The first feast of St. Mary Magdalene – what it does and does not mean

Guido_Reni_-_The_Penitent_Magdalene_-_Google_Art_Project
Penitent Magdalene by Guido Reni, c. 1635

It’s odd. Pope Francis recently promoted today’s celebration of Saint Mary Magdalene from a memorial to a feast, the same category as the celebrations of most of the Apostles, and almost all I read can be summarised as “Mary Magdalene is now finally an Apostle, so we will soon have women priests”. This is ignorant thinking, not hindered by a sense of history or an awareness of who St. Mary Magdalene is, and limiting her only to how she relates to her male contemporaries – oddly enough, something that proponents of the ordination of women would want to avoid.

The elevation of St. Mary Magdalene’s feast day is not a change in her person, but in her importance for us. She does not suddenly become someone else, but her existing identity and example is underlined more, equated with the examples offered by most other Apostles (except for Sts. Peter and Paul, whose days, being solemnities, are of an even higher rank), or important event in the Lord’s life.

On today’s feast, we would do a great injustice to St. Mary Magdalene and her special role in the life of the Church by making her nothing more than a female version of a male Apostle. As if she has nothing to say or offer by herself.

In today’s Italian edition of L’Osservatore Romano, Cardinal Robert Sarah expounds on two attitudes of St. Mary Magdalene, “which can help all Christians, men and women, to deepen our commitment as followers of Christ: adoration and mission.” Worth a read to get to know today’s saint, not as a female copy of a man, but as an important example, the Apostle to the Apostles, in her own right.

In closing, the elevation of today’s feast says nothing about the ordination of women or other impossibilities. Rather, it has much to say about what St. Mary Magdalene has to offer: unrelenting commitment to the Lord, even when He seems to be absent, and a burning desire to follow His word and share His Good News with the rest of the world (and, in doing so, sometimes giving others a needed kick in the rear to get them going).

Robert Kardinaal Sarah: “Naar een authentieke toepassing van Sacrosanctum Concilium”

This is a Dutch translation of Cardinal Robert Sarah’s address on the first day of the Sacra Liturgia conference, held in London from 5 to 8 July. This translation is based on the text as released via the Sacra Liturgia Facebook page. It is not a complete transcript of what Cardinal Sarah said. This is expected to be released sometime next week, after the cardinal has added a few points once he returns to Rome. In due time, this address, as well as the conference’s other papers, will be published in book form.


Dit is een Nederlandse vertaling van de toespraak die Kardinaal Robert Sarah heeft gegeven op de eerste dag van de Sacra Liturgia conferentie, gehouden in Londen van 5 tot 8 juli. Deze vertaling is gebasseerd op de tekst zoals die op de Facebook-pagina van Sacra Liturgia werd gepubliceerd. Het is geen volledige transcriptie van wat Kardinaal Sarah heeft gezegd. Het is de verwachting dat deze in de loop van de komende week wordt uitgegeven, zodra de kardinaal een aantal punten toe heeft kunnen voegen na zijn terugkeer naar Rome. Uiteindelijk zal deze toespraak, samen met alle andere die tijdens de conferentie gehouden zijn, in boekvorm uitgegeven worden.

TOESPRAAK VAN ZIJNE EMINENTIE ROBERT KARDINAAL SARAH:
“NAAR EEN AUTHENTIEKE TOEPASSING VAN SACROSANCTUM CONCILIUM”

IMG_7842

Ik wil in de eerste plaats mijn dank uitspreken aan Zijne Eminentie Vincent Kardinaal Nichols, voor zijn welkom in het Aartsbisdom Westminster en zijn vriendelijke begroetingswoorden. Eveneens wil ik Zijne Excellentie Bisschop Dominique Rey, bisschop van Fréjus-Toulon, danken voor zijn uitnodiging om hier met u aanwezig zijn bij de derde internationale “Sacra Liturgia” conferentie, en vanavond de openingstoespraak te presenteren. Uwe Excellentie, ik feliciteer u met dit internationale initiatief ter bevordering van de studie van het belang van liturgische vorming en viering in het leven en de missie van de Kerk.

In deze toespraak wil ik een aantal overwegingen aan u voorleggen over hoe de westerse Kerk naar een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium kan toewerken. Hiermee wil ik de vraag stellen: “Wat hadden de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie voor ogen met de liturgische hervorming?” Daarna wil ik bespreken hoe hun bedoelingen na het Concilie zijn toegepast. Uiteindelijk zou ik u een aantal voorstellen willen voorleggen over het liturgisch leven van de Kerk vandaag, zodat onze liturgische praktijk de bedoelingen van de Concilievaders beter kan weergeven.

Het is volgens mij overduidelijk dat de Kerk leert dat de katholieke liturgie de unieke bevoorrechte locus is van het verlossende handelen van Christus in onze huidige wereld, door middel van werkelijke participatie waarin wij Zijn genade en kracht ontvangen die zo nodig zijn voor onze volharding en groei in het christelijk leven. Het is de goddelijke vastgestelde plaats waar wij onze plicht tot het aanbieden van een offer, het Ene Ware Offer, aan God komen vervullen. Het is waar we onze diepgaande behoefte om God te aanbidden verwerkelijken. Katholieke liturgie is iets heiligs, iets dat door haar aard heilig is. Katholieke liturgie is geen gewone menselijke samenkomst.

Ik wil hier een zeer belangrijk feit onderstrepen: God, niet de mens, staat in het hart van de katholieke liturgie. We komen om Hem te aanbidden. De liturgie gaat niet om jou of mij; we vieren er niet onze eigen identiteit of prestaties, verheerlijken of promoten er niet onze eigen cultuur of plaatselijke religieuze gewoontes. De liturgie draait in de allereerste plaats om God en wat Hij voor ons gedaan heeft. In Zijn Goddelijke Voorzienigheid heeft de Almachtige God de Kerk gesticht en de heilige liturgie ingesteld waarmee wij Hem ware aanbidding kunnen opdragen in overeenstemming met het Nieuwe Verbond dat Christus gebracht heeft.Hierdoor, door het binnengaan van de vereisten van de heilige riten die in de traditie van de Kerk zijn ontwikkeld, krijgen wij onze ware identiteit en betekenis als zonen en dochters van de Vader.

Het is van essentieel belang dat we dit specifieke karakter van de katholieke eredienst begrijpen, want in recente decennia hebben we vele liturgische vieringen gezien waarin mensen, persoonlijkheid en menselijke prestaties te prominent aanwezig waren, bijna tot uitsluiting van God. Zoals Kardinaal Ratzinger ooit schreef: “Als de liturgie in de eerste plaats een werkplaats voor ons eigen handelen lijkt, dan wordt het essentiële vergeten: God. Het vergeten van God is het meest dreigende gevaar van onze tijd” (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 593). 

We moeten volkomen duidelijk zijn over de aard van de katholieke eredienst als we de Constutitie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie op de juiste wijze willen lezen en als we deze getrouw willen uitvoeren.

Al vele jaren voor het Concilie, in zowel missielanden als in de meer ontwikkelde gebieden, was er veel discussie over de mogelijkheid om het gebruik van de volkstalen in de liturgie uit te breiden, vooral voor de lezingen uit de Heilige Schrift, alsook voor een aantal andere onderdelen van het eerste deel van de Mis (wat we nu de “dienst van het Woord” noemen) en de liturgische zang. De Heilige Stoel had al meerdere keren toestemming gegeven voor het gebruik van de volkstaal in het toedienen van de sacramenten. Dit is de context waarin de Concilievaders spraken over de mogelijke positieve oecumenische of missionaire gevolgen van liturgische hervorming. Het is waar dat de volkstaal een positieve plaats heeft in de liturgie. Hier zochten de Vaders naar, niet naar de protestantisering van de Heilige Liturgie of instemmend met haar onderwerping aan een valse inculturisatie.

Ik ben een Afrikaan. Laat me dit duidelijk maken: de liturgie is niet de plaats om mijn cultuur te promoten. Het is veeleer de plaats waar mijn cultuur gedoopt wordt, waar mijn cultuur in het goddelijke wordt opgenomen. Door de liturgie van de Kerk (die missionarissen door heel de wereld hebben meegedragen) spreekt God tot ons, verandert Hij ons en stelt ons in staat deel te nemen in Zijn goddelijk bestaan. Als iemand christen wordt, als iemand in volledige eenheid met de katholieke kerk komt, ontvangt hij iets meer, iets dat hem verandert. Zeker, culturen en andere christenen brengen gaven met zich mee in de Kerk – de liturgie van de Ordinariaten voor Anglicanen die nu in volle eenheid met de Kerk zijn is hier een prachtig voorbeeld van. Maar zij brengen deze gaven met nederigheid, en de Kerk, in haar moederlijke wijsheid, maakt er gebruik zoals zij dat goed acht.

Eén van de duidelijkste en mooiste uitdrukking van de bedoelingen van de Concilievaders is te vinden aan het begin van het tweede hoofdstuk van de Constitutie, dat het mysterie van de Hoogheilige Eucharistie behandelt. In nummer 48 lezen we:

“Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan de tafel van ‘s Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem, en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte Gods alles in allen moge zijn.”

Broeders en zusters, dit is wat de Concilievaders wilden. Jazeker, ze discussieerden en stemden over specifieke manieren om hun bedoelingen toe te passen. Maar laat ons glashelder zijn: de rituele hervormingen in de Constitutie, zoals het herstel van het gebed van de gelovigen tijdens de Mis (n. 53), de uitbreiding van de concelebratie (n. 57) of een aantal van haar beleidslijnen zoals de vereenvoudiging verlangd in nummers 34 en 50, zijn alle ondergeschikt aan de fundamentele bedoelingen van de Concilievaders die ik zojuist heb omschreven. Het zijn middelen tot een doel, en het is het doel dat wij moeten behalen.

Als we naar een authentiekere toepassing van Sacrosanctum Concilium willen toewerken, dan moeten we op de allereerste plaats deze einddoelen in het oog houden. Misschien dat, als we ze met een frisse blik en met het voordeel van de ervaring van de laatste vijf decennia bestuderen, we sommige rituele hervormingen en bepaalde liturgische beleidslijnen in een ander licht zullen zien. Als sommige van deze nu moeten worden heroverwogen, om zo “het christelijk leven onder de gelovigen steeds hoger op te voeren” en “alle mensen tot de Kerk te roepen”, laat ons dan de Heer vragen ons de liefde en de nederigheid en wijsheid te schenken om dit te doen.

Ik noem deze mogelijkheid om opnieuw naar de Constitutie en de hervorming die volgde op de publicatie ervan te kijken, omdat ik niet denk dat we vandaag zelfs ook maar de eerste paragraaf van Sacrosanctum Concilium eerlijk kunnen lezen en tevreden kunnen zijn dat we de doelstellingen ervan hebben bereikt. Broeders en zusters, waar zijn de gelovigen waarover de Concilievaders spraken? Vele gelovigen zij nu ongelovig: ze komen helemaal niet meer naar de liturgie. In de woorden van de heilige Johannes Paulus II: vele christenen leven in een staat van “stille afvalligheid;” zij “leven alsof God niet bestaat” (Apostolische Exhortatie Ecclesia in Europa, 28 juni 2003, 9). Waar is de eenheid die het Concilie hoopte te bereiken? We hebben het nog niet bereikt. Hebben we werkelijk vooruitgang geboekt in het roepen van alle mensen tot de Kerk? Ik denk het niet. En toch hebben we heel veel in de liturgie gedaan!

In mijn 47 jaar als priester en na meer dan 36 jaar aan bisschoppelijk dienstwerk kan ik verklaren dat vele katholieke gemeenschappen en individuen de liturgie, zoals hervormd na het Concilie, met geestdrift en vreugde leven en vieren, en er veel van, zo niet al, het goede uit halen dat de Concilievaders verlangden. Dit is een grote vrucht van het Concilie. Maar uit mijn ervaring – nu ook als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten – weet ik ook dat er vele vervormingen van de liturgie in heel de Kerk van vandaag bestaan, en er zijn vele situaties die verbeterd kunnen worden zodat de doelstellingen van het Concilie behaald kunnen worden. Voor ik over een aantal mogelijke verbeteringen spreek, laten we bedenken wat er gebeurde na de publicatie van de Constitutie over de Heilige Liturgie.

Terwijl het officiele hervormingswerk plaatsvondt ontstonden er een aantal zeer ernstige verkeerde interpretaties van de liturgie en deze schoten wortel in verschillende plaatsen in de wereld. Deze misbruiken van de Heilige Liturgie ontwikkelden zich vanwege een foutief begrip van het Concilie en resulteerden in liturgische vieringen die subjectief waren en meer gericht op de verlangens van de individuele gemeenschap dan op de offerdienst van de Almachtige God. Mijn voorganger als Prefect van de Congregatie, Francis Kardinaal Arinze, noemde dit ooit eens “de doe-het-zelf Mis”. De heilige Johannes Paulus II vond het zelfs noodzakelijk het volgende te schrijven in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003):

“Deze dienst van de verkondiging van de kant van het Leergezag heeft een antwoord gekregen in de innerlijke groei van de christelijke gemeente. Zonder twijfel heeft de liturgiehervorming van het Concilie in hoge mate bijgedragen aan een bewustere, actievere en vruchtbaarder deelname aan het heilig Offer van het Altaar van de kant van de gelovigen. Op veel plaatsen is Aanbidding van het Allerheiligst Sacrament ook een belangrijke dagelijkse praktijk en wordt een onuitputtelijke bron van heiligheid. De vrome deelname van de gelovigen aan de eucharistische processie op Sacramentsdag is een genade van de Heer die ieder jaar vreugde brengt aan hen die eraan deelnemen. Andere positieve tekenen van geloof in en liefde voor de Eucharistie zouden nog genoemd kunnen worden.

Helaas is er naast dit licht ook schaduw. Op sommige plaatsen is de praktijk van de eucharistische Aanbidding vrijwel volledig verwaarloosd. In verschillende delen van de Kerk zijn misbruiken opgetreden, die lijden tot verwarring met betrekking tot het gezonde geloof en de katholieke leer ten aanzien van dit wonderbaarlijke Sacrament. Soms komt men een uiterst verengd begrip van het eucharistische mysterie tegen. Beroofd van zijn betekenis als offer wordt het gevierd als ware het eenvoudigweg een broederlijke maaltijd. Daarenboven wordt van tijd tot tijd de noodzaak van het ambtelijke priesterschap dat wortelt in de apostolische opvolging verduisterd en de sacramentaliteit van de Eucharistie wordt teruggebracht tot louter werkdadigheid in de verkondiging. Dit heeft hier en daar geleid tot oecumenische initiatieven die hoewel edel in hun motieven, toegeven aan eucharistische praktijken die in tegenspraak zijn met de discipline waarmee de Kerk haar geloof uitdrukt. Kunnen wij anders dan onze diepe droefheid over dit alles uitdrukken? De Eucharistie is een te groot geschenk dan dat wij dubbelzinnigheid en verschraling van de betekenis zouden kunnen dulden.

Ik vertrouw erop dat deze encycliek er effectief aan kan bijdragen om de schaduwen van onaanvaardbare doctrines en praktijken te verdrijven, opdat de Eucharistie verder moge stralen in heel de glans van haar mysterie (n. 10).”

Hier bestond ook een pastorale werkelijkheid: om goede redenen of niet, sommige mensen konden of wilden niet deelnemen aan de hervormde riten. Zij bleven weg of namen alleen deel aan de niet-hervormde liturgie waar ze die konden vinden, zelfs als de viering ervan niet was toegestaan. Zo werd de liturgie een uitdrukking van verdeeldheid in de Kerk, in plaats van één van katholieke eenheid. Het Concilie wilde niet dat de liturgie ons van elkaar scheidde! De heilige Johannes Paulus II werkte aan het genezen van deze verdeling, met de hulp van Kardinaal Ratzinger die, als Paus Benedictus XVI, de nodige interne verzoening in de Kerk wilde faciliteren door in zijn Motu Proprio Summorum Pontificum (7 juli 2007) te bepalen dat de oudere vorm van de Romeinse ritus zonder beperkingen beschikbaar moet zijn voor die individuen en groepen die uit haar rijkdom willen putten. In Gods Voorzienigheid is het nu mogelijk onze katholieke eenheid te vieren met respect voor, en zelfs vreugde in, een legitieme diversiteit van de rituele praktijk.

We mogen dan een hele nieuwe, moderne liturgie in de volkstaal hebben opgebouwd, maar als we niet de juiste basis hebben gelegd – als onze seminaristen en geestelijkheid niet “diep doordrongen zijn van de geest en de kracht van de liturgie”, zoals het Concilie vroeg – dan kunnen zij zelf de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd niet vormen. We moeten de woorden van het Concilie zelf zeer serieus nemen: het zou “kansloos” zijn te hopen op een liturgische vernieuwing zonder een grondige liturgische vorming. Zonder deze essentiële vorming zouden geestelijken zelfs schade toebrengen aan het geloof van mensen in het eucharistisch mysterie.

Ik wil niet bovenmatig pessimistisch overkomen, en ik zeg nogmaals: er zijn vele, vele gelovige mannelijke en vrouwelijke leken, vele geestelijken en religieuzen voor wie de liturgie zoals hervormd na het Concilie een bron van veel geestelijke en apostolische vruchten is, en daar dank ik de Almachtige God voor. Maar ik denk dat u het met mij eens zal zijn, zelfs op basis van mijn korte analyse hierboven, dat we beter kunnen doen, zodat de Heilige Liturgie werkelijk de bron en het hoogtepunt van het leven en de missie van de Kerk wordt, nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals de Concilievaders zozeer verlangden.

Gezien de fundamentele verlangens van de Concilievaders en de verschillende situaties die na het Concilie zichtbaar zijn geworden, zou ik een aantal praktische overwegingen willen presenteren over hoe we Sacrosanctum Concilium vandaag beter kunnen toepassen. Ook al dien ik als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, ik doe dit in alle nederigheid als een priester en een bisschop in de hoop dat dit een volwassen reflectie en studie en goed liturgisch handelen in heel de Kerk zal bevorderen.

Het zal geen verrassing zijn wanneer ik zeg dat we in de eerste plaats de kwaliteit en diepgang van onze liturgische vorming moeten onderzoeken, hoe we de geest en kracht van de liturgie overbrengen op onze geestelijken, religieuzen en lekengelovigen. Te vaak nemen we aan dat onze wijdingskandidaten voor het priesterschap of het permanente diaconaat genoeg over de liturgie “weten”. Maar het Concilie drong hierin niet aan op kennis, hoewel de Constitutie natuurlijk het belang van liturgiestudie onderstreepte (zie n. 15-17). Nee, de eerste en essentiële liturgische vorming is meer een onderdompeling in de liturgie, in het diepe mysterie van God, onze liefhebbende Vader. Het is een kwestie van de liturgie beleven in al haar rijkdom, zodat we, na gedronken te hebben uit haar bron, altijd dorsten naar haar verrukkingen, haar orde en schoonheid, haar stilte en bezinning, haar verheerlijking en aanbidding, haar vermogen ons ten diepste te verbinden met Hem die in en door de riten van de Kerk werkt.

Als we hier zorg voor dragen, als onze nieuwe priesters en diakens werkelijk dorsten naar de liturgie, zullen zij op hun beurt in staat zijn degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te vormen – zelfs als de liturgische situatie en mogelijkheden van hun kerkelijke missie bescheidener zijn dan die van het seminarie of de kathedraal. Ik weet van vele priesters in zulke omstandigheden die hun mensen vormen in de geest en kracht van de liturgie, en wier parochies voorbeelden zijn van grote liturgische schoonheid. We moeten niet vergeten dat waardige eenvoud niet hetzelfde is als reductief minimalisme of een verwaarloosde en vulgaire stijl. Zoals onze Heilige Vader, Paus Franciscus, leert in zijn Apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium: “De Kerk evangeliseert en evangeliseert zichzelf met de schoonheid van de liturgie, die ook viering is van de evangeliserende activiteit en bron van een hernieuwde impuls tot zelfgave.” (n. 24)

Ten tweede denk ik dat het zeer belangrijk is dat we duidelijk zijn over de aard van liturgische participatie, van de participatio actuosa waar het Concilie toe opriep. Hierover is veel verwarring geweest in de laatste decennia. Nummer 48 van de Constitutie zegt: De Kerk wil “dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling.” Het Concilie beschouwt participatie als voornamelijk intern, voortkomend uit een goed begrip van de riten en gebeden. Zeker, de Concilievaders vragen de gelovigen te zingen, de priester te antwoorden, liturgische taken op zich te nemen die rechtmatig de hunne zijn, maar staan erop dat allen zich bewust zijn van wat ze doen, “godvruchtig en actief”.

Als we het belang van de internisalisatie van onze liturgische participatie begrijpen zullen we het luidruchtige en gevaarlijke liturgische activisme, dat in de laatste decennia zo prominent aanwezig is geweest, vermijden. We gaan niet naar de liturgie om op te treden, om dingen te doen zodat anderen het kunnen zien: we gaan om verbonden te worden met het handelen van Christus door een internalisatie van de uitwendige liturgische riten, gebeden, tekenen en symbolen. Wellicht dat degenen die geroepen zijn tot liturgisch dienstwerk dit zich beter moeten herinneren dan anderen! Maar we moeten anderen ook vormen, in het bijzonder onze kinderen en jonge mensen, in de ware betekenis van liturgische participatie, in de ware manier om de liturgie te bidden.

Ten derde, ik heb gesproken over het feit dat een aantal hervormingen die na het Concilie zijn ingevoerd mogelijk zijn samengesteld volgens de tijdsgeest en dat er een groeiende hoeveelheid studie door trouwe zonen en dochters van de Kerk is geweest, waarin wordt gevraagd of wat was ingevoerd werkelijk de doelstellingen van de Constitutie toepaste, of dat ze er in werkelijkheid aan voorbij gingen. Deze studie vindt soms plaats onder de noemer “hervorming van de hervorming” en ik weet dat EH Thomas Kocik over deze kwestie een doorwrochte studie heeft gepresenteerd tijdens de Sacra Liturgia conferentie in New York, een jaar geleden.

Ik denk niet dat we de mogelijkheid of de wenselijkheid van een officiële hervorming van de liturgische hervorming kunnen afwijzen, omdat haar voorstanders een aantal belangrijke beweringen doen in hun pogingen trouw te zijn aan de nadruk van het Concilie in nummer 23 van de Constitutie “om de gezonde traditie te bewaren en toch de weg te openen voor een gewettigde vooruitgang”, en dat “vernieuwingen niet plaats hebben, tenzij deze door een werkelijk en duidelijk nut van de Kerk worden vereist, waarbij men er op dient te letten, dat de nieuwe vormen als het ware organisch voortkomen uit de reeds bestaande vormen.”

Ik kan meedelen dat, toen ik afgelopen april door de Heilige Vader in audiëntie werd ontvangen, Paus Franciscus mij vroeg de kwestie van een hervorming van een hervorming te bestuderen en hoe beide vormen van de Romeinse ritus te verrijken. Dat zal een fijngevoelig werk zijn en ik vraag om uw geduld en gebed. Maar als we Sacrosanctum Concilium beter willen toepassen, als we willen bereiken wat het Concilie verlangde, dan is dit een serieuze kwestie die zorgvuldig moet worden bestudeerd en behandeld met de nodige duidelijkheid en voorzichtigheid.

Wij priesters, wij bisschoppen dragen een grote verantwoordelijkheid. Hoe leidt ons goede voorbeeld tot goed liturgisch handelen; hoe kwetst onze onachtzaamheid of wangedrag de Kerk en haar heilige liturgie!

Wij priesters moeten in de allereerste plaats aanbidders zijn. Onze mensen zien het verschil tussen een priester die met geloof viert en één die haastig viert, veel op zijn horloge kijkt, bijna alsof hij zo snel mogelijk weer terug naar de televisie wil! Priesters, we kunnen niets belangrijkers doen dan de heilige mysteries te vieren: laten we oppassen voor de verleiding van liturgische luiheid, want dat is een verleiding van de duivel.

We moeten onthouden dat wij niet de makers van de liturgie zijn. Wij zijn haar nederige bedienaars, onderworpen aan haar discipline en wetten. Wij hebben ook de verantwoordelijkheid om degenen die ons bijstaan in liturgische functies te vormen in zowel de geest en kracht van de liturgie en zeker ook haar regels. Ik heb soms priesters een stap terug doen zetten om buitengewone bedienaars de Heilige Communie uit te laten delen: dit is fout, het is een ontkenning van het priesterlijk dienstwerk evenals een klerikalisering van de leken. Wanneer dit gebeurt is het een teken dat de vorming verkeerd is gegaan, en dat het gecorrigeerd moet worden.

Ik heb ook priesters en bisschoppen gezien die, gekleed om de Heilige Mis te vieren, telefoons en camera’s tevoorschijn haalden en in de heilige liturgie gebruikten. Dit is een verschrikkelijke aanklacht tegen het begrip dat zij hebben over wat ze doen als ze de liturgische gewaden aantrekken, dus zich als een alter Christus kleden – en nog meer, als ipse Christus, als Christus zelf. Dit is heiligschennis. Geen bisschop, priester of diaken die is gekleed voor het liturgisch dienstwerk of aanwezig op het priesterkoor moet foto’s nemen, zelfs niet tijdens grote geconcelebreerde Missen. Dit priesters dit vaak doen tijdens zulke Missen, of met elkaar praten of nonchalant zitten, is volgens mij een teken dat wij opnieuw moeten nadenken over de gepastheid van deze Missen, vooral als het priesters aanzet tot zulk schandalig gedrag dat het gevierde mysterie zo onwaardig is, of als de grootte van deze geconcelebreerde vieringen tot het risico van ontheiliging van de heilige Eucharistie leidt.

Ik wil een beroep doen aan alle priester. U heeft misschien mijn artikel in L’Osservatore Romano van een jaar geleden (12 juni 2015) gelezen, of mijn interview met het tijdschrift Famille Chrétienne in mei van dit jaar. Bij beide gelegenheden heb ik gezegd dat ik denk dat het heel belangrijk is dat we zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting, van priesters en gelovigen samen in dezelfde richting – naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt, in die delen van de liturgische riten waarin we ons tot God richten. Dit is toegestaan onder de huidige liturgische regels. Het is volledig legitiem in de moderne ritus. Ik denk dat het een heel belangrijke stap is om te verzekeren dat in onze vieringen de Heer werkelijk in het centrum staat.

En dus, beste priesters, vraag ik u dit waar mogelijk toe te passen, voorzichtig en met de nodige catechese, zeker, maar ook met het zelfvertrouwen van een herder dat dit iets goeds is voor de Kerk, iets goeds voor onze mensen. Uw eigen pastorale oordeel zal bepalen hoe en wanneer dit mogelijk is, maar wellicht is de eerste zondag van de Advent van dit jaar, wanneer we uitkijken naar “de Heer die zal komen” en “die niet aarzelt”, een hele goede tijd om dit te doen. Beste priesters, we zouden opnieuw moeten luisteren naar de klaagzang van God zoals verkondigd door de profeet Jeremia: “ze hebben Mij de rug toegekeerd” (2:27). Laat ons weer naar de Heer terugkeren!

Ik zou ook een beroep willen doen op mijn broeders bisschoppen: leidt u alstublieft uw priesters en mensen op deze manier naar de Heer, in het bijzonder in grote vieringen in uw bisdommen en in uw kathedraal. Vorm uw seminaristen alstublieft in de werkelijkheid dat we niet tot het priesterschap geroepen zijn om zelf in het hart van de liturgische eredienst te staan, maar om de gelovigen van Christus als medegelovigen naar Hem te leiden. Maak deze eenvoudige maar diepgaande hervorming alstublieft mogelijk in uw bisdommen, uw kathedralen, uw parochies en uw seminaries.

Wij bisschoppen hebben een grote verantwoordelijkheid, en ooit zullen we ons voor de Heer moeten verantwoorden over ons beheer. Wij bezitten niets! Zoals de heilige Paulus ons leert, wij zijn slechts “helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen” (1 Kor. 4:1). Wij hebben de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de heilige werkelijkheid van de liturgie wordt gerespecteerd in onze bisdommen en dat onze priesters en diakens zich niet alleen aan de liturgische voorschriften houden, maar de geest en de kracht van de liturgie waaruit deze voortkomen kennen. Ik was zeer bemoedigd door het lezen van de presentatie getiteld “The Bishop: Governor, Promoter and Guardian of the Liturgical Life of the Diocese”, gegeven voor de Sacra Liturgia conferentie in Rome in 2013 door aartsbisschop Alexander Sample van Portland in Oregon in de VS, en ik raad mijn broeders bisschoppen op broederlijke wijze aan zijn overwegingen zorgvuldig te bestuderen.

Hier herhaal ik wat ik elders heb gezegd: dat Paus Franciscus mij heeft gevraagd het liturgisch werk voort te zetten dat Paus Benedictus begonnen is (zie: Boodschap aan Sacra Liturgia 2015, New York City). Het feit dat we een nieuwe paus hebben betekent niet dat de visie van zijn voorganger nu niet langer geldig is. Integendeel, zoals we weten heeft onze Heilige Vader Paus Franciscus het grootste respect voor de liturgische visie en maatregelen die Paus Benedictus heeft uitgevoerd in opperste trouw aan de wensen en doelstellingen van de Concilievaders.

Staat u mij, voor ik afrond, toe een aantal andere kleine manieren te noemen die ook bij kunnen dragen aan een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium. Eén daarvan is dat we de liturgie moeten zingen, we moeten de liturgische teksten zingen, met respect voor de liturgische tradities van de Kerk en ons verheugend in de schatkist aan gewijde muziek die de onze is, in het bijzonder die muziek die hoort bij de Romeinse ritus, het Gregoriaans. We moeten gewijde liturgische muziek zingen, en niet slechts religieuze muziek of, erger, wereldse muziek.

We moeten de juiste balans vinden tussen de volkstalen en het gebruik van het Latijn in de liturgie. Het Concilie heeft nooit de bedoeling gehad dat de Romeinse ritus volledig in de volkstaal gevierd zou worden. Maar het wilde wel een breder gebruik ervan toestaan, in het bijzonder voor de lezingen. Tegenwoordig zou het mogelijk moeten zijn, vooral door moderne druktechnieken, om voor ieder het begrijpen van het Latijn te vergemakkelijken, wellicht voor de liturgie van de Eucharistie, en dit is natuurlijk met name gepast bij internationale samenkomsten waar de plaatselijke volkstaal door velen niet verstaan wordt. En wanneer de volkstaal gebruikt wordt moet het natuurlijk een juiste vertaling van het originele Latijn zijn, zoals Paus Franciscus recent aan mij heeft bevestigd.


Tussenkomst van Bisschop Rey

Met grote vreugde hebben we vandaag gehoord dat onze Heilige Vader, Paus Franciscus, u heeft gevraagd een studie te beginnen van de liturgische hervorming na het Concilie, en mogelijkheden te verkennen van wederzijdse verrijking tussen de oudere en nieuwere vormen van de Romeinse ritus, oorspronkelijk besproken door Paus Benedictus XVI.

Uwe Eminentie, uw oproep dat wij “zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting” in onze liturgische vieringen, “naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt,” is een uitnodiging tot een radicale herontdekking van iets dat aan de wortel ligt van de christelijke liturgie. Het roept ons op om wederom te beseffen dat, in al onze liturgische vieringen, de christelijke liturgie in essentie gericht is op Christus, wiens komst wij met vreugdevolle hoop afwachten.

Uwe Eminentie, ik ben slechts één bisschop van één bisdom in het zuiden van Frankrijk. Maar als antwoord op uw oproep wil ik nu aankondigen dat, in ieder geval op de laatste zondag van de Advent van dit jaar, in mijn viering van de heilige Eucharistie in mijn kathedraal en bij andere gelegenheden zoals het past, ik ad orientem zal vieren – in de richting van de Heer die komt. Voor de Advent zal ik een brief schrijven aan mijn priesters en mensen over deze kwestie om mijn beslissing toe te lichten. Ik zal hen aanmoedigen mijn voorbeeld te volgen. Ik zal hen vragen mijn persoonlijke getuigenis, als eerste herder van het bisdom, te ontvangen in de geest van iemand die zijn volk wil oproepen om hierdoor het primaatschap van de genade in hun liturgische vieringen te herontdekken. Ik zal uitleggen dat deze verandering ons zal helpen de fundamentele aard van de christelijke eredienst te herinneren: dat het steeds op de Heer gericht moet zijn.


Kardinaal Sarah, Addendum

We moeten ervoor zorgen dat aanbidding het hart is van onze liturgische vieringen. Te vaak maken we niet de beweging van viering naar aanbidding, maar als we dat niet doen ben ik bang dat we niet altijd volledig intern hebben deelgenomen aan de liturgie. Twee lichaamshoudingen zijn hier nuttig, zelf onmisbaar. De eerste is stilte. Als ik nooit stil ben, als de liturgie mij geen ruimte geeft voor stil gebed en bezinning, hoe kan ik dan Christus aanbidden, hoe ik mij dan in mijn hart en ziel met Hem verbonden voelen? Stilte is zeer belangrijk, en niet alleen voor en na de liturgie.

Zo is ook het knielen bij de consecratie (tenzij ik ziek ben) van belang. In het westen is dit een lichamelijke handeling van aanbidding die ons nederig maakt voor onze Heer en God. Het is in zichzelf een gebedshandeling. Waar knielen en buigen uit de liturgie zijn verdwenen moeten ze worden teruggebracht, in het bijzonder in verband met het ontvangen van onze Heer in de heilige communie. Beste priesters, vorm uw mensen, waar mogelijk en met pastorale prudentie, zoals ik eerder zei, in deze prachtige handeling van aanbidding en liefde. Laat ons wederom neerknielen in aanbidding en liefde voor de Eucharistische Heer!

In verband met het geknield ontvangen van de heilige communie  wil ik verwijzen naar de brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten uit 2002, die duidelijk maakt dat “elke weigering van de Heilige Communie aan één van de gelovigen op basis van zijn of haar knielende houding is een ernstige overtreding van één van de meest fundamentele rechten van de christengelovigen” (Brief, 1 juli 2002, Notitiae, n. 437, nov-dec 2002, p. 583).

Het correct kleden van alle liturgische bedienaren op het priesterkoor, inclusief de lectoren, is ook van groot belang, wil dit dienstwerk als authentiek beschouwd worden en wil het uitgevoerd worden met het decorum passend bij de heilige liturgie – ook de bedienaren zelf dienen de juiste eerbied te tonen voor de mysteries die zij toedienen.

Dit zijn enkele voorstellen: ik ben er zeker van dat er vele andere gedaan kunnen worden. Ik leg ze u voor als mogelijke manieren om verder te gaan naar “de juiste manier om de liturgie innerlijk en uiterlijk te vieren”, dat natuurlijk het verlangen was dat Kardinaal Ratzinger aan het begin van zijn grootse werk, De Geest van de Liturgie, uitdrukte (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 4). Ik moedig u aan om alles te doen dat u kunt om dit doel te realiseren, dat volledig in overeenstemming is met dat van de Constitutie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie.

 

 

For Pallium Day 2016, a small crop

palliumToday, the feast of Saints Peter and Paul, Pope Francis will once again be giving out he pallia to the world’s new metropolitan archbishops (or to their representatives). The actual imposition of the woolen band signifying the bond with the Rome and the world Church will take place in the archdioceses at a date of the prelates’ own choosing, per the changes introduced last year.

There are 27 new archbishops in this round, all appointed between 29 June 2015 and today. Here’s the list:

  1. Archbishop Felipe Accrocca, Benevento, Italy
  2. Archbishop-elect Basilio Athai, Taunggyi, Myanmar
  3. Archbishop Théophile Barakat, Homs (Syriac), Syria
  4. Archbishop Luiz Cabrera Herrera, Guayaquil, Ecuador
  5. Archbishop-elect Christopher Cardone, Honiara, Solomon Islands
  6. Archbishop Jozef De Kesel, Mechelen-Brussel, Belgium
  7. Archbishop Zanoni Demettino Castro, Feira de Santana, Brazil
  8. Juan Cardinal García Rodríguez, La Habana, Cuba
  9. Archbishop Bernard Hebda, Saint Paul and Minneapolis, United States
  10. Archbishop Fidel Herráez Vegas, Burgos, Spain
  11. Archbishop-elect Roger Houngbédji, Cotonou, Benin
  12. Archbishop Dominique Lebrun, Rouen, France
  13. Archbishop Salvatore Ligorio, Potenza-Muro Lucano-Marsico Nuovo, Italy
  14. Archbishop Corrado Lorefice, Palermo, Italy
  15. Archbishop Francisco Moreno Barrón, Tijuana, Mexico
  16. Archbishop Darci Nicioli, Diamantina, Brazil
  17. Archbishop Juan Omella Omella, Barcelona, Spain
  18. Archbishop Roque Paloschi, Porto Velho, Brazil
  19. Archbishop Marcos Perez Caicedo, Cuenca, Ecuador
  20. Archbishop Lorenzo Piretto, Izmir, Turkey
  21. Archbishop Eugeniusz Popowicz, Przemysl-Warszawa (Ukrainain), Poland
  22. Archbishop Ruy Rendón Leal, Hermosillo, Mexico
  23. Archbishop Kenneth Richards, Kingston in Jamaica
  24. Archbishop Adam Szal, Przemysl, Poland
  25. Archbishop Lauro Tisi, Trento, Italy
  26. Archbishop Rodolfo Weber, Passo Fundo, Brazil
  27. Archbishop Matteo Zuppi, Bologna, Italy

Most of the archbishops will still come to Rome, even if there is no official imposition taking place. Among these is Mechelen-Brussels’ Jozef De Kesel, the only archbishop from northwestern Europe in this year’s relatively small crop.

In his homily on last year’s feast, Pope Francis entrusted the archbishops  with a call to prayer, faith and witness:

“The Church wants you to be men of prayer, masters of prayer; that you may teach the people entrusted to your care that liberation from all forms of imprisonment is uniquely God’s work and the fruit of prayer; that God sends his angel at the opportune time in order to save us from the many forms of slavery and countless chains of worldliness. For those most in need, may you also be angels and messengers of charity!

The Church desires you to be men of faith, masters of faith, who can teach the faithful to not be frightened of the many Herods who inflict on them persecution with every kind of cross. No Herod is able to banish the light of hope, of faith, or of charity in the one who believes in Christ!

The Church wants you to be men of witness. Saint Francis used to tell his brothers: “Preach the Gospel always, and if necessary, use words!” (cf. Franciscan sources, 43). There is no witness without a coherent lifestyle! Today there is no great need for masters, but for courageous witnesses, who are convinced and convincing; witnesses who are not ashamed of the Name of Christ and of His Cross; not before the roaring lions, nor before the powers of this world. And this follows the example of Peter and Paul and so many other witnesses along the course of the Church’s history, witnesses who, yet belonging to different Christian confessions, have contributed to demonstrating and bringing growth to the one Body of Christ. I am pleased to emphasize this, and am always pleased to do so, in the presence of the Delegation of the Ecumenical Patriarchate of Constantinople, sent by my beloved brother Bartholomew I.

This is not so straightforward: because the most effective and authentic witness is one that does not contradict, by behaviour and lifestyle, what is preached with the word and taught to others!

Teach prayer by praying, announce the faith by believing; offer witness by living!”

 

An ‘existential document’- Cardinal Eijk present Amoris laetitia

Per the request of Pope Francis, bishops’ conferences everywhere officially presented his Post-Synodal Exhortation Amoris laetitia today. In the Netherlands, Cardinal Wim Eijk, president of the conference and two-time participant in the Synod of Bishops assemblies that are now concluded with this document, did the local honours here. Below is my translation of his remarks:

Cfh8fObWcAELPUc.jpg

^Cardinal Eijk with Patrizia, Massimo and Davide Paloni at the presentation of Amoris laetita this afternoon. The cardinal attended both Synod assemblies, and the Paloni’s, including little Davide, participated in the second. (photo credit: KN/Jan Peeters)

“Today is an important day in the pontificate of Pope Francis. Today is the crowning moment of an extensive journey which he began soon after the start of his pontificate: a journey with the goal of starting a process of reflection in the Church regarding pastoral care in the fields of marriage and family. There are different reasons for that: the Christian vision on marriage and family is understood, accepted and practised less and less in a world which is getting increasingly secularised. This is manifested most clearly in the western world, where secularisation has advanced so much that in many places, and especially in western Europe, Christians have become a minority. But a secularisation trend is manifest everywhere in the world under the influence of social media, albeit not to the same extent in all places and in some parts of the world only in certain circles. Partly because of distrust towards institutions and the reluctance to make definitive choices for life, certainly in western Europe a minority of Catholics enters into sacramental marriage. In addition, there are fewer people who get married civilly and the choice for simply living together is generally made. On the other hand we see many people who have chosen marriage and get stuck in it and – often after a painful process for both – divorce.

The openness of marriage to receiving and raising children, as the teaching of the Church upholds on Biblical basis, is also no longer seen as an essential value of marriage. Other relationships than that between man and woman are increasingly treated as equivalent to marriage, either de facto or by law. Under the influence of gender theory, the differences between the genders are generally no longer traced to the biological differences between man and woman, but seen as a personal and autonomous choice.

The pressing question with all these developments is: how can the Church find ways of pastoral care and proclamation to present her teachings about marriage and family in such a way that it is understood better and reaches more people? Ways by which she can also help couples and families to live according to God’s intentions. In order to find answers to these questions Pope Francis started this aforementioned journey of reflection. This journey included two assemblies of the Synod of Bishops. An Extraordinary Assembly, in which the presidents of the bishops’ conferences of the entire world Church took part and which took place in October 2014. Subsequently an Ordinary Assembly took place in October of 2015, in which bishops who were selected by the conferences they belonged to took part. I attended the Extraordinary Synod in 2014 as president of the Dutch Bishops’ Conference. In 2015 I attended the Ordinary Synod as elected representative of the Dutch Bishops’ Conference.

For both Synods, Pope Francis appointed a number of Synod fathers of his own choosing. He also invited married couples to witness of the way in which they put the Catholic vision of marriage and family into practice. He also invited a Dutch couple for the last Synod, Massimo and Patrizia Paloni. They attended with their youngest child, Davide. They will speak later.

It should be clear that this was a major journey, requiring a lot of work, when we realise that a preparatory document, the Lineamenta, was written for both Synods by the General Secretariat of the Synod of Bishops. A worldwide consultation was held about it. Based on this a working instrument, an Instrumentum laboris, was created for both Synods. Both Synods recorded the result of their deliberations, each in their own final document. The final documents were the Synod fathers’ advice to the Pope.

Today we witness the conclusion of this major journey, with the publication of the so-called Post-Synodal Exhortation, with the title Amoris laetitia (The joy of love). In it Pope Francis presents his final conclusions about the Synod’s discussions. Regarding the journey’s length and the importance of the topic for the Church we can comfortably charactise the publication of this Post-Synodal Exhortation as a decisive moment in the pontificate of Pope Francis.

As before he surprised Church and world with this publication, in several ways. Personally, I had to re-arrange my agenda for this week to prepare this presentation of this document of 325 paragraphs and almost one hundred closely-printed pages. It will take some time before one has absorbed the complete and rich content. The Pope himself advises not to read the Exhortation hurriedly, but study it and take it in in peace.

Also surprising is the character of the document. I would qualify the Post-Synodal Exhortation as ‘a Church document with a notably existential character’. This is something we are used to with Pope Francis, you will say, but here, at least, it is even more notable than in his other publications. Of course in the first place Pope Francis presents the teachings of the Roman Catholic Church regarding marriage and family. He also devotes plenty of space to the difficulties that people experience in understanding, applying and upholding those teachings.

Pope Francis is aware that this does not always involve resistance to the teachings of the Church. The choice for a civil marriage alone or cohabitation alone is often not motivated by a rejection of Christian marriage, but also by cultural and contingent situations: prevailing distrust towards institutions in general, the difficulties many have in accepting a specific state of life and obligations for the rest of their lives, problems finding work, finding permanent employment or assuring themselves of an adequate income, because of which they consider marriage a “luxury” (n. 294).

Regarding so-called irregular situations, that is to say situations in which people are in a relationshop which is not, or not in all aspects, in accord with the demands of Church teachings, the Pope urges all who work in pastoral care to approach these people with great mercy. Without letting go of Church teachings or compromising them, but by accompanying and being close to these people with a lot of love and patience. People in irregular situations should not be excluded from Church activities, but be integrated as much as possible. It is essential, according to the Pope, that priests and others who work in marriage care try and make the best possible ‘discernment’. He understands this as the constant effort to illuminate the concrete reality of life, the situations and relationships in which people live, with the Word of God. And he also recommends that they look for the openness that may be present in people in irregular situations, to yet shape their relationship according the teachings of the Church.

The Exhortation has nine solid chapters. It is of course no surprise that Pope Francis describes the Biblical vision on marriage and family in the first chapter “in light of the Word”. In the second chapter he comprehensively discusses modern reality and the current challenges of the family. The Pope emphasises in Chapter III that amidst all modern difficulties for the family, we must look towards Jesus, who will fulfill God’s plan with us, and so (re)discover the vocation of the family. In short, this chapter present a summary of Church teachings regarding marriage and family. Chapter IV continues this line with an exposition on marital love, based on the canticle of love written by the Apostle Paul (1 Cor. 13:4-7; n. 90). In Chapter V, “Love made fruitful”, the Pope emphasises that conjugal love presumes an openness to new life. In Chapter VI, “Some pastoral perspectives”, the Pope discusses the need to find new ways for marriage and family care, limiting himself to several general starting points. He sees the development of more practical initiatives as a task for the various bishops’ conferences, parishes and communities. Chapter VII is about the raising of children and Chapter VIII about the accompaniment of fragile relationships. The final Chapter IX, about the spirituality of marriage and family, is emblematic for the existential character of the document, as it points out some ways to develop a solid faith life in the family, as well giving common and personal prayer an established place in it.

I want to address one other topic seperately, which has played a major role during both Synods, and this is the question of whether people who are divorced and civilly remarried can receive Communion. In the Post-Synodal Exhortation, Pope Francis addresses this topic in two places, but he does not speak of people who are divorced and civilly remarried, but more broadly about people who are divorced and live in a new relationship. These people, the Pope says, should not have the feeling that they are excommunicated (n. 243 and 199). It is important to emphasise that he is not saying anything new here. Excommunication is an ecclesiastical punishment which someone can legally incur automatically, which can be legally declared after having been incurred or which can be imposed by verdict after serious misbehaviour or crimes. The situations in which this happens are limited: they includes a limited number of situations, and the situation of people who are divorced and have begun a new relationship is not among these. But nowhere in the Exhortation does the Pope say that they can receive Communion. Regarding people who are divorced and in a new relationship, this means that the traditional praxis, that they can not receive Communion, and which was formulated as follows by Pope John Paul II in Familiaris consortio in 1981 remains current:

“However, the Church reaffirms her practice, which is based upon Sacred Scripture, of not admitting to Eucharistic Communion divorced persons who have remarried. They are unable to be admitted thereto from the fact that their state and condition of life objectively contradict that union of love between Christ and the Church which is signified and effected by the Eucharist. Besides this, there is another special pastoral reason: if these people were admitted to the Eucharist, the faithful would be led into error and confusion regarding the Church’s teaching about the indissolubility of marriage.” (n. 84)

In Chapter VIII of the Exhortation Pope Francis answers the question of what the Church could offer people in these situations, and says what has been mentioned above: people working in pastoral care must accompany these people and consider how they can be involved in the life of the Church as much as possible. It is important to realise here that God’s mercy is not only received by means of the sacraments, but also by listening to and reading the Word of God and through prayer.

As mentioned, this papal document has the title Amoris laetitia, the “joy of love”. It is our duty as Church to promote and protect that joy, convinced that that joy is beneficial for married couples and families as well as for us as society. It is therefore our duty to be close to married couples and families and accompany them according to our abilities with our prayer and pastoral care, especially when they carry the heavy and painful burden of a marriage or family life that is broken. With this Exhortation the Pope urges us to do so.

Pope Francis concludes his Exhortation with a prayer to the Holy Family (Jesus, Mary and Joseph):

“Holy Family of Nazareth,
make us once more mindful
of the sacredness and inviolability of the family,
and its beauty in God’s plan.””

Network of love – Bishop van den Hende on what makes a diocese

Last month, the Dioceses of Groningen-Leeuwarden and Rotterdam marked the 60th anniversary of their foundation. A week ago, the website of the latter diocese published the text of the Bishop Hans van den Hende’s homily for the festive Mass on 6 February. In it, the bishop puts the sixty years that the diocese has existed in perspective, and goes on the describe the diocese not as a territory, but as a part of the people of God, as the Second Vatican Council calls it in the decree Christus Dominus. Following Blessed Pope Paul VI, Bishop van den Hende explains that a diocese is a network of love. following the commandment of Jesus to remain in His love. This network starts in the hearts of people and as such it contributes to building a society of love and mercy.

20160206_Rotterdam_60JaarBisdom_WEB_©RamonMangold_08_348pix“Brothers and sisters in Christ, today we mark the sixtieth year of the existence of the Diocese of Rotterdam. “Sixty years, is that worth celebrating?”, some initially wondered. “We celebrated fifty years in a major way. One hundred years would be something.”

In the history of the Church, sixty years is not a long period of time. But sixty years is a long time when you consider it in relation to a human life. Many people do not reach the age of sixty because of hunger and thirst, war and violence. There are major areas where there hasn’t been peace for sixty years. Sixty years is long enough to contain a First and a Second World War.

Every year that the Lord gives us has its ups and downs, can have disappointments, great sorrow and joy. Sixty years we began as a diocese. In 1955, Pope Pius XII had announced that there would be two new dioceses in the Netherlands. The north of the country received the Diocese of Groningen. And here the Diocese of Rotterdam was created from the Diocese of Haarlem.

In 1956, on 2 February, both dioceses began. The new bishops came later. The bishops of the older dioceses of Utrecht and Haarlem initially were the administrators of the new dioceses. But in May of 1956 the first shepherds of the two new dioceses were consecrated (the consecration of Msgr. Jansen as bishop of Rotterdam was on 8 May 1956).

Describing the division of dioceses in provinces and areas, I could give you the impression that a diocese is in the first place a territory that can be pointed out geographically. But a diocese is not primarily a firmly defined area or a specific culture. The Second Vatican Council describes a diocese in the first place as a part of the people of God: “portio populi Dei” (CD, 11). The Vatican Council avoids here the word “pars”, that is to say, a physical piece.

A diocese is a part of the people of God. And that automatically makes a diocese a network of people united in faith around the one Lord. A network in the heart of society, connected to people that they may travel with. Pope Paul VI characterised the Church as a “network of love”, with the mission to contribute to a society of love in the entire world.

A network of love in unity with Jesus, who tells His disciples in the Gospel (John 15: 9-17), “Remain in my love”. Now that we are marking sixty years, we must recognise that things can go wrong in those sixty years, that there are things which do not witness to the love of Christ. How we treat each other, how parishes sometimes compete with each other, and also the sin of sexual abuse of minors and how we deal with that, these are part of our history.

Should we then say that this network of love is too difficult a goal to achieve? If we think that, we should remember what St. Paul says in the first reading (1 Cor. 1:3-9). He says: the network of love does not just belong to people, but is united with Jesus Christ, who helps us persevere until the end. Jesus is God’s only Son who has lived love to the fullest, who died on the cross, who rose from the dead and who made no reproaches but said, “Peace be with you” (cf. John 20:21).

The network of love is inspired by the Holy Spirit whose efficacy becomes visible where there is unity, where forgiveness is achieved, where people can bow to each other and serve one another.

To be a network of love is a duty that we must accept ever anew as a mission from the Lord. We are a diocese according to God’s heart, insofar as the witness to Christ has taken root in us (1 Cor. 1:5-6). When we do not consider the disposition of His heart we do not go His way. And when we do not store and keep His life in our hearts (cf. Luke 2:51), we are not able to proclaim His word and remain in His love.

As a diocese (as a local Church around the bishop) we are not just a part of the worldwide Church of Christ, but a part in which everything can happen which makes us Church in the power of the Holy Spirit: in the first place the celebration of the Eucharist as source and summit, and the other sacraments: liturgy. Communicating the faith in the proclamation of the Gospel: kerygma, which – in catechesis, for example – must be coupled with solidarity between the generations. And thirdly, that we, as a network of love, show our faith in acts of love: charity (cf. Deus caritas est, n. 23).

We celebrate this anniversary in a year of mercy, proclaimed by Pope Francis. It is a holy year of mercy. Mercy means on the one hand to continue trusting in God’s love, asking for forgiveness for what’s not right, for what is a sin. Allowing Him into our hearts. On the other hand it means that we make mercy a mission in our lives and show it in our service to our neighbours, in acts of love, in works of mercy. In the Gospel of Matthew, chapter 25, Jesus summarises this for us: I was thristy and you gave me to drink, I was hungry and you gave me to eat. I was naked, I was homeless and alone. Did you care for me? Jesus does not isolate people in need, but identifies Himself with them: You help me when you approach a person in need (vg. Matt. 25:40).

Characterising the diocese and the entire Church as a network of love is not a recent invention from our first bishop, Msgr. Jansen, but is an answer to Christ’s own mission for His Church. And many saints went before us on that path with that mission. Saint Lawrence was a deacon in third-century Rome (225-258), who helped the people where he could. And when the emperor wanted to take all the Church’s treasure, which wasn’t even in the form of church buildings, as the Christians did not have those yet, Lawrence did not come to him with the riches, but with the people in need. And he said, “These are the treasures of the Church”. These treasures don’t take the form of bank accounts or the wax candles the emperor loved so much, but people, who are images of God. Jesus looking into our hearts also asks us to see in the hearts of people. In this way we continue to celebrate Lawrence and his witness.

And what about Saint Elisabeth (1207-1231) who went out to give bread to people and help the sick? She was of noble birth and was expected not to do this, but she went out from her castle and helped people in need. In this way she was a face of God’s mercy. And consider Blessed Mother Teresa (1910-1997), of whom there is a statue in this church. She saw people collapsing in misery, lying in the gutter, and she saw in their hearts. And also in our city of Rotterdam we are happy to have sisters of Mother Teresa realising mercy in our time.

A network of love and building a society of love. What more can we do in love and mercy? Marking sixty years of our diocese, it is a good time to ask ourselves: has the witness of Christ, has His love properly entered our hearts? And then we should say, and I am answering on behalf of all of us: we could do better. We need mercy and are to communicate God’s merciful love. In this city and elsewhere we are to contribute to a civilisation of love, contribute to a community which builds up instead of tearing down. It is clear that neither the Kingdom of God nor a diocese can be found on a map, because it starts in the hearts of people.

I pray that we celebrate this anniversary today in the knowledge that God’s mercy accompanies us and that we may accept his mission of solicitude, compassion and mercy. This is more than enough work for us, but it is only possible when it fills our hearts. Amen.”

The question of being human – Bishop Neymeyr’s message for Lent

In his message for Lent, Bishop Ulrich Neymeyr of Erfurt tackles a difficult question – “what does it mean to be human?” – and arrives at a twofold answer. In the process he also discusses the humanity of refugees, something we must always endeavour to recognise, especially when confronted with the problems and challenges that come with accepting and sheltering people from different cultures.

The Holy Year of Mercy also gets a look in, as do the works of mercy.
BischofUlrichNeymeyr_BistumErfurt_Portraet_jpg300

“My dear sisters and brothers,

“What is being human?” At the start of Lent I invite you to reflect on this question, as it leads us to the current challenges of this year. “What is being human?” We think of other concepts, such as understanding, kindness, helpfulness. Someone who is human, sees needs and tries to alleviate them. The countless people who have come to us as refugees in recent months, experience such humanity. Many people in Thuringia consider it important not to describe or treat the refugees as a stream, flood or mass, but as people who fled out of necessity. Even when our country has to send people back when there is no danger for life and limb in their homeland, they are people, who should be treated humanely. We can not be indifferent to what happens to them at home. This striving for compassion – also with refugees – unites us with most people in Thuringia. As Christians we are bound to be more than compassionate, namely charitable. Jesus identifies Himself with people in need: “I was a stranger and you made me welcome” (Matt. 25,35). In his Bull for the Holy Year of Mercy, Pope Francis writes, “Let us open our eyes and see the misery of the world, the wounds of our brothers and sisters who are denied their dignity, and let us recognize that we are compelled to heed their cry for help! May we reach out to them and support them so they can feel the warmth of our presence, our friendship, and our fraternity!” (N. 15). Charity can also be stirred by the fate of people far away, especially when they come from the distance of the news as refugees to our neighbourhood.

The motto of the Katholikentag, which will take place from 25 to 29 May 2016 in Leipzig, leads us to another dimension of being compassionate. It is “Here is the man!”, in Latin: “Ecce homo!”. They are the famous words with which Pontius Pilate introduces Jesus to the crowd after He was brutally tortured, i.e. scourged (John 19:5). The man Jesus becomes a sacrifice for injustice and self-interest, of fanaticism and political circumstances. Someone who is human, who sees people, also sees the inhuman structures and can not stay out of politics. We lament the fate of our fellow Christians who are exposed to discrimination and persecution in Muslim and communist countries. No faith group is persecuted so much globally as Christians. In a free country we can and must raise our voices against intolerance and repression. We must also ask critically if Germany, shaped as it is by Christianity, is committed enough to the rights of our persecuted fellow Christians. The use of our freedom can not fall victim to political or economical interests. The Katholikentag in Leipzig should be a forum where the political consequences of the Gospel will be struggled with. I gladly invite you to participate. It is worth travelling to Leipzig for, even for one day.

You may perhaps have thought of a very different answer to the question, “What is being human?”, namely, “To err is human”. Another word for being human is ‘imperfect’. The wellknown sentence “To err is human” comes from the Roman philosopher Seneca, a contemporary of Jesus. From the Irish author Oscar Wilde comes the sentence: Everyone has a weakness and that only makes him human.” Both quotes remind us of the human characteristic of making mistakes, to not abide by the rules, even violating own principles. The Apostle Paul describes this human behaviour briefly and concisely in his Letter to the Romans: “The good thing I want to do, I never do; the evil thing which I do not want – that is what I do” (Rom. 7:19). Paul calls this the “law of sin” (Rom. 7:23). In the Holy Year of Mercy Pope Francis calls us to entrust ourselves to the mercy of God, with our tendencies and sins. In his Bull for the Holy Year of Mercy Pope Francis writes, “Let us place the Sacrament of Reconciliation at the centre once more in such a way that it will enable people to touch the grandeur of God’s mercy with their own hands” (N. 17). Dear sisters and brothers, I want to encourage you to receive the sacrament of Confession. I know that it is not easy to look at our own humanity and sins. There is also much that we can’t simply change from one day to the next. But when we accept our weaknesses and ignore our sins, nothing will change. When we, however, take a good look at them and express them in Confession, we hold them towards the mercy of the heavenly Father. We find that we have been accepted by God, we experience the liberation of a new beginning – and who knows: the mercy of Jesus transformed the greedy tax collector Zacchaeus, and he freely returned what he took unjustly.

“What is being human?” The answers to this question are twofold: imperfect and charitable. Our language indicates an inner connection: When we are and remain aware of our own imperfection, our understanding for and charity towards other people increases. As we rely on the mercy of God, we are prompted to show mercy towards other people. Especially in the land of Saint Elisabeth, the wish of the Holy Father, which he directs at all in his Bull for the Holy Year of Mercy, should find fertile ground: “It is my burning desire that, during this Jubilee, the Christian people may reflect on the corporal and spiritual works of mercy. It will be a way to reawaken our conscience, too often grown dull in the face of poverty. And let us enter more deeply into the heart of the Gospel where the poor have a special experience of God’s mercy. Jesus introduces us to these works of mercy in his preaching so that we can know whether or not we are living as his disciples. Let us rediscover these corporal works of mercy: to feed the hungry, give drink to the thirsty, clothe the naked, welcome the stranger, heal the sick, visit the imprisoned, and bury the dead. And let us not forget the spiritual works of mercy: to counsel the doubtful, instruct the ignorant, admonish sinners, comfort the afflicted, forgive offences, bear patiently those who do us ill, and pray for the living and the dead” (N. 15). You may find the works of mercy in Gotteslob, under number 29,3.

In the Elisabeth Year of 2007 the works of mercy were reformulated for us today in Thuringia:

  • You belong.
  • I listen to you.
  • I speak well about you.
  • I am travelling with you a while.
  • I share with you.
  • I visit you.
  • I pray for you.

Dear sisters and brothers, I wish you a blessed Lent in the Holy Year of Mercy and invoke over you all the blessing of God, the Father and the Son and the Holy Spirit.

Your bishop, Ulrich Neymeyr”

Seriousness and joy, two bedfellows in the Year of Mercy – Archbishop De Kesel’s installation homily

Last Saturday, Msgr. Jozef De Kesel was installed as the 24th Archbishop of Mechelen-Brussels, at the Cathedral of St. Rumbold. Attending were, among others, the Belgian king and queen, all other Belgian bishops (including Archbishop De Kesel’s two predecessors, Archbishop Léonard and Cardinal Danneels), as well as Cardinal Wim Eijk from the Netherlands and Bishop Gérard Coliche from France. In his homily, the new archbishop looked at the readings of the third Sunday of Advent, and kept close to the theme of the Holy Year of Mercy. In the spirit of Pope Francis, he called for a Church that goes out into the world, to confront “our greatest danger today: the globalisation of indifference.”

Read my translation of the homily, which was given in both French and Dutch, below.

12348027_1519573191703090_3620166911912104879_n

“Dear friends,

The Scripture readings we have just heard are the reading for the third Sunday of Advent. They are words that are being read today and tomorrow everywhere in the world, wherever Christians come together on the Sunday. They prepare us for Christmas. But they do give us mixed feelings. On the one hand we have John’s call for conversion. That we do not miss He who is coming. For He is coming, he says, “to clear his threshing floor”. Not exactly a comforting message. Words that point out the seriousness of the situation and our responsibility.

But at the same time there is also the call to joy. “Rejoice in the Lord always. I shall say it again: rejoice!” he says. Of old this Sunday has also been called this: Sunday Gaudete! And Saint Paul adds, “Have no anxiety …  the peace of God that surpasses all understanding will guard your hearts and minds. The Prophet Zephaniah shares the same call for joy. They seem unlikely bedfellows: the seriousness and responsibility that John emphasises and the call to joy and happiness. But it is these two which brings us together today: great responsibility, but also great joy.

Yes, the words of John are binding. He calls to conversion. Yet when those who have just been baptised ask him, “What should we do?”, his response is surprising. He asks for nothing extraordinary or sensational. Share what you have. They should not give everything, but what they have. If you have more clothing than you need, then give to those who do not have enough. The same applies to food: share what you have more of than you need. And to the tax collectors he does not say to cease their work. He simply says, “Stop collecting more than what is prescribed”. Beware of corruption. And the soldiers who come to him, he does not ask to desert. He simply asks them: do what you do properly, without abusing your position and without the use of arbitrary violence. Never forget that you are human like everyone else. What John asks requires string commitment. That is true. But he does not ask anything extravagant. A baptised person does not keep a distance from others. We are to return to the responsibility and solidarity that we share with all men, regardless of their religion of belief.

But why be baptised? Why be Christian? The liturgy of this Sunday gives us the answer, and it too is astonishing. It is the joy that makes me a believer. It is not out of necessity or because I feel obligated. I am a Christian in freedom and love. We are known and loved by God. This is the heart of our faith. This joy and all love is therefore a call to fidelity and conversion.

This is the heart of Christianity. Not in the first place a doctrine or morality. But the certainty that we, frail and temporary people, are known and loved by God. It can hardly be imagined. But how, if this is true, can we not rejoice? Of course this does not answer all questions or solve every problem. But we know from experience how much this makes us happy, gives meaning and direction to our existence: that we are known, appreciated and loved by other people. That we are not nobody. Exactly that is the joy of the Gospel: to know that we are not only by those who are near to use, but by God Himself, the Creator and source of all that exists. Known and loved and radically accepted. Not without reason did Pope Francis call his first Exhortation “The Joy of the Gospel”. And not without reason did he, last Tuesday in Saint Peter’s Basilica in Rome, at the start of the great jubilee, open the door, the door of God’s mercy. Like we will do tomorrow here, and in Brussels and in Nivelles and in all cathedrals and jubilee churches in the entire world.

No, God is not an indifferent God. No arbitrary power, only concerned with Himself. We people are worth everything to Him. That is why He ask that one thing: that we are also not indifferent to each other. Especially not to those who stand at the side and do not matter, the poor and vulnerable, and the countless who are fleeing from war and violence. That we respect all life, no matter how small and vulnerable. Respect for the religious and philosophical convictions of every man. Respect and care for the planet we inhabit. We are also responsible for future generations. This world can be a hard place. This is what the Gospel asks from us: that we do not became hard and indifferent, insensitive and merciless. Because that is our greatest danger today: the globalisation of indifference.

This is the Gospel that the Church proclaims. The Gospel of God’s tenderness. And this is not just rhetoric. He is committed to the very end. And His Son, Jesus Christ, became one of us, vulnerable and defenseless as a child of men. A miracle of humanity. A love to which there is only one answer: to love in our turn. We appreciate and respect each other. Proclaiming the mercy of God and calling for respect and love, that is the mission of the Church. This is the place it searches out in our pluralistic and modern society. Nothing more, and nothing less. In a secularised culture, she can and must make her voice heard. And so much more than a religious fundamentalism that at this time constitutes a very real threat.

Not a Church that looks inward, but a Church that shares in the joys and sufferings of the world. Sympathetic to the plight of humans, of any kind. This was the message of the Second Vatican Council. Last Tuesday, the feast day of the Immaculate Conception of the Virgin, it was exactly fifty years since the closing of the Ecumenical Council. The Constitution on the Church in the world begins with these impressive and moving words: “The joys and the hopes, the griefs and the anxieties of the men of this age, especially those who are poor or in any way afflicted, these are the joys and hopes, the griefs and anxieties of the followers of Christ. Indeed, nothing genuinely human fails to raise an echo in their hearts.”

This is the vocation that the Church has received from God. To that we want to dedicate our best forces at the task entrusted to me today. I with you, and you with me. As we heard from John: no extravagant or spectacular projects. But a search for a consistent experience of the Gospel. And with that one certainty: that we are known and loved by God. That is our joy and faith today.

+Jozef De Kesel
Mechelen, 12 December 2015″