Beste vrienden,

Het is ieder jaar een groot plezier voor mij om bij de seminaristen van het Bisdom Rome te zijn, jonge mannen die zich voorbereiden om te antwoorden op de roepstem van de Heer, om arbeiders te zijn in zijn wijngaard en priester van zijn mysterie. Dit is ook het plezier van het zien dat de Kerk leeft, dat de toekomst van de Kerk ook in onze regio aanwezig is en daarom ook in Rome.

Laten wij in dit Jaar van de Priester in het bijzonder aandacht hebben voor de woorden van de Heer over ons dienstwerk. The Evangelielezing die we zojuist hebben gehoord spreek indirect maar met diepgang over ons sacrament, onze roeping om aanwezig te zijn in de wijngaard van de Heer, om dienaren van zijn geheim te zijn.

In deze korte tekst vinden we bepaalde sleutelwoorden die een idee geven van de verkondiging die de Heer wil maken door middel van deze tekst. “Blijven”: in deze korte passage komt dat werkwoord meerdere keren voor. Dan ontdekken we een gebod: “heb elkaar lief zoals Ik jullie heb liefgehad”, “Voor Mij zijn jullie geen dienstknechten meer… Vrienden noem ik jullie”, “vrucht dragen”, en als laatste, “Vraag en je zult verkrijgen, en je vreugde zal volkomen zijn”. Laten we de Heer bidden dat hij ons helpt om binnen te treden in de betekenis van zijn woorden, dat deze woorden onze harten mogen binnengaan en zo in ons, met ons en door ons de weg en het leven worden.

De eerste woorden, “blijf bij mij… in mijn liefde”. Verblijven in de Heer is van belang als het eerste onderwerp van deze tekst. Blijven: waar? In de liefde, de liefde van Christus, in geliefd zijn en in het liefhebben van de Heer. Het hele vijftiende hoofdstuk verteld waar we moeten verblijven omdat de eerste acht verzen de Vergelijking van de Wijnrank uitleggen en voorspiegelen. “Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken.” De wijnrank is een beeld uit het Oude Testament dat we terugvinden bij zowel de Profeten als de Psalmen en het heeft een dubbele betekenis: het is een vergelijking voor het Volk van God dat zijn wijngaard is. Hij plantte een wijnstok in deze wereld, hij verzorgde deze wijnstok, hij verzorgde zijn wijngaard, hij beschermde zijn wijngaard, en met welke bedoeling? Natuurlijk om vruchten voort te brengen, om de kostbare gift van druiven, van goede wijn, te oogsten.

En zo wordt de tweede betekenis zichtbaar: wijn is een symbool, een uitdrukking van de vreugde van de liefde. De Heer schiep zijn volk om het antwoord op deze liefde te vinden. Dit beeld van de wijnrank, van de wijngaard heeft dus en echtelijke betekenis, het is een uitdrukking van het feit dat God de liefde van zijn schepselen zoekt, door zijn Uitverkoren Volk wil hij een liefdesrelatie beginnen, een huwelijksband met de wereld.

Maar toen bleek de geschiedenis een geschiedenis van ontrouw te zijn: in plaats van dure druiven kwamen er alleen “oneetbare vruchten”. Het antwoord op deze grootse liefde komt niet naar voren, deze eenheid, deze onvoorwaardelijke vereniging van mens en God in de gemeenschap van liefde komt niet to stand, de mens trekt zich terug in zichzelf, hij wil zichzelf voor zichzelf hebben, hij wil God voor zichzelf hebben, hij wil de wereld voor zichzelf hebben. Als gevolg daarvan wordt de wijngaard verwoest, de wilde zwijnen uit het bos en alle vijanden verschijnen en de wijngaard wordt een woestenij.

Maar God geeft niet op. God vindt nieuwe manieren om tot een vrije, onomkeerbare liefde te komen, tot de vruchten van deze liefde, de ware druiven: God wordt mens en dus wordt hij zelf de wortel van de wijnstok, hij wordt zelf de wijnrank en dus wordt de wijnrank onverwoestbaar. Dit volk van God kan niet vernietigd worden want God maakt er zelf deel van uit, hij heeft wortel geschoten in dit land. Het nieuwe Volk van God is werkelijk op God zelf gebouwd, God die mens is geworden en ons dus roept om in hem de nieuwe wijnrank te zijn, en bij hem te blijven, in hem te verblijven.

Laten we ook niet vergeten dat we in hoofdstuk 6 van het Evangelie van Johannes de Verhandeling van het Brood vinden dat uitgroeit tot de grote Verhandeling over het Eucharistische geheim. In dit vijftiende hoofdstuk vinden we de Verhandeling van de Wijnstok: de Heer spreekt niet uitdrukkelijk over de Eucharistie. Maar van nature bevind zich achter het geheim van de wijn de werkelijkheid dat hij zichzelf voor ons tot vruchten en wijn heeft gemaakt, dat zijn Bloed de vrucht is van de liefde die voor eeuwig uit de aarde voortkomt en in de Eucharistie wordt dit Bloed ons bloed, we worden vernieuwd, we krijgen een nieuwe identiteit omdat het Bloed van Christus ons bloed wordt. Zo zijn we aan God verwant in de Zoon en in de Eucharistie wordt de grote werkelijkheid van het leven, waarin wij vertakking zijn van de Zoon en daardoor in eenheid met de eeuwige liefde, onze werkelijkheid.

“Verblijven”: verblijven in dit grote geheim, verblijven in deze nieuwe gave van de Heer dat ons een volk op zich heeft gemaakt, in zijn Lichaam en met zijn Bloed. Het lijkt mij dat we dit geheim zorgvuldig moeten overwegen, dat God zichzelf tot Lichaam, één met ons, maakt; Bloed, één met ons; dat we in dit geheim mogen verblijven in eenheid met God zelf, in deze grote geschiedenis van liefde die de geschiedenis van ware vreugde is. Door deze gave te overwegen, dat God zichzelf één van ons maakte en tegelijkertijd ons allen één maakte, moet elke enkele rank ook bidden dat zijn geheim onze geesten en harten steeds verder binnen kan gaan en dat we steeds beter de grootsheid van het geheim kunnen voorleven en zo de opdracht te “verblijven” in praktijk kunnen brengen.

Als we deze Evangelietekst aandachtig verder doorlezen, komen we ook een tweede opdracht tegen: “verblijf” en “neem mijn opdrachten ter harte”. “Ter harte nemen” komt pas op de tweede plaats. “Verblijven” komt ontologisch gezien eerst, namelijk dat we met hem verbonden zijn, hij heeft zichzelf op voorhand aan ons gegeven en heeft ons ook zijn liefde, de vruchten, al gegeven. Niet wij moeten overvloedige vruchten voortbrengen; het Christendom is niet moralistisch, niet wij moeten alles doen wat God van de wereld verwacht, maar we moeten allereerst dit ontologisch geheim binnengaan: God geeft zichzelf. Zijn wezen, zijn liefde, gaat voor ons handelen uit, en, in het verband van zijn Lichaam, van in hem te zijn, met hem vereenzelvigd en verheven door zijn Bloed, kunnen wij ook met Christus handelen.

Ethiek is een gevolg van zijn: eerst geeft de Heer ons nieuw leven, de grote gift. Zijn komt voor handelen en vanuit dit zijn volgt dan handelen, als een organische werkelijkheid, want we kunnen ook zijn wat we zijn in ons handelen. Laten we daarom de Heer danken, want hij heeft ons weggenomen uit de pure moraliteit; we kunnen een voorgeschreven wet niet gehoorzamen maar moeten alleen handelen in overeenstemming met onze nieuwe identiteit. Daarom is het niet langer gehoorzaamheid, een extern iets, maar vooral de vervulling van de gift van nieuw leven.

Ik zeg het nogmaals: laten we de Heer danken omdat hij ons vooruitgaat, hij geeft ons wat wij moeten geven, en wij moeten dan, in waarheid en door ons nieuwe wezen, hoofdrolspelers zijn in zijn werkelijkheid. Verblijven en ter harte nemen: waarnemen is het teken van verblijven en verblijven is de gift die hij ons geeft, maar die iedere dag van ons leven vernieuwd moet worden.

Dan volgt het volgende gebod: “heb elkaar lief zoals ik jullie heb liefgehad”. Er is geen grotere liefde dan dit, “dat een man zijn leven geeft voor zijn vrienden”. Wat betekent dit? Ook hier is er geen sprake van moraliteit. Men zegt misschien: “Dit is geen nieuw gebod; het gebod de naaste lief te hebben zoals uzelf bestaat al in het Oude Testament”. Anderen zeggen: “Deze liefde moet nog verder worden uitgewerkt; deze liefde voor anderen moet Christus die zichzelf voor ons gaf navolgen; het moet een heldhaftige liefde zijn, tot aan de zelfgave toe”. Maar in dit geval zal het Christendom een heldhaftige moraliteit zijn. Het is waar dat een zekere radicaliteit in de liefde moeten bereiken, de liefde die Christus ons liet zien en aan ons gaf, maar ook hier is de ware nieuwigheid niet wat wij doen, maar wat hij deed: de Heer gaf zichzelf voor ons, en de Heer gaf ons de ware nieuwheid van het lid zijn van zijn Lichaam, van het ranken zijn van de wijnstok die hij is. Daarom is de nieuwheid de gave, de grote gave, en uit die gave, uit de nieuwheid van de gave, volgt ook, zoals ik heb gezegd, het nieuwe handelen.

St Thomas van Aquino zegt het heel helder: “De Nieuwe Wet is de gave van de Heilige Geest” (Summa Theologiae, I-IIae, q.106 a. 1). De Nieuwe Wet is niet nog een gebod dat moeilijker is dan de andere: de Nieuwe Wet is een gave, de Nieuwe Wet is de aanwezigheid van de Heilige Geest, aan ons geschonken in het sacrament van de Doop, in het Vormsel, en iedere dag opnieuw in de Allerheiligste Eucharistie. De Kerkvaders maakten hier onderscheid tussen “sacramentum” en “exemplum“. “Sacramentum” is de gave van het nieuwe zijn, en dit wordt ook een voorbeeld voor ons handelen, maar “sacramentum” gaat daaraan vooraf en we leven door het sacrament. Hier zijn we de centrale positie van het sacrament dat ook het centrale punt van de gave is.

Laten we verdergaan met onze overweging. De Heer zegt: “Voor Mij zijn jullie geen dienstknechten meer: een knecht heeft geen begrip van wat zijn meester doet. Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan jullie heb meegedeeld”. Niet langer dienstknechten die bevelen opvolgen, maar vrienden die weten, die verenigd zijn in dezelfde wil, dezelfde liefde. Vandaar dat de nieuwheid is dat God zichzelf aan ons bekend heeft gemaakt, dat God zichzelf heeft geopenbaard, dat God niet langer de onbekende God is, gezocht maar niet gevonden of slechts van veraf vermoed. God heeft zichzelf geopenbaard: in het Gelaat van Christus zien we God, God laat zichzelf “kennen”, en heeft ons daardoor tot zijn vrienden gemaakt. Laten we ons bedenken hoe in de menselijke geschiedenis, in alle oude religies, er weet was van het bestaan van een God. Deze kennis is diepgeworteld in het menselijk hart, de kennis dat God één is, dat goden niet “de” God zijn. Maar deze God bleef toch heel ver, hij lijkt zichzelf niet kenbaar te maken, hij maakt zichzelf niet geliefd, hij is geen vriend, maar veraf. Religies hielden zich daarom niet erg bezig met deze God, het echte leven draaide om de geesten die we elke dag tegenkomen en waar we elke dag rekening mee moeten houden. God bleef veraf.

Dan zien we de grote filosofische beweging: denken we aan Plato en Aristoteles die begonnen in te zien dat deze God de agathon is, goedheid zelf, dat hij de eros is die de wereld in beweging brengt; Maar dit blijft slechts een menselijke gedachte, het is een idee van God dat dicht bij de waarheid komt, maar het is een idee van ons en God blijft de verborgen God.

Kortgeleden schreef een professor uit Regensburg naar mij, een natuurkundige die mij Verhandeling aan de Universiteit pas had gelezen. Hij schreef om mij te zeggen dat hij het niet helemaal eens kon zijn met mijn logica. Hij zei: “Uiteraard, het idee is overtuigend, dat de rationele structuur van de wereld een scheppende reden nodig heeft die deze rationaliteit, die in zichzelf niet is uit te leggen, heeft gemaakt”. En hij ging verder: “Maar als er een schepper kan bestaan”, zo zei hij het, “lijkt een schepper mij een zekerheid, afgaande op wat u zegt. Ik zie niet dat er een God is die goed, rechtvaardig en genadig is. Ik snap dat er een reden is die voorafgaat aan de ratio van de kosmos, maar de rest zie ik niet”. God blijft dus voor hem verborgen. Reden gaat vooruit aan ons denken, onze rationaliteit, de rationaliteit van ons wezen, maar de eeuwige liefde bestaat niet, de grote genade die ons leven geeft bestaat niet.

En hier laat God, in Christus, zichzelf in zijn complete waarheid zien, hij laat zien dat hij rede en liefde is, dat de eeuwige rede liefde en dus scheppend is. Helaas leven, ook vandaag, veel mensen ver van Christus, ze kennen zijn gelaat niet en dus wordt de eeuwige verleiding van het dualisme, dat ook verborgen ligt in de brief van de professor, steeds weer vernieuwd, in andere woorden: misschien is er niet alleen één goed principe, maar ook een slecht principe, een principe van het kwaad; misschien is de wereld verdeeld en zijn er twee even sterke werkelijkheden en is de Goede God slechts één deel van de werkelijkheid. Tegenwoordig verspreidt, zelfs in de theologie, inclusief de katholieke theologie, deze stelling zich: dat God niet almachtig is. Dus wordt er een excuus gezocht voor God die daarom niet verantwoordelijk is voor de grote hoeveelheid kwaad die we in de wereld zien. Maar wat een zwak excuus! Een God die niet almachtig is! Het kwaad heeft hij niet de handen! En hoe kunnen we ons dan volledig aan God toevertrouwen? Hoe kunnen we zeker zijn van zijn liefde als die liefde ophoudt waar de macht van het kwaad begint?

 Maar God is niet langer onbekend: in het Gelaat van de Gekruisigde Christus zien we God en zien we ware almacht, niet slechts de mythe van almacht. Voor ons mensen wordt macht, almacht altijd vereenzelfigd met de macht te vernietigen, om kwaad te doen. Maar het idee van de almacht die we in Christus zien is precies het tegenovergestelde: in hem is de ware almacht liefhebben tot het punt dat God lijdt: hier wordt de ware almacht geopenbaard, die zelfs zo ver kan gaan als een liefde die voor ons lijdt.  En zo zien we dat hij de ware God is, en de ware God, die liefde is, is macht: de macht van de liefde. En we kunnen onszelf toevertrouwen aan zijn almachtige liefde en daarin leven, met deze almachtige liefde.

Ik denk dat we steeds opnieuw deze werkelijkheid moeten overwegen, dat we God moesten danken omdat hij zichzelf heeft geopenbaard, omdat we zijn Gelaat kennen, kennen we hem van aangezicht tot aangezicht; niet langer zoals Mozes die alleen de Heer van achteren kon zien. Dit is ook het prachtige idee waarover St. Gregorius van Nyssa zei: “Alleen zijn rug kunnen zien betekent dat we altijd Christus moeten volgen”. Maar tegelijkertijd liet God ons zijn aangezicht zien met Christus, zijn Gelaat. De tempeldoek werd gescheurd. Het ging open, het Godsgeheim is zichtbaar. Het eerste gebod dat beelden van God verbiedt omdat die alleen maar zijn werkelijkheid kunnen verminderen is veranderd, hernieuwd, heeft een andere vorm aangenomen. Vandaag kunnen we Gods Gelaat zien in Christus de man, we kunnen een beeld van Christus hebben en dus zien wie God is.

Ik denk dat zij die dit begrepen hebben, die geraakt zijn door dit geheim dat God zichzelf heeft geopenbaard, dat de tempeldoek in tweeën gescheurd is, dat hij zijn Gelaat heeft onthuld, een bron van blijvende vreugde vinden. We kunnen alleen maar zeggen, “dank u. Ja, nu weten we wie u bent, wie God is en hoe we hem moeten antwoorden”. En ik denk dat deze vreugde van God, die zich heeft geopenbaard, kennen tot in de diepte van zijn wezen, ook de vreugde van dit doorgeven inhoudt: zij die dit begrepen hebben, die leven door de aanraking van deze werkelijkheid, moeten doen wat de eerste discipelen deden toen zij naar hun vrienden en broeders gingen en zeiden: “we hebben degene van wie de Profeten spraken gevonden. Hij is nu hier”. Missie is niet een extern aanhangsel van het geloof maar eerder de dynamiek van het geloof zelf. Zie die gezien hebben, die Jezus hebben ontmoet, moet naar hun vrienden gaan en hen vertellen: “We hebben hem gevonden, hij is Jezus, de Ene die voor ons Gekruisigd is”.

De tekst vervolgd: “Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven eropuit te gaan en vrucht te dragen, vruchten die blijvend zijn”. Daarmee keren we terug naar het begin, naar het beeld, de Gelijkenis van de Wijnrank: die is geschapen om vrucht te dragen. En wat zijn die vruchten? Zoals gezegd, die vruchten zijn liefde. In het Oude Testament, met de Torah als de eerste fase van Gods openbaring aan ons, werd de vrucht gezien als gerechtigheid, dat wil zeggen, leven in overeenstemming met het Woord van God, leven in overeenstemming met Gods wil, en dus goed leven.

Dit gaat nog altijd door maar tegelijkertijd wordt dat overstegen: ware gerechtigheid bestaat niet uit gehoorzaamheid aan een paar regels, maar veel eerder is het liefde, scheppende liefde die in zichzelf de rijkdom en overvloed aan liefde vindt.

Overvloed is één van de sleutelwoorden van het Nieuwe Testament. God geeft zelf altijd in overvloed. Om de mens te kunnen scheppen schiep hij eerst een overvloedig grote kosmos; om de mens te verlossen geeft hij zichzelf, in de Eucharistie geeft hij zichzelf. En iedereen die met Christus is verbonden, die een rank van de Wijnstok is en deze wet volgt vraagt niet: “Kan ik dit nog wel doen?”, “Moet ik dit doen of niet?”. Hij leeft veeleer in het enthousiasme van een liefde die niet vraagt: “Is dit nog steeds nodig of is het verboden?”, maar hij wil simpelweg in het scheppend vermogen van de liefde leven, met Christus en voor Christus en zijn hele wezen wil hij aan hem geven, en zo binnengaan in de vreugde van het vrucht dragen. Laten we onthouden dat Heer zegt: Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven eropuit te gaan”: dit is de dynamiek van de liefde van Christus: in andere woorden, niet alleen blijven vanwege mijzelf, om mijn eigen volmaaktheid te zien, om eeuwige zaligheid voor mezelf te garanderen, maar veel meer om mijzelf te vergeten, te gaan zoals Christus ging, te gaan zoals God ging van zijn enorme majesteit tot onze armoede, om vrucht te vinden, ons te helpen, ons de mogelijkheid te geven om de ware vruchten van de liefde te dragen. Hoe meer we vervuld zijn van deze vreugde om Gods Gelaat te hebben gezien, hoe werkelijker de vreugde om zijn liefde in ons zal zijn, en dan zal het vrucht dragen.

En uiteindelijk komen we aan bij de laatste woorden van deze tekst: “Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam, Hij zal het je geven”: een korte catechese over gebed dat ons blijft verbazen. Tweemaal in hoofdstuk 15 zegt de Heer: “Vraag wat je wilt, en het zal gebeuren”, en hij zegt het nogmaals in hoofdstuk 16. En wij willen zeggen: “Maar nee, Heer, dat is niet waar”. Er zijn zoveel goede en diepgaande gebeden van moeder die voor hun stervende kind bidden, die niet worden verhoord, zoveel gebeden dat er iets goeds gebeurd en de Heer vergunt het niet. Wat betekent deze belofte? In hoofdstuk 16 geeft de Heer ons de sleutel om het te begrijpen: hij vertelt ons wat hij ons geeft, wat dit alles is, chara, vreugde. Als iemand vreugde heeft gevonden heeft hij alles gevonden en ziet hij alles in het licht van de hemelse liefde. Zoals St. Franciscus, die het grote gedicht over schepping schreef in een sombere situatie, maar zelfs daar, dicht bij de lijdende Heer, herontdekte hij de schoonheid van zijn, de goedheid van God en schreef hij zijn dichtwerk.

Het is ook zinvol om tegelijkertijd een aantal verzen uit het Evangelie van Lucas te onthouden, waarin de Heer in een gelijkenis spreekt over gebed: “Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen”. In het Evangelie van Lucas is de Heilige Geest vreugde, en in het Evangelie van Johannes is hij dezelfde werkelijkheid: vreugde is de Heilige Geest en de Heilige Geest is vreugde, of in andere woorden, van God vragen we niet iets groots of klein, van God smeken we de hemelse gift af, God zelf; dit is de grote gift die God ons geeft: God zelf. In dat verband moeten we leren bidden, bidden voor de grotere werkelijkheid, voor de hemelse werkelijkheid, zodat God ons zichzelf zal geven, ons zijn Geest zal geven en wij dus kunnen reageren op de vereisten van het leven en anderen kunnen helpen in hun lijden. Hij leert ons natuurlijk het ‘Onze Vader’. We kunnen voor veel dingen bidden. In al onze noden kunnen we bidden: “Help mij!”. Dit is heel menselijk en God is menselijk, zoals we hebben gezien; daarom is het goed om ook tot God te bidden voor de kleine dingen in ons dagelijks leven.

Maar tegelijkertijd is gebed ook een reis, ik zou zeggen een trap: we moeten steeds beter leren waar we wel voor kunnen bidden en waar niet voor, omdat het een uitdrukking van onze zelfzuchtigheid is. Ik kan niet bidden voor dingen die anderen schade berokkenen, ik kan niet bidden voor dingen die mijn egoïsme, mijn trots, vergroten. In de ogen van God wordt gebed daarom een proces van zuivering van onze gedachten, van onze verlangen. Zoals de Heer zegt in de Gelijkenis van de Wijnrank: we moeten iedere dag worden gesnoeid, gezuiverd; leven met Christus, in Christus, verblijvend in Christus, is een zuiveringsproces en alleen in deze langzame zuivering, van bevrijding van ons zelf en van het verlangen om dingen voor ons zelf te hebben, ontvouwt de ware reis van het leven en het pad van de vreugde zich.

Zoals ik heb gezegd hebben alle woorden van de Heer een sacramentele achtergrond. De fundamentele achtergrond van de Gelijkenis van de Wijnrank is de Doop: we worden in Christus geplant; en de Eucharistie: we zijn één brood, één lichaam, één bloed, één leven met Christus. Dit zuiveringsproces heeft dus ook een sacramentele achtergrond: het sacrament van Boete en Verzoening waarin we de goddelijke pedagogie iedere dag opnieuw aannemen, gedurende ons leven, en die ons zuivert en ons steeds meer ware ledematen van zijn Lichaam maakt. Op die wijze kunnen we leren dat God onze gebeden beantwoord, dat hij vaak met goedheid zelfs kleine gebeden verhoord, maar vaak corrigeert hij ze ook, verandert ze en leidt ze zodat we uiteindelijk en werkelijk ranken van zijn Zoon mogen zijn, ledematen van zijn Lichaam.

Laten we God danken voor de grootsheid van zijn liefde, laten we bidden dat hij ons helpt te groeien in zijn liefde en werkelijk in zijn liefde te verblijven.

One thought on “Pauselijke Boodschap bij het Bezoek aan het Groot-Seminarie in Rome”

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s