Robert Kardinaal Sarah: “Naar een authentieke toepassing van Sacrosanctum Concilium”

This is a Dutch translation of Cardinal Robert Sarah’s address on the first day of the Sacra Liturgia conference, held in London from 5 to 8 July. This translation is based on the text as released via the Sacra Liturgia Facebook page. It is not a complete transcript of what Cardinal Sarah said. This is expected to be released sometime next week, after the cardinal has added a few points once he returns to Rome. In due time, this address, as well as the conference’s other papers, will be published in book form.


Dit is een Nederlandse vertaling van de toespraak die Kardinaal Robert Sarah heeft gegeven op de eerste dag van de Sacra Liturgia conferentie, gehouden in Londen van 5 tot 8 juli. Deze vertaling is gebasseerd op de tekst zoals die op de Facebook-pagina van Sacra Liturgia werd gepubliceerd. Het is geen volledige transcriptie van wat Kardinaal Sarah heeft gezegd. Het is de verwachting dat deze in de loop van de komende week wordt uitgegeven, zodra de kardinaal een aantal punten toe heeft kunnen voegen na zijn terugkeer naar Rome. Uiteindelijk zal deze toespraak, samen met alle andere die tijdens de conferentie gehouden zijn, in boekvorm uitgegeven worden.

TOESPRAAK VAN ZIJNE EMINENTIE ROBERT KARDINAAL SARAH:
“NAAR EEN AUTHENTIEKE TOEPASSING VAN SACROSANCTUM CONCILIUM”

IMG_7842

Ik wil in de eerste plaats mijn dank uitspreken aan Zijne Eminentie Vincent Kardinaal Nichols, voor zijn welkom in het Aartsbisdom Westminster en zijn vriendelijke begroetingswoorden. Eveneens wil ik Zijne Excellentie Bisschop Dominique Rey, bisschop van Fréjus-Toulon, danken voor zijn uitnodiging om hier met u aanwezig zijn bij de derde internationale “Sacra Liturgia” conferentie, en vanavond de openingstoespraak te presenteren. Uwe Excellentie, ik feliciteer u met dit internationale initiatief ter bevordering van de studie van het belang van liturgische vorming en viering in het leven en de missie van de Kerk.

In deze toespraak wil ik een aantal overwegingen aan u voorleggen over hoe de westerse Kerk naar een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium kan toewerken. Hiermee wil ik de vraag stellen: “Wat hadden de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie voor ogen met de liturgische hervorming?” Daarna wil ik bespreken hoe hun bedoelingen na het Concilie zijn toegepast. Uiteindelijk zou ik u een aantal voorstellen willen voorleggen over het liturgisch leven van de Kerk vandaag, zodat onze liturgische praktijk de bedoelingen van de Concilievaders beter kan weergeven.

Het is volgens mij overduidelijk dat de Kerk leert dat de katholieke liturgie de unieke bevoorrechte locus is van het verlossende handelen van Christus in onze huidige wereld, door middel van werkelijke participatie waarin wij Zijn genade en kracht ontvangen die zo nodig zijn voor onze volharding en groei in het christelijk leven. Het is de goddelijke vastgestelde plaats waar wij onze plicht tot het aanbieden van een offer, het Ene Ware Offer, aan God komen vervullen. Het is waar we onze diepgaande behoefte om God te aanbidden verwerkelijken. Katholieke liturgie is iets heiligs, iets dat door haar aard heilig is. Katholieke liturgie is geen gewone menselijke samenkomst.

Ik wil hier een zeer belangrijk feit onderstrepen: God, niet de mens, staat in het hart van de katholieke liturgie. We komen om Hem te aanbidden. De liturgie gaat niet om jou of mij; we vieren er niet onze eigen identiteit of prestaties, verheerlijken of promoten er niet onze eigen cultuur of plaatselijke religieuze gewoontes. De liturgie draait in de allereerste plaats om God en wat Hij voor ons gedaan heeft. In Zijn Goddelijke Voorzienigheid heeft de Almachtige God de Kerk gesticht en de heilige liturgie ingesteld waarmee wij Hem ware aanbidding kunnen opdragen in overeenstemming met het Nieuwe Verbond dat Christus gebracht heeft.Hierdoor, door het binnengaan van de vereisten van de heilige riten die in de traditie van de Kerk zijn ontwikkeld, krijgen wij onze ware identiteit en betekenis als zonen en dochters van de Vader.

Het is van essentieel belang dat we dit specifieke karakter van de katholieke eredienst begrijpen, want in recente decennia hebben we vele liturgische vieringen gezien waarin mensen, persoonlijkheid en menselijke prestaties te prominent aanwezig waren, bijna tot uitsluiting van God. Zoals Kardinaal Ratzinger ooit schreef: “Als de liturgie in de eerste plaats een werkplaats voor ons eigen handelen lijkt, dan wordt het essentiële vergeten: God. Het vergeten van God is het meest dreigende gevaar van onze tijd” (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 593). 

We moeten volkomen duidelijk zijn over de aard van de katholieke eredienst als we de Constutitie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie op de juiste wijze willen lezen en als we deze getrouw willen uitvoeren.

Al vele jaren voor het Concilie, in zowel missielanden als in de meer ontwikkelde gebieden, was er veel discussie over de mogelijkheid om het gebruik van de volkstalen in de liturgie uit te breiden, vooral voor de lezingen uit de Heilige Schrift, alsook voor een aantal andere onderdelen van het eerste deel van de Mis (wat we nu de “dienst van het Woord” noemen) en de liturgische zang. De Heilige Stoel had al meerdere keren toestemming gegeven voor het gebruik van de volkstaal in het toedienen van de sacramenten. Dit is de context waarin de Concilievaders spraken over de mogelijke positieve oecumenische of missionaire gevolgen van liturgische hervorming. Het is waar dat de volkstaal een positieve plaats heeft in de liturgie. Hier zochten de Vaders naar, niet naar de protestantisering van de Heilige Liturgie of instemmend met haar onderwerping aan een valse inculturisatie.

Ik ben een Afrikaan. Laat me dit duidelijk maken: de liturgie is niet de plaats om mijn cultuur te promoten. Het is veeleer de plaats waar mijn cultuur gedoopt wordt, waar mijn cultuur in het goddelijke wordt opgenomen. Door de liturgie van de Kerk (die missionarissen door heel de wereld hebben meegedragen) spreekt God tot ons, verandert Hij ons en stelt ons in staat deel te nemen in Zijn goddelijk bestaan. Als iemand christen wordt, als iemand in volledige eenheid met de katholieke kerk komt, ontvangt hij iets meer, iets dat hem verandert. Zeker, culturen en andere christenen brengen gaven met zich mee in de Kerk – de liturgie van de Ordinariaten voor Anglicanen die nu in volle eenheid met de Kerk zijn is hier een prachtig voorbeeld van. Maar zij brengen deze gaven met nederigheid, en de Kerk, in haar moederlijke wijsheid, maakt er gebruik zoals zij dat goed acht.

Eén van de duidelijkste en mooiste uitdrukking van de bedoelingen van de Concilievaders is te vinden aan het begin van het tweede hoofdstuk van de Constitutie, dat het mysterie van de Hoogheilige Eucharistie behandelt. In nummer 48 lezen we:

“Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan de tafel van ‘s Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem, en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte Gods alles in allen moge zijn.”

Broeders en zusters, dit is wat de Concilievaders wilden. Jazeker, ze discussieerden en stemden over specifieke manieren om hun bedoelingen toe te passen. Maar laat ons glashelder zijn: de rituele hervormingen in de Constitutie, zoals het herstel van het gebed van de gelovigen tijdens de Mis (n. 53), de uitbreiding van de concelebratie (n. 57) of een aantal van haar beleidslijnen zoals de vereenvoudiging verlangd in nummers 34 en 50, zijn alle ondergeschikt aan de fundamentele bedoelingen van de Concilievaders die ik zojuist heb omschreven. Het zijn middelen tot een doel, en het is het doel dat wij moeten behalen.

Als we naar een authentiekere toepassing van Sacrosanctum Concilium willen toewerken, dan moeten we op de allereerste plaats deze einddoelen in het oog houden. Misschien dat, als we ze met een frisse blik en met het voordeel van de ervaring van de laatste vijf decennia bestuderen, we sommige rituele hervormingen en bepaalde liturgische beleidslijnen in een ander licht zullen zien. Als sommige van deze nu moeten worden heroverwogen, om zo “het christelijk leven onder de gelovigen steeds hoger op te voeren” en “alle mensen tot de Kerk te roepen”, laat ons dan de Heer vragen ons de liefde en de nederigheid en wijsheid te schenken om dit te doen.

Ik noem deze mogelijkheid om opnieuw naar de Constitutie en de hervorming die volgde op de publicatie ervan te kijken, omdat ik niet denk dat we vandaag zelfs ook maar de eerste paragraaf van Sacrosanctum Concilium eerlijk kunnen lezen en tevreden kunnen zijn dat we de doelstellingen ervan hebben bereikt. Broeders en zusters, waar zijn de gelovigen waarover de Concilievaders spraken? Vele gelovigen zij nu ongelovig: ze komen helemaal niet meer naar de liturgie. In de woorden van de heilige Johannes Paulus II: vele christenen leven in een staat van “stille afvalligheid;” zij “leven alsof God niet bestaat” (Apostolische Exhortatie Ecclesia in Europa, 28 juni 2003, 9). Waar is de eenheid die het Concilie hoopte te bereiken? We hebben het nog niet bereikt. Hebben we werkelijk vooruitgang geboekt in het roepen van alle mensen tot de Kerk? Ik denk het niet. En toch hebben we heel veel in de liturgie gedaan!

In mijn 47 jaar als priester en na meer dan 36 jaar aan bisschoppelijk dienstwerk kan ik verklaren dat vele katholieke gemeenschappen en individuen de liturgie, zoals hervormd na het Concilie, met geestdrift en vreugde leven en vieren, en er veel van, zo niet al, het goede uit halen dat de Concilievaders verlangden. Dit is een grote vrucht van het Concilie. Maar uit mijn ervaring – nu ook als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten – weet ik ook dat er vele vervormingen van de liturgie in heel de Kerk van vandaag bestaan, en er zijn vele situaties die verbeterd kunnen worden zodat de doelstellingen van het Concilie behaald kunnen worden. Voor ik over een aantal mogelijke verbeteringen spreek, laten we bedenken wat er gebeurde na de publicatie van de Constitutie over de Heilige Liturgie.

Terwijl het officiele hervormingswerk plaatsvondt ontstonden er een aantal zeer ernstige verkeerde interpretaties van de liturgie en deze schoten wortel in verschillende plaatsen in de wereld. Deze misbruiken van de Heilige Liturgie ontwikkelden zich vanwege een foutief begrip van het Concilie en resulteerden in liturgische vieringen die subjectief waren en meer gericht op de verlangens van de individuele gemeenschap dan op de offerdienst van de Almachtige God. Mijn voorganger als Prefect van de Congregatie, Francis Kardinaal Arinze, noemde dit ooit eens “de doe-het-zelf Mis”. De heilige Johannes Paulus II vond het zelfs noodzakelijk het volgende te schrijven in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003):

“Deze dienst van de verkondiging van de kant van het Leergezag heeft een antwoord gekregen in de innerlijke groei van de christelijke gemeente. Zonder twijfel heeft de liturgiehervorming van het Concilie in hoge mate bijgedragen aan een bewustere, actievere en vruchtbaarder deelname aan het heilig Offer van het Altaar van de kant van de gelovigen. Op veel plaatsen is Aanbidding van het Allerheiligst Sacrament ook een belangrijke dagelijkse praktijk en wordt een onuitputtelijke bron van heiligheid. De vrome deelname van de gelovigen aan de eucharistische processie op Sacramentsdag is een genade van de Heer die ieder jaar vreugde brengt aan hen die eraan deelnemen. Andere positieve tekenen van geloof in en liefde voor de Eucharistie zouden nog genoemd kunnen worden.

Helaas is er naast dit licht ook schaduw. Op sommige plaatsen is de praktijk van de eucharistische Aanbidding vrijwel volledig verwaarloosd. In verschillende delen van de Kerk zijn misbruiken opgetreden, die lijden tot verwarring met betrekking tot het gezonde geloof en de katholieke leer ten aanzien van dit wonderbaarlijke Sacrament. Soms komt men een uiterst verengd begrip van het eucharistische mysterie tegen. Beroofd van zijn betekenis als offer wordt het gevierd als ware het eenvoudigweg een broederlijke maaltijd. Daarenboven wordt van tijd tot tijd de noodzaak van het ambtelijke priesterschap dat wortelt in de apostolische opvolging verduisterd en de sacramentaliteit van de Eucharistie wordt teruggebracht tot louter werkdadigheid in de verkondiging. Dit heeft hier en daar geleid tot oecumenische initiatieven die hoewel edel in hun motieven, toegeven aan eucharistische praktijken die in tegenspraak zijn met de discipline waarmee de Kerk haar geloof uitdrukt. Kunnen wij anders dan onze diepe droefheid over dit alles uitdrukken? De Eucharistie is een te groot geschenk dan dat wij dubbelzinnigheid en verschraling van de betekenis zouden kunnen dulden.

Ik vertrouw erop dat deze encycliek er effectief aan kan bijdragen om de schaduwen van onaanvaardbare doctrines en praktijken te verdrijven, opdat de Eucharistie verder moge stralen in heel de glans van haar mysterie (n. 10).”

Hier bestond ook een pastorale werkelijkheid: om goede redenen of niet, sommige mensen konden of wilden niet deelnemen aan de hervormde riten. Zij bleven weg of namen alleen deel aan de niet-hervormde liturgie waar ze die konden vinden, zelfs als de viering ervan niet was toegestaan. Zo werd de liturgie een uitdrukking van verdeeldheid in de Kerk, in plaats van één van katholieke eenheid. Het Concilie wilde niet dat de liturgie ons van elkaar scheidde! De heilige Johannes Paulus II werkte aan het genezen van deze verdeling, met de hulp van Kardinaal Ratzinger die, als Paus Benedictus XVI, de nodige interne verzoening in de Kerk wilde faciliteren door in zijn Motu Proprio Summorum Pontificum (7 juli 2007) te bepalen dat de oudere vorm van de Romeinse ritus zonder beperkingen beschikbaar moet zijn voor die individuen en groepen die uit haar rijkdom willen putten. In Gods Voorzienigheid is het nu mogelijk onze katholieke eenheid te vieren met respect voor, en zelfs vreugde in, een legitieme diversiteit van de rituele praktijk.

We mogen dan een hele nieuwe, moderne liturgie in de volkstaal hebben opgebouwd, maar als we niet de juiste basis hebben gelegd – als onze seminaristen en geestelijkheid niet “diep doordrongen zijn van de geest en de kracht van de liturgie”, zoals het Concilie vroeg – dan kunnen zij zelf de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd niet vormen. We moeten de woorden van het Concilie zelf zeer serieus nemen: het zou “kansloos” zijn te hopen op een liturgische vernieuwing zonder een grondige liturgische vorming. Zonder deze essentiële vorming zouden geestelijken zelfs schade toebrengen aan het geloof van mensen in het eucharistisch mysterie.

Ik wil niet bovenmatig pessimistisch overkomen, en ik zeg nogmaals: er zijn vele, vele gelovige mannelijke en vrouwelijke leken, vele geestelijken en religieuzen voor wie de liturgie zoals hervormd na het Concilie een bron van veel geestelijke en apostolische vruchten is, en daar dank ik de Almachtige God voor. Maar ik denk dat u het met mij eens zal zijn, zelfs op basis van mijn korte analyse hierboven, dat we beter kunnen doen, zodat de Heilige Liturgie werkelijk de bron en het hoogtepunt van het leven en de missie van de Kerk wordt, nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals de Concilievaders zozeer verlangden.

Gezien de fundamentele verlangens van de Concilievaders en de verschillende situaties die na het Concilie zichtbaar zijn geworden, zou ik een aantal praktische overwegingen willen presenteren over hoe we Sacrosanctum Concilium vandaag beter kunnen toepassen. Ook al dien ik als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, ik doe dit in alle nederigheid als een priester en een bisschop in de hoop dat dit een volwassen reflectie en studie en goed liturgisch handelen in heel de Kerk zal bevorderen.

Het zal geen verrassing zijn wanneer ik zeg dat we in de eerste plaats de kwaliteit en diepgang van onze liturgische vorming moeten onderzoeken, hoe we de geest en kracht van de liturgie overbrengen op onze geestelijken, religieuzen en lekengelovigen. Te vaak nemen we aan dat onze wijdingskandidaten voor het priesterschap of het permanente diaconaat genoeg over de liturgie “weten”. Maar het Concilie drong hierin niet aan op kennis, hoewel de Constitutie natuurlijk het belang van liturgiestudie onderstreepte (zie n. 15-17). Nee, de eerste en essentiële liturgische vorming is meer een onderdompeling in de liturgie, in het diepe mysterie van God, onze liefhebbende Vader. Het is een kwestie van de liturgie beleven in al haar rijkdom, zodat we, na gedronken te hebben uit haar bron, altijd dorsten naar haar verrukkingen, haar orde en schoonheid, haar stilte en bezinning, haar verheerlijking en aanbidding, haar vermogen ons ten diepste te verbinden met Hem die in en door de riten van de Kerk werkt.

Als we hier zorg voor dragen, als onze nieuwe priesters en diakens werkelijk dorsten naar de liturgie, zullen zij op hun beurt in staat zijn degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te vormen – zelfs als de liturgische situatie en mogelijkheden van hun kerkelijke missie bescheidener zijn dan die van het seminarie of de kathedraal. Ik weet van vele priesters in zulke omstandigheden die hun mensen vormen in de geest en kracht van de liturgie, en wier parochies voorbeelden zijn van grote liturgische schoonheid. We moeten niet vergeten dat waardige eenvoud niet hetzelfde is als reductief minimalisme of een verwaarloosde en vulgaire stijl. Zoals onze Heilige Vader, Paus Franciscus, leert in zijn Apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium: “De Kerk evangeliseert en evangeliseert zichzelf met de schoonheid van de liturgie, die ook viering is van de evangeliserende activiteit en bron van een hernieuwde impuls tot zelfgave.” (n. 24)

Ten tweede denk ik dat het zeer belangrijk is dat we duidelijk zijn over de aard van liturgische participatie, van de participatio actuosa waar het Concilie toe opriep. Hierover is veel verwarring geweest in de laatste decennia. Nummer 48 van de Constitutie zegt: De Kerk wil “dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling.” Het Concilie beschouwt participatie als voornamelijk intern, voortkomend uit een goed begrip van de riten en gebeden. Zeker, de Concilievaders vragen de gelovigen te zingen, de priester te antwoorden, liturgische taken op zich te nemen die rechtmatig de hunne zijn, maar staan erop dat allen zich bewust zijn van wat ze doen, “godvruchtig en actief”.

Als we het belang van de internisalisatie van onze liturgische participatie begrijpen zullen we het luidruchtige en gevaarlijke liturgische activisme, dat in de laatste decennia zo prominent aanwezig is geweest, vermijden. We gaan niet naar de liturgie om op te treden, om dingen te doen zodat anderen het kunnen zien: we gaan om verbonden te worden met het handelen van Christus door een internalisatie van de uitwendige liturgische riten, gebeden, tekenen en symbolen. Wellicht dat degenen die geroepen zijn tot liturgisch dienstwerk dit zich beter moeten herinneren dan anderen! Maar we moeten anderen ook vormen, in het bijzonder onze kinderen en jonge mensen, in de ware betekenis van liturgische participatie, in de ware manier om de liturgie te bidden.

Ten derde, ik heb gesproken over het feit dat een aantal hervormingen die na het Concilie zijn ingevoerd mogelijk zijn samengesteld volgens de tijdsgeest en dat er een groeiende hoeveelheid studie door trouwe zonen en dochters van de Kerk is geweest, waarin wordt gevraagd of wat was ingevoerd werkelijk de doelstellingen van de Constitutie toepaste, of dat ze er in werkelijkheid aan voorbij gingen. Deze studie vindt soms plaats onder de noemer “hervorming van de hervorming” en ik weet dat EH Thomas Kocik over deze kwestie een doorwrochte studie heeft gepresenteerd tijdens de Sacra Liturgia conferentie in New York, een jaar geleden.

Ik denk niet dat we de mogelijkheid of de wenselijkheid van een officiële hervorming van de liturgische hervorming kunnen afwijzen, omdat haar voorstanders een aantal belangrijke beweringen doen in hun pogingen trouw te zijn aan de nadruk van het Concilie in nummer 23 van de Constitutie “om de gezonde traditie te bewaren en toch de weg te openen voor een gewettigde vooruitgang”, en dat “vernieuwingen niet plaats hebben, tenzij deze door een werkelijk en duidelijk nut van de Kerk worden vereist, waarbij men er op dient te letten, dat de nieuwe vormen als het ware organisch voortkomen uit de reeds bestaande vormen.”

Ik kan meedelen dat, toen ik afgelopen april door de Heilige Vader in audiëntie werd ontvangen, Paus Franciscus mij vroeg de kwestie van een hervorming van een hervorming te bestuderen en hoe beide vormen van de Romeinse ritus te verrijken. Dat zal een fijngevoelig werk zijn en ik vraag om uw geduld en gebed. Maar als we Sacrosanctum Concilium beter willen toepassen, als we willen bereiken wat het Concilie verlangde, dan is dit een serieuze kwestie die zorgvuldig moet worden bestudeerd en behandeld met de nodige duidelijkheid en voorzichtigheid.

Wij priesters, wij bisschoppen dragen een grote verantwoordelijkheid. Hoe leidt ons goede voorbeeld tot goed liturgisch handelen; hoe kwetst onze onachtzaamheid of wangedrag de Kerk en haar heilige liturgie!

Wij priesters moeten in de allereerste plaats aanbidders zijn. Onze mensen zien het verschil tussen een priester die met geloof viert en één die haastig viert, veel op zijn horloge kijkt, bijna alsof hij zo snel mogelijk weer terug naar de televisie wil! Priesters, we kunnen niets belangrijkers doen dan de heilige mysteries te vieren: laten we oppassen voor de verleiding van liturgische luiheid, want dat is een verleiding van de duivel.

We moeten onthouden dat wij niet de makers van de liturgie zijn. Wij zijn haar nederige bedienaars, onderworpen aan haar discipline en wetten. Wij hebben ook de verantwoordelijkheid om degenen die ons bijstaan in liturgische functies te vormen in zowel de geest en kracht van de liturgie en zeker ook haar regels. Ik heb soms priesters een stap terug doen zetten om buitengewone bedienaars de Heilige Communie uit te laten delen: dit is fout, het is een ontkenning van het priesterlijk dienstwerk evenals een klerikalisering van de leken. Wanneer dit gebeurt is het een teken dat de vorming verkeerd is gegaan, en dat het gecorrigeerd moet worden.

Ik heb ook priesters en bisschoppen gezien die, gekleed om de Heilige Mis te vieren, telefoons en camera’s tevoorschijn haalden en in de heilige liturgie gebruikten. Dit is een verschrikkelijke aanklacht tegen het begrip dat zij hebben over wat ze doen als ze de liturgische gewaden aantrekken, dus zich als een alter Christus kleden – en nog meer, als ipse Christus, als Christus zelf. Dit is heiligschennis. Geen bisschop, priester of diaken die is gekleed voor het liturgisch dienstwerk of aanwezig op het priesterkoor moet foto’s nemen, zelfs niet tijdens grote geconcelebreerde Missen. Dit priesters dit vaak doen tijdens zulke Missen, of met elkaar praten of nonchalant zitten, is volgens mij een teken dat wij opnieuw moeten nadenken over de gepastheid van deze Missen, vooral als het priesters aanzet tot zulk schandalig gedrag dat het gevierde mysterie zo onwaardig is, of als de grootte van deze geconcelebreerde vieringen tot het risico van ontheiliging van de heilige Eucharistie leidt.

Ik wil een beroep doen aan alle priester. U heeft misschien mijn artikel in L’Osservatore Romano van een jaar geleden (12 juni 2015) gelezen, of mijn interview met het tijdschrift Famille Chrétienne in mei van dit jaar. Bij beide gelegenheden heb ik gezegd dat ik denk dat het heel belangrijk is dat we zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting, van priesters en gelovigen samen in dezelfde richting – naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt, in die delen van de liturgische riten waarin we ons tot God richten. Dit is toegestaan onder de huidige liturgische regels. Het is volledig legitiem in de moderne ritus. Ik denk dat het een heel belangrijke stap is om te verzekeren dat in onze vieringen de Heer werkelijk in het centrum staat.

En dus, beste priesters, vraag ik u dit waar mogelijk toe te passen, voorzichtig en met de nodige catechese, zeker, maar ook met het zelfvertrouwen van een herder dat dit iets goeds is voor de Kerk, iets goeds voor onze mensen. Uw eigen pastorale oordeel zal bepalen hoe en wanneer dit mogelijk is, maar wellicht is de eerste zondag van de Advent van dit jaar, wanneer we uitkijken naar “de Heer die zal komen” en “die niet aarzelt”, een hele goede tijd om dit te doen. Beste priesters, we zouden opnieuw moeten luisteren naar de klaagzang van God zoals verkondigd door de profeet Jeremia: “ze hebben Mij de rug toegekeerd” (2:27). Laat ons weer naar de Heer terugkeren!

Ik zou ook een beroep willen doen op mijn broeders bisschoppen: leidt u alstublieft uw priesters en mensen op deze manier naar de Heer, in het bijzonder in grote vieringen in uw bisdommen en in uw kathedraal. Vorm uw seminaristen alstublieft in de werkelijkheid dat we niet tot het priesterschap geroepen zijn om zelf in het hart van de liturgische eredienst te staan, maar om de gelovigen van Christus als medegelovigen naar Hem te leiden. Maak deze eenvoudige maar diepgaande hervorming alstublieft mogelijk in uw bisdommen, uw kathedralen, uw parochies en uw seminaries.

Wij bisschoppen hebben een grote verantwoordelijkheid, en ooit zullen we ons voor de Heer moeten verantwoorden over ons beheer. Wij bezitten niets! Zoals de heilige Paulus ons leert, wij zijn slechts “helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen” (1 Kor. 4:1). Wij hebben de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de heilige werkelijkheid van de liturgie wordt gerespecteerd in onze bisdommen en dat onze priesters en diakens zich niet alleen aan de liturgische voorschriften houden, maar de geest en de kracht van de liturgie waaruit deze voortkomen kennen. Ik was zeer bemoedigd door het lezen van de presentatie getiteld “The Bishop: Governor, Promoter and Guardian of the Liturgical Life of the Diocese”, gegeven voor de Sacra Liturgia conferentie in Rome in 2013 door aartsbisschop Alexander Sample van Portland in Oregon in de VS, en ik raad mijn broeders bisschoppen op broederlijke wijze aan zijn overwegingen zorgvuldig te bestuderen.

Hier herhaal ik wat ik elders heb gezegd: dat Paus Franciscus mij heeft gevraagd het liturgisch werk voort te zetten dat Paus Benedictus begonnen is (zie: Boodschap aan Sacra Liturgia 2015, New York City). Het feit dat we een nieuwe paus hebben betekent niet dat de visie van zijn voorganger nu niet langer geldig is. Integendeel, zoals we weten heeft onze Heilige Vader Paus Franciscus het grootste respect voor de liturgische visie en maatregelen die Paus Benedictus heeft uitgevoerd in opperste trouw aan de wensen en doelstellingen van de Concilievaders.

Staat u mij, voor ik afrond, toe een aantal andere kleine manieren te noemen die ook bij kunnen dragen aan een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium. Eén daarvan is dat we de liturgie moeten zingen, we moeten de liturgische teksten zingen, met respect voor de liturgische tradities van de Kerk en ons verheugend in de schatkist aan gewijde muziek die de onze is, in het bijzonder die muziek die hoort bij de Romeinse ritus, het Gregoriaans. We moeten gewijde liturgische muziek zingen, en niet slechts religieuze muziek of, erger, wereldse muziek.

We moeten de juiste balans vinden tussen de volkstalen en het gebruik van het Latijn in de liturgie. Het Concilie heeft nooit de bedoeling gehad dat de Romeinse ritus volledig in de volkstaal gevierd zou worden. Maar het wilde wel een breder gebruik ervan toestaan, in het bijzonder voor de lezingen. Tegenwoordig zou het mogelijk moeten zijn, vooral door moderne druktechnieken, om voor ieder het begrijpen van het Latijn te vergemakkelijken, wellicht voor de liturgie van de Eucharistie, en dit is natuurlijk met name gepast bij internationale samenkomsten waar de plaatselijke volkstaal door velen niet verstaan wordt. En wanneer de volkstaal gebruikt wordt moet het natuurlijk een juiste vertaling van het originele Latijn zijn, zoals Paus Franciscus recent aan mij heeft bevestigd.


Tussenkomst van Bisschop Rey

Met grote vreugde hebben we vandaag gehoord dat onze Heilige Vader, Paus Franciscus, u heeft gevraagd een studie te beginnen van de liturgische hervorming na het Concilie, en mogelijkheden te verkennen van wederzijdse verrijking tussen de oudere en nieuwere vormen van de Romeinse ritus, oorspronkelijk besproken door Paus Benedictus XVI.

Uwe Eminentie, uw oproep dat wij “zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting” in onze liturgische vieringen, “naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt,” is een uitnodiging tot een radicale herontdekking van iets dat aan de wortel ligt van de christelijke liturgie. Het roept ons op om wederom te beseffen dat, in al onze liturgische vieringen, de christelijke liturgie in essentie gericht is op Christus, wiens komst wij met vreugdevolle hoop afwachten.

Uwe Eminentie, ik ben slechts één bisschop van één bisdom in het zuiden van Frankrijk. Maar als antwoord op uw oproep wil ik nu aankondigen dat, in ieder geval op de laatste zondag van de Advent van dit jaar, in mijn viering van de heilige Eucharistie in mijn kathedraal en bij andere gelegenheden zoals het past, ik ad orientem zal vieren – in de richting van de Heer die komt. Voor de Advent zal ik een brief schrijven aan mijn priesters en mensen over deze kwestie om mijn beslissing toe te lichten. Ik zal hen aanmoedigen mijn voorbeeld te volgen. Ik zal hen vragen mijn persoonlijke getuigenis, als eerste herder van het bisdom, te ontvangen in de geest van iemand die zijn volk wil oproepen om hierdoor het primaatschap van de genade in hun liturgische vieringen te herontdekken. Ik zal uitleggen dat deze verandering ons zal helpen de fundamentele aard van de christelijke eredienst te herinneren: dat het steeds op de Heer gericht moet zijn.


Kardinaal Sarah, Addendum

We moeten ervoor zorgen dat aanbidding het hart is van onze liturgische vieringen. Te vaak maken we niet de beweging van viering naar aanbidding, maar als we dat niet doen ben ik bang dat we niet altijd volledig intern hebben deelgenomen aan de liturgie. Twee lichaamshoudingen zijn hier nuttig, zelf onmisbaar. De eerste is stilte. Als ik nooit stil ben, als de liturgie mij geen ruimte geeft voor stil gebed en bezinning, hoe kan ik dan Christus aanbidden, hoe ik mij dan in mijn hart en ziel met Hem verbonden voelen? Stilte is zeer belangrijk, en niet alleen voor en na de liturgie.

Zo is ook het knielen bij de consecratie (tenzij ik ziek ben) van belang. In het westen is dit een lichamelijke handeling van aanbidding die ons nederig maakt voor onze Heer en God. Het is in zichzelf een gebedshandeling. Waar knielen en buigen uit de liturgie zijn verdwenen moeten ze worden teruggebracht, in het bijzonder in verband met het ontvangen van onze Heer in de heilige communie. Beste priesters, vorm uw mensen, waar mogelijk en met pastorale prudentie, zoals ik eerder zei, in deze prachtige handeling van aanbidding en liefde. Laat ons wederom neerknielen in aanbidding en liefde voor de Eucharistische Heer!

In verband met het geknield ontvangen van de heilige communie  wil ik verwijzen naar de brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten uit 2002, die duidelijk maakt dat “elke weigering van de Heilige Communie aan één van de gelovigen op basis van zijn of haar knielende houding is een ernstige overtreding van één van de meest fundamentele rechten van de christengelovigen” (Brief, 1 juli 2002, Notitiae, n. 437, nov-dec 2002, p. 583).

Het correct kleden van alle liturgische bedienaren op het priesterkoor, inclusief de lectoren, is ook van groot belang, wil dit dienstwerk als authentiek beschouwd worden en wil het uitgevoerd worden met het decorum passend bij de heilige liturgie – ook de bedienaren zelf dienen de juiste eerbied te tonen voor de mysteries die zij toedienen.

Dit zijn enkele voorstellen: ik ben er zeker van dat er vele andere gedaan kunnen worden. Ik leg ze u voor als mogelijke manieren om verder te gaan naar “de juiste manier om de liturgie innerlijk en uiterlijk te vieren”, dat natuurlijk het verlangen was dat Kardinaal Ratzinger aan het begin van zijn grootse werk, De Geest van de Liturgie, uitdrukte (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 4). Ik moedig u aan om alles te doen dat u kunt om dit doel te realiseren, dat volledig in overeenstemming is met dat van de Constitutie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie.

 

 

More than just receiving – After Amoris laetitia, some thoughts on Communion and being Catholic

Communion-WafersAlmost a month since the publication of Amoris laetitia, it becomes untenable to claim that the notorious footnote 351 somehow opens the door for divorced and remarried Catholics to receive Communion. The debate is far from over, but over the course of the past weeks there have been an increasing number of authorities who explained that, no, this is not what the Pope intended to say. Cardinals Christoph Schönborn – named by Pope Francis to have given the right interpretation of the entire document -, Walter Brandmüller and Gerhard Müller are among these. The teaching on the subject as written down by Pope Saint John Paul II in Familiaris consortio remains current. And it couldn’t be any different, as Cardinal Burke also emphasised: an Apostolic Exhortation does not have the intention or authority to change doctrine.

I have been among those who have accussed Pope Francis of being unclear on this topic, but he isn’t really. It’s just that he never intended Amoris laetitia to give an authoritative solution, but to urge pastors and faithful to be creative and come up with solutions within the framework of the teachings of the Catholic Church. We must read the text with his emphases and focus, not our own.

Personally I find one of the clearest, and most often overlooked, points to be that the Catholic Church knows seven sacraments, of which the Eucharist is one. The footnote speaks only of ‘sacraments’, which in certain cases may be a help to couples who live in socalled irregular situations. This must, the Pope clearly indicates time and again, be decided on a case by case basis, conscious of the sensitive situation they might be in, and I can imagine that the sacraments of Baptism, Confirmation, Marriage, Confession can all certainly get a look in in these decisions. The possible solution presented in footnote 351 is therefore of a greater scope than what the vast majority of commenters – on both sides of the issue – have been saying.

And here we find a major cause of the problem: apparently, so many people think, you’re not really a part of the Church unless you receive Holy Communion. And not only that, there exists a right to receive Communion. This is both blatantly untrue. Our Catholic identity is in the first place not based in Communion but in Baptism, and secondly it extends far further than the act of receiving (or, in too many cases, taking) Communion. Unless we realise that, we are doomed to remain focussed on the question of who can and can not receive and thus, who is and is not really a part of our Catholic community. Pope Francis is determined to fight this latter idea, and if we are to side with him in that fight, we must re-evaluate our ideas about Holy Communion.

But let no one think I consider Eucharist and Communion not really that important. The Eucharist is the most valuable treasure the Church has. It is Christ, and the Church physically gives Him to the people. There can be no greater gift. This dictates how we relate to this sacrament. An honest desire to receive Communion is a good thing: we desire to receive Christ, make Him a part of ourselves, or ourselves a part of Him (Communion is like eating, but also completely unlike eating).

However, the Eucharist also inspires us, enables us to be Catholic, live a Christian life. This is expressed in prayer, in charity, in the works of mercy (both spiritual and corporal) and in every part of our lives. Or it should be. The proper understanding and relation with Christ in the Eucharist is a necessity in making it work in us. I have compared it to medication (in a field hospital, if you will): if we don’t change our lives and avoid what makes us sick, no amount of pills is going to make us better.

Holy Communion is a gift, and we are asked to not only accept it but make it fruitful in us. And sometimes we can’t. The situation of a family in which one of the spouses was previously married, but who both have the responsibility for children born in that second relationship, is an example. It is an objective fact, in which accusations and responsibility play no part, that this couple lives in an irregular situation and therefore can not receive Communion. But our Catholic faith is greater than that, and by no means are these people excluded from the most holy. Even being in the presence of the Holy Eucharist can be a sanctifying event, which is why the Holy Father emphases the importance of Adoration. The sacrament of Confession, to which footnote 351 is also open, can be a powerful help for people in this situation, even when they can’t change their objectively sinful situation.

We must not downplay the value of Communion, but neither should we deny the power of the Eucharist and the inspiration and strength it gives us to live Christian lives, even if we can’t physically receive it. Prayer, Confession, charity, mercy, solidarity are all fruits of the eternal sacrifice of Christ which, ever new, comes to us through the Eucharist. Let us emphasise what we can, and not what we can’t.

Some thoughts about Amoris laetitia, doctrine, mercy and Communion

While it is far from the main point of Amoris laetitia or the Synod of Bishops assemblies that preceeded it, the question of whether divorced and remarried Catholics can receive Communion is one that has kept people occupied both during and after the publication of the Post-Synodal Exhortation. That is in part due to the fact that Amoris laetitia does not give a clear answer*, although Pope Francis has indicated that he does not aim to change Church teaching with his text. And current Church teaching is that people whose first married is considered valid and who are in a relation with someone else are objectively adulterous and thus can not receive Holy Communion. Of course, the bare words of the law do not – and can not – take the specific situation of every couple into account, and are therefore necessarily general.

Amoris laetitia instead discusses the pastoral approach to people in such situations, and this is the place where the specifics of an individual relationship, marriage, divorce and second marriage can be discussed and interpreted. That still does not mean that the law can be changed there, but it is the place where understanding can be given, different ways in which a person can be a part of the life of the Church (a major focus of the Exhortation) and also where solutions to normalise their situation (called ‘irregular’ in Church legalese) can be found.

I have seen many comments which interpret the legal considerations as some form of punishment for people failing in marriage. This is of course not so. The law deals with factual situations, not with the reasons for the existence of those facts (although these can be taken into account when a court is asked for an opinion or verdict in a specific case).

In the end, and I have said this before, Jesus Himself gave the perfect summary of how to relate to people who, for whatever reason, failed to live up to the ideal. In the Gospel of John, chapter 8, we read of Jesus’ encounter with a woman caught in adultery. After an episode in which He confronts the scribes and Pharisees with their own hypocricy, the Lord tells the woman that he will not condemn her (mercy, the pastoral approach), but also that she should not sin from then on (the law). The law is clear, but never asks for the condemnation of people.  Jesus forgives our past mistakes, but also asks us not to make the same mistakes again. And in the situation of divorced and remarried Catholics it is clear that this means that we should not condemn the people concerned, but welcome them into our Church communities. But at the same time it is clear that they can’t continue in their objectively sinful state (just like the woman in the Gospel can’t continue sleeping around with other men). What exactly can and must change in each specific situation is a matter for the pastoral sphere, where the law provides a framework.

And here Pope Francis’ sadness, expressed during Saturday’s flight back from Lesbos, at how too many people only focus on this specific question, becomes understandable. The context of the mistakes made is not inconsequential; their causes lie elsewhere and affect the entire edifice of marriage and family. It is about more than Communion (which no one has a right to, anyway): it is about broken families, divorce, adultery, economic uncertainty, unwillingness or inability to get married, falling birth rates… Yes, access to the sacraments, or lack thereof, is one of the consequences of these crises, but we should not make the mistake of considering it the only one.

Yes, there is a development of doctrine, as many have said. Not of its roots, which lie in the Gospels and the Tradition of the Church, the bedrock on which the faith grows, but in the application, the choices we make which result in the tree of faith bearing much fruit. We need both, roots and fruit.

*And no, that infamous footnote 351 is no clear answer either, as it mentions sacraments, of which there are seven, and not Holy Communion to the exlucion of the other six.

An ‘existential document’- Cardinal Eijk present Amoris laetitia

Per the request of Pope Francis, bishops’ conferences everywhere officially presented his Post-Synodal Exhortation Amoris laetitia today. In the Netherlands, Cardinal Wim Eijk, president of the conference and two-time participant in the Synod of Bishops assemblies that are now concluded with this document, did the local honours here. Below is my translation of his remarks:

Cfh8fObWcAELPUc.jpg

^Cardinal Eijk with Patrizia, Massimo and Davide Paloni at the presentation of Amoris laetita this afternoon. The cardinal attended both Synod assemblies, and the Paloni’s, including little Davide, participated in the second. (photo credit: KN/Jan Peeters)

“Today is an important day in the pontificate of Pope Francis. Today is the crowning moment of an extensive journey which he began soon after the start of his pontificate: a journey with the goal of starting a process of reflection in the Church regarding pastoral care in the fields of marriage and family. There are different reasons for that: the Christian vision on marriage and family is understood, accepted and practised less and less in a world which is getting increasingly secularised. This is manifested most clearly in the western world, where secularisation has advanced so much that in many places, and especially in western Europe, Christians have become a minority. But a secularisation trend is manifest everywhere in the world under the influence of social media, albeit not to the same extent in all places and in some parts of the world only in certain circles. Partly because of distrust towards institutions and the reluctance to make definitive choices for life, certainly in western Europe a minority of Catholics enters into sacramental marriage. In addition, there are fewer people who get married civilly and the choice for simply living together is generally made. On the other hand we see many people who have chosen marriage and get stuck in it and – often after a painful process for both – divorce.

The openness of marriage to receiving and raising children, as the teaching of the Church upholds on Biblical basis, is also no longer seen as an essential value of marriage. Other relationships than that between man and woman are increasingly treated as equivalent to marriage, either de facto or by law. Under the influence of gender theory, the differences between the genders are generally no longer traced to the biological differences between man and woman, but seen as a personal and autonomous choice.

The pressing question with all these developments is: how can the Church find ways of pastoral care and proclamation to present her teachings about marriage and family in such a way that it is understood better and reaches more people? Ways by which she can also help couples and families to live according to God’s intentions. In order to find answers to these questions Pope Francis started this aforementioned journey of reflection. This journey included two assemblies of the Synod of Bishops. An Extraordinary Assembly, in which the presidents of the bishops’ conferences of the entire world Church took part and which took place in October 2014. Subsequently an Ordinary Assembly took place in October of 2015, in which bishops who were selected by the conferences they belonged to took part. I attended the Extraordinary Synod in 2014 as president of the Dutch Bishops’ Conference. In 2015 I attended the Ordinary Synod as elected representative of the Dutch Bishops’ Conference.

For both Synods, Pope Francis appointed a number of Synod fathers of his own choosing. He also invited married couples to witness of the way in which they put the Catholic vision of marriage and family into practice. He also invited a Dutch couple for the last Synod, Massimo and Patrizia Paloni. They attended with their youngest child, Davide. They will speak later.

It should be clear that this was a major journey, requiring a lot of work, when we realise that a preparatory document, the Lineamenta, was written for both Synods by the General Secretariat of the Synod of Bishops. A worldwide consultation was held about it. Based on this a working instrument, an Instrumentum laboris, was created for both Synods. Both Synods recorded the result of their deliberations, each in their own final document. The final documents were the Synod fathers’ advice to the Pope.

Today we witness the conclusion of this major journey, with the publication of the so-called Post-Synodal Exhortation, with the title Amoris laetitia (The joy of love). In it Pope Francis presents his final conclusions about the Synod’s discussions. Regarding the journey’s length and the importance of the topic for the Church we can comfortably charactise the publication of this Post-Synodal Exhortation as a decisive moment in the pontificate of Pope Francis.

As before he surprised Church and world with this publication, in several ways. Personally, I had to re-arrange my agenda for this week to prepare this presentation of this document of 325 paragraphs and almost one hundred closely-printed pages. It will take some time before one has absorbed the complete and rich content. The Pope himself advises not to read the Exhortation hurriedly, but study it and take it in in peace.

Also surprising is the character of the document. I would qualify the Post-Synodal Exhortation as ‘a Church document with a notably existential character’. This is something we are used to with Pope Francis, you will say, but here, at least, it is even more notable than in his other publications. Of course in the first place Pope Francis presents the teachings of the Roman Catholic Church regarding marriage and family. He also devotes plenty of space to the difficulties that people experience in understanding, applying and upholding those teachings.

Pope Francis is aware that this does not always involve resistance to the teachings of the Church. The choice for a civil marriage alone or cohabitation alone is often not motivated by a rejection of Christian marriage, but also by cultural and contingent situations: prevailing distrust towards institutions in general, the difficulties many have in accepting a specific state of life and obligations for the rest of their lives, problems finding work, finding permanent employment or assuring themselves of an adequate income, because of which they consider marriage a “luxury” (n. 294).

Regarding so-called irregular situations, that is to say situations in which people are in a relationshop which is not, or not in all aspects, in accord with the demands of Church teachings, the Pope urges all who work in pastoral care to approach these people with great mercy. Without letting go of Church teachings or compromising them, but by accompanying and being close to these people with a lot of love and patience. People in irregular situations should not be excluded from Church activities, but be integrated as much as possible. It is essential, according to the Pope, that priests and others who work in marriage care try and make the best possible ‘discernment’. He understands this as the constant effort to illuminate the concrete reality of life, the situations and relationships in which people live, with the Word of God. And he also recommends that they look for the openness that may be present in people in irregular situations, to yet shape their relationship according the teachings of the Church.

The Exhortation has nine solid chapters. It is of course no surprise that Pope Francis describes the Biblical vision on marriage and family in the first chapter “in light of the Word”. In the second chapter he comprehensively discusses modern reality and the current challenges of the family. The Pope emphasises in Chapter III that amidst all modern difficulties for the family, we must look towards Jesus, who will fulfill God’s plan with us, and so (re)discover the vocation of the family. In short, this chapter present a summary of Church teachings regarding marriage and family. Chapter IV continues this line with an exposition on marital love, based on the canticle of love written by the Apostle Paul (1 Cor. 13:4-7; n. 90). In Chapter V, “Love made fruitful”, the Pope emphasises that conjugal love presumes an openness to new life. In Chapter VI, “Some pastoral perspectives”, the Pope discusses the need to find new ways for marriage and family care, limiting himself to several general starting points. He sees the development of more practical initiatives as a task for the various bishops’ conferences, parishes and communities. Chapter VII is about the raising of children and Chapter VIII about the accompaniment of fragile relationships. The final Chapter IX, about the spirituality of marriage and family, is emblematic for the existential character of the document, as it points out some ways to develop a solid faith life in the family, as well giving common and personal prayer an established place in it.

I want to address one other topic seperately, which has played a major role during both Synods, and this is the question of whether people who are divorced and civilly remarried can receive Communion. In the Post-Synodal Exhortation, Pope Francis addresses this topic in two places, but he does not speak of people who are divorced and civilly remarried, but more broadly about people who are divorced and live in a new relationship. These people, the Pope says, should not have the feeling that they are excommunicated (n. 243 and 199). It is important to emphasise that he is not saying anything new here. Excommunication is an ecclesiastical punishment which someone can legally incur automatically, which can be legally declared after having been incurred or which can be imposed by verdict after serious misbehaviour or crimes. The situations in which this happens are limited: they includes a limited number of situations, and the situation of people who are divorced and have begun a new relationship is not among these. But nowhere in the Exhortation does the Pope say that they can receive Communion. Regarding people who are divorced and in a new relationship, this means that the traditional praxis, that they can not receive Communion, and which was formulated as follows by Pope John Paul II in Familiaris consortio in 1981 remains current:

“However, the Church reaffirms her practice, which is based upon Sacred Scripture, of not admitting to Eucharistic Communion divorced persons who have remarried. They are unable to be admitted thereto from the fact that their state and condition of life objectively contradict that union of love between Christ and the Church which is signified and effected by the Eucharist. Besides this, there is another special pastoral reason: if these people were admitted to the Eucharist, the faithful would be led into error and confusion regarding the Church’s teaching about the indissolubility of marriage.” (n. 84)

In Chapter VIII of the Exhortation Pope Francis answers the question of what the Church could offer people in these situations, and says what has been mentioned above: people working in pastoral care must accompany these people and consider how they can be involved in the life of the Church as much as possible. It is important to realise here that God’s mercy is not only received by means of the sacraments, but also by listening to and reading the Word of God and through prayer.

As mentioned, this papal document has the title Amoris laetitia, the “joy of love”. It is our duty as Church to promote and protect that joy, convinced that that joy is beneficial for married couples and families as well as for us as society. It is therefore our duty to be close to married couples and families and accompany them according to our abilities with our prayer and pastoral care, especially when they carry the heavy and painful burden of a marriage or family life that is broken. With this Exhortation the Pope urges us to do so.

Pope Francis concludes his Exhortation with a prayer to the Holy Family (Jesus, Mary and Joseph):

“Holy Family of Nazareth,
make us once more mindful
of the sacredness and inviolability of the family,
and its beauty in God’s plan.””

Müller’s mission – What rules have got to do with it

His is an unenviable task. With the faithful inspired by a charismatic Pope to show and share God’s  mercy in their lives, Cardinal Gerhard Müller has to remind us of the less enticing but equally important parts of being a Catholic.

naamloosIn a recent interview, the Prefect of the Congregation for the Doctrine of the Faith once more commented on the hot topic of whether divorced and remarried faithful can receive Communion, a topic that is as misunderstood as it is debated.

“The Pope continuously says that it is not about Holy Communion alone, but about the integration into the life of the Church, of which the final step in a  process of conversion and clarification can be Communion under the generally applicable conditions. A second marriage or second partner when the lawful spouse is still alive is, according to the Catholic interpretation of the words of Jesus, not possible. The Pope and all of us, however, absolutely want to avoid that people, also those in ambiguous marriage bonds, “drift away” from the Church as a salvific community. There are other – theologically valuable and legitimate – forms of participation in the life of the Church. Community with God and the Church does not solely consist of the physical reception of Holy Communion.”

Of course, these words have triggered much commentary, and a significant part of that commentary has been not only negative, but missing the point as well. Many wonder how this is merciful, or say that Jesus would allow divorced and remarried person to receive Him. The latter is quite presumptuous, while the former missunderstands what mercy is.

As Catholics we have the duty to be merciful to others, to open our hearts to the humanity of everyone, regardless of their situation. As Catholics we are also asked to listen to and make Christ’s words our own. Christ refused no one: he spoke and ate with the greatest sinners: from tax collectors to adulterers. In His mercy, which we are asked to make our own, he saw them as persons and listened to their stories, questions and concerns. He also taught them, admonished them when needed and invited them to follow Him, and said that he did not come to abolish the law, but to complete it (Matthew 5:17).

Law and mercy are equal parts of Christ’s message. We have frequently heard that mercy is the greatest of these, which means that it should play the greater role in our dealing with people. The objective law, however, remains as a collection of signposts along the way on which we follow Christ. It is one of the missions of the Church to maintain these signposts, and she has made it the primary task of the Congregation for the Doctrine of the Faith, currently headed by Cardinal Müller. That too is a mission of mercy, of which truth and honesty are integral parts.

The question of the indissolubility of marriage, of who can and can not receive Communion, are serious ones and need consideration beyond the emotional. In the pastoral situation on the ground mercy must be enacted towards everyone, but mercy is so much more than avoiding what’s difficult or seems unkind. It is no less merciful to clarify and explain than it is to open our doors to all.

Photo credit: dpa

“Peace, purity and consistency” – Cardinal Eijk’s message for Lent

In his message for Lent, Cardinal Wim Eijk looks ahead at the Gospel readings for this time, “a tried and tested method of focussing more on God in this period”. After discussing what Lent means in this Holy Year of Mercy, he also takes on a topic which Pope Francis also discusses frequently: the reality of the devil in our lives.

To the elemtents of “peace, purity and consistency”, which are important for our spiritual lives in Lent, the cardinal adds a fourth one: mercy.

There’s more, too, in my translation of the text:

Kardinaal%20Eijk%202012%20kapel%20RGB%204%20klein“Brothers and sisters in Christ Jesus our Lord,

Politicians in the 21st century are a bit like mountaineers: the go from one summit to another. At the end of 2015 the climate summit was held in Paris, for example, seen by many as a “last chance” to save the climate. After days of negotation an agreement appeared, of which we hope that it will be upheld by all parties.

In January of this year there was a summit of another sort: in the Swiss winter sports tonw of Davos the World Economic Forum (WEF) too place, where leading business people and politicians came together. After the industrial revolutions of the steam engine, mass production and information technology, a fourth industrial revolution is nigh, the World Economic Forum says. One of the elements of that fourth industrial revolution is that soon as many people in the world as possible will be connected to machines and each other via the Internet. Sensors which can read signals to activate machines when they are needed, are increasingly being integrated in clothing and jewelery, while a rose-coloured future of robots and self-driving cars by means of the Internet was presented in Davos.

There are undoubtedly many advantages, but a population connected and exchanging data through the Internet does not automatically make true human contactsm which is the sort of contact by which the exchange of data leads to an encounter with the other as a person. Contacts in which we really listen to the other’s story and not immediately weigh every word on our own inner value scales. Contacts in which drinking a cup of coffee together is more than enjoying a beverage together, because the one you are drinking it with has a chance to tell his story. Contacts in which we have compassion and sympathy when the situation requires it. And the situation requires it more often than we sometimes wish…

The world currently has great need of such compassion and sympathy, Pope Francis concluded. Partly for that reason he has called for the Holy Year of Mercy, which we are living in now. What the fourth industrial revolution can never bring, is what Pope Francis hopes to see as the result of this Holy Year; a ‘revolution of tenderness’. For that reason the Church must strongly emphasise her tradition of mercy, the Pope claims.

We are now at the start of Lent. This time of fasting offers a special opportunity to come clean with yourself. And not only with yourself, but also with your neighbours and with God. It is a forty-day ritual of purification – of the body, but especially of the soul. By stepping from what does not really matter, by separating the main and the side issues and so focus more on God, we come closer to our own identity: we are children of God, who is merciful Father for us. In the Bull Misericordiae vultus, in which Pope Francis announced the Holy Year of Mercy, he wrote with reason: “The season of Lent during this Jubilee Year should also be lived more intensely as a privileged moment to celebrate and experience God’s mercy” (Misericordiae vultus, 17).

The Gospel readings in Lent are a tried and tested method of focussing more on God in this period. In Luke 4:1-13 we read, for example, about the temptation of Jesus by the devil, when He spends forty days in the desert. The demonic temptations should not be seen symbolically only, as Pope Francis has emphasised several times. In the 21st century, the figure of the devil remains a reality. “We are all tempted, because our spiritual life, our Christian life, is a battle. Because the devil does not want us to become holy, he does not want us to follow Jesus. The devil’s temptations have three main characteristics, and we have to be aware of them in order to not to fall into his trap. What does the spirit of evil do to snatch us away from Jesus’ path? The temptation begins subtly but then it grows and increasingly grows stronger. Secondly, it infects someone else. It spreads to another and seeks to take root in the community. Fonally, to calm the soul, it seeks to justify itself. It grows, spreads and justifies itself” (Pope Francis, The Devil exists, daily meditation held on 11 April 2014, in the chapel of the Domus Sanctae Marthae).

We must take care to always remain vigilant, for demonic temptations often seem appealing. Just like decay masks itself with a sweet scent, so that we realise too late what we are dealing with.

In Luke 9:28-36 Jesus, accompanied by some of His disciples, ascends the mountain to pray. In this way He wants to be closer to God. Jesus frequently goes up a mountain to be with God and when we follow Jesus this also has to be a regular part of our lives.

Lent can help us to (spiritually) reanimate our prayerful relationship with God. It isn’t always easy, with all the distractions of the modern 24-hour economy, to find that solitude. There is, after all, so much distraction around us. The devil is sometimes called “the great tempter”. He tries to tempt man to do the bad and not the good. But the devil manifests himself in our time just as often as “the great distracter”. Instead of focussing on God, there is always something else that ostensibly requires our attention. The devil makes convenient use of this to distract us from God. The rule of “peace, purity and consistency”, used by young parents for their children, may be of use to us here. For us as children of God, this rule remains valid for our entire lives: find the peace of prayer, always aspire for spiritual purity and pray consistently: good habits are, after all, also hard to unlearn.

In the parable of the fig tree without fruits (Luke 13:6-9), which we read about on the Third Sunday of Lent, the owner threatens to have the fig tree cut down as it hasn’t born fruit in three years. Jesus quotes the vinedresser who answer the owner: “Sir, leave it one more year and give me time to dig round it and manure it: it may bear fruit next year; if not, then you can cut it down”. In this vinedresser we can recognise Jesus, “the face of the Father’s mercy” (Misericordiae vultus, 1), who is always willing to give man a new chance and for that purpose gives His life on the cross.

We too keep getting every opportunity to be nourished. In a very special way we receive that nourishment on Sunday in the celebration of the Eucharist, when we hear to the Word of the Lord and when, by receiving Holy Communion, we encounter and receive Christ. This inner attitude of mercy expresses itself outwardly in performing the works of mercy. The tree is known by its fruits, according to a saying with Biblical roots.

On the fourth Sunday of Lent we hear one of the best known parables in the Bible. In it, Jesus speaks about the prodigal son (Luke 15:11-32). The father receives his child – who was lost because of sin and who wasted his inheritance – with open arms. This parable has become a symbol of the boundlessness of Gods mercy: He keeps watching for His prodigal children. Hoping that they will recognise their sins, return to their senses and so also so Him. Rembrandt depicted the embrace of the Father and His prodigal son strikingly in a famous painting. The Dutch bishops chose this painting as a logo for their publications about the Year of Mercy, such as on the website http://www.heiligjaarvanbarmhartigheid.nl.

Lent is a frutiful time for us faithful, and in the Holy Year of Mercy it gets and extra dimension. Pope Francis added to this by the initiative of “24 hours for the Lord”, which will be held on 4 and 5 March. In his Bull says about it: “So many people, including young people, are returning to the Sacrament of Reconciliation; through this experience they are rediscovering a path back to the Lord, living a moment of intense prayer and finding meaning in their lives. Let us place the Sacrament of Reconciliation at the centre once more in such a way that it will enable people to touch the grandeur of God’s mercy with their own hands. For every penitent, it will be a source of true interior peace” (Misericordiae vultus, 17).

On the request of Pope Francis, a Holy Door has been opened in one or more churches in every diocese in the world. In the Archdiocese of Utrecht there are three: in Utrecht, Groenlo and Hengelo. People can pilgrimage to these churches and there are special celebrations and activities for the Holy Year there.

Pope Francis decreed that whoever goes through a Holy Door earns a full indulgence. The Eucharist must be celebrated and the sacrament of penance and reconciliation (confession) must be received thereto. This sacrament, often forgotten in the Netherlands, opens the path to the mercy of the Father. But we are also called to perform the works of mercy ourselves. There is much to do, so that can not be an excuse – there are no less than seven corporal and seven spiritual works of mercy. Performing these works of mercy should obviously not be limited to the Holy Year. We should be permanently reformed to a better version of ourselves in this Holy Year of Mercy.

In our archdiocese we also answer to the call of Pope Francis to bring the sacrament of confession into the spotlight anew. For that purpose there will be “celebrations of mercy” in our parishes, which include the adoration of Christ in the Blessed Sacrament. Several priests will be available for confession during these celebrations. The Dutch bishops will, in line with Pope Francis’ request, ask priests, deacons and pastoral workers to introduce children who are receiving their First Communion to the sacrament of penance and reconciliation.

God always wants the best for us. I pray that this Lent can be a new beginning, also for those who believe they are far removed from God the Father. For He always waits for us and wants to give us His mercy, so that we can become new people. In the words of the prophet Isaiah:

“No need to remember past events, no need to think about what was done before. Look, I am doing something new, now it emerges; can you not see it? Yes, I am making a road in the desert and rivers in wastelands.” (Is. 43:18-19)

I wish you all a fruitful and blessed Lent.

Utrecht, Ash Wednesday 10 February 2016

Willem Jacobus Cardinal Eijk
Archbishop of Utrecht”

Clean feet -a more inclusive Easter liturgy?

So the Holy Father went and had the Congregation for Divine Worship decree a change in the liturgy. For most parishes, at least here in Western Europe, the change will be unnoticeable, as most have made it years or even decades ago. But does that mean it is a mere formality, a change on paper only?

foot washing, maundy thursday, cathedral

^ Footwashing at St. Joseph’s cathedral in Groningen, last year.

Since 1955, the footwashing is a notable part of the liturgy of Maundy Thursday. The priest washes the feet of twelve men, in imitation of Jesus Christ’s washing of the feet of His disciples. As the new decree underlines, the rite revolves around the servitude of all those who wish to follow Christ, who came, after all, not to be served, but to serve. In the Gospel of John we read the following:

“Before the festival of the Passover, Jesus, knowing that his hour had come to pass from this world to the Father, having loved those who were his in the world, loved them to the end.

They were at supper, and the devil had already put it into the mind of Judas Iscariot son of Simon, to betray him. Jesus knew that the Father had put everything into his hands, and that he had come from God and was returning to God, and he got up from table, removed his outer garments and, taking a towel, wrapped it round his waist; he then poured water into a basin and began to wash the disciples’ feet and to wipe them with the towel he was wearing.

He came to Simon Peter, who said to him, ‘Lord, are you going to wash my feet?’ Jesus answered, ‘At the moment you do not know what I am doing, but later you will understand.’ ‘Never!’ said Peter. ‘You shall never wash my feet.’ Jesus replied, ‘If I do not wash you, you can have no share with me.’ Simon Peter said, ‘Well then, Lord, not only my feet, but my hands and my head as well!’ Jesus said, ‘No one who has had a bath needs washing, such a person is clean all over. You too are clean, though not all of you are.’ He knew who was going to betray him, and that was why he said, ‘though not all of you are’.

When he had washed their feet and put on his outer garments again he went back to the table. ‘Do you understand’, he said, ‘what I have done to you? You call me Master and Lord, and rightly; so I am. If I, then, the Lord and Master, have washed your feet, you must wash each other’s feet. I have given you an example so that you may copy what I have done to you. In all truth I tell you, no servant is greater than his master, no messenger is greater than the one who sent him. Now that you know this, blessed are you if you behave accordingly.'”

The rite of the footwashing is in the first place exactly what Jesus tells us it is: an example for us to follow, in the context of the relation between servant and master. For the priest, who washes the feet of twelve faithful, this is especially poignant. As an alter Christus he is especially tasked to lead by serving, made tangible in this subservient act.

In the Roman missal the faithful whose feet are to be washed are described as ‘vir’, men. Although many priests have not felt called to limit the faithful they chose for the rite to be only men, others, who understand that the liturgy is not just a collection of symbolic rituals, have followed what the missal stipulates. Pope Francis has now removed the rule that only men’s feet are to be washed in the ritual, stating only that they must be chosen from among the People of God: the faithful community assembled for the liturgical ritual. So not only men, but also women and children.

Of course, the changes have been met with comments far and wide. Before delving into some of those, it should be noted that this is not an issue of dogma, and that the Holy Father is completely free to make such changes. There are those who are all too keen to take every chance to denounce Pope Francis, but this is not one. This is Papal authority in action.

I have seen some comments expressing surprise that there even are rules about such things, but also pride in having been ahead of the curve in including women in the footwashing. Apparently, those who know of what the missal stated, have not felt the urge to take it seriously and keep to the rubrics. I have to wonder what the liturgy is for some people: a collection of quaint rituals to be performed or not as mood or times dictate, or something given as a task to perform by the Church, a rite reflecting the divine liturgy, which can not be changed by individual priests or liturgy committees (a silly concept in itself) as they desire. It should be clear what my position is, which happens to be what the Church herself also teaches. I may like or dislike what the missal contains, but it is not mine to change. It is, however, the Pope’s to change (as long as the changes are not dogmatic). He has that authority.

Some have also chosen to see this change as having to do with a right that until now has been denied to women. It is not. As the decree explains, Pope Francis wanted this change to better reflect the full make-up of the People of God, who all share in this commandment of service: it is therefore not a right that until now has been denied to women, but a duty that they are equally called to perform. Pridefully boasting that this is an equal rights issue is simplistic and out of place.

On the other side of the debate, more conservative commentators have taken issue with the fact that a liturgical tradition has been altered. They say that the presence of only men at the footwashing is a reflection of the footwashing as performed by Jesus. He also only washed the feet of men: His disciples. In this way it better reflected the relation between Christ and His followers, and thus reminds the priest and faithful of what the priesthood is: a service in a context of authority. I have to wonder, however, of the ritual itself, even if it includes only men, succeeds in this. At least in my experience, catechesis makes more of a difference than the gender of those whose feet are washed. For most faithful present at the footwashing, the actual ritual is too short and too far away to be fully witnessed and taken in.

Others have wondered if this is really the most urgent liturgical change that was needed. Aren’t there liturgical abuses that need to be adressed first? Of course there are. I think of the complete lack of reference for or even understanding of Who we received in Holy Communion, to name but one. But a start needs to be made somewhere, and the fact that changs are made is more important than the order in which they take place.

In closing, I would like to comment on what some have wondered about the role of Cardinal Robert Sarah in this. As Prefect of the Congregation for Divine Worship he is the one who issued and signed the decree announcing the change. Pope Francis made the request for the change in late 2014. It took more than a year for the decree to be published. Did Cardinal Sarah delay it, because he disagreed with it? Or is it perhaps more likely that the cardinal, who had only arrived at the Congregation in November of 2014, needed the time first to familiarise himself with his new duties, had to clear a banklog of files which had built up in the three months between the departure of the previous Prefect, Cardinal Cañizares Llovera, and his own arrival? And add to that the fact that there are other files to deal with in the course of the normal work of the Congregation, and it seems that this is a more likely reason for the apparent delay than any alleged delaying actions out of a theoritical opposition to the Pope’s reforms.