After the consistory, the facts of the College of Cardinals

Following yesterday’s consistory the College of Cardinals consists of 228 members, 121 of whom are able to participate in a conclave to elect a new Pope. Most of these electors also have duties within the Roman Curia. Of the 17 new cardinals created yesterday, 13 are electors.

In his three consistories, Pope Francis has now created 55 living cardinals. The majority of cardinals alive today, 95, were created by Pope St. John Paul II. Among these is Pope Francis himself. Pope Benedict XVI has created 78 living cardinals, and there are two cardinals still alive from the pontificate of Blessed Pope Paul VI (one of whom is the Pope emeritus).

15110438_1364305486914385_2611835404509261242_oThe youngest cardinal, at 49, is Dieudonné Nzapalainga (right), the archbishop of Bangui, who was created by Pope Francis yesterday. The oldest is José de Jesús Pimiento Rodriguez, the 97-year-old Archbishop emeritus of Manizales. He was also created by Pope Francis in the consistory of 2015.

The longest serving cardinal is Paolo Evaristo Arns, Archbishop emeritus of São Paulo. He was created in 1973, and as the most senior cardinal-priest he has the function of protopriest.

The most senior cardinal, as decided by rank in the College and date of creation, is the Dean of the College of Cardinals, Angelo Sodano. Most junior are the three cardinal-deacons created yesterday, Cardinals Mario Zenari, Kevin Farrell and Ernest Simoni.

The country with the largest number of cardinals remains Italy. 46 cardinals, including 25 electors, call that country home. This is followed by the United States (18 cardinals), Spain (12), Brazil (11), Germany (10), France (9), Mexico (6), India (5), Poland (5), and Argentina, Colombia and the Philippines (4 each). While Europe is still overrepresented in the College of Cardinals, other continents are catching up. The Americas have 62 cardinals between them, and Africa and Asia both have 24.

The vast majority of cardinal electors, 72 of them, are archbishops (metropolitan or otherwise) of an archdiocese somewhere in the world. Eight electors are retired archbishops. There are six regular bishops among the electors, two patriarchs, one nuncio and 31 work in the Roman Curia. A final cardinal elector is retired Curia member. These numbers are bound to be inaccurate within weeks of posting this, as there are more than a few cardinals on the verge of retirement.

Cardinal Eijk’s not too outlandish encyclical suggestion

Despite many a Dutch reaction, Cardinal Wim Eijk’s suggestion that Pope Francis devote an encyclical to the errors of the gender ideology, first reported by CNS here, is not that outlandish.

naamloos

On Facebook I came across several people sharing the CNS article: the first, from an American source, came with a number of reactions, all positive. The second, from a Dutch source, had for the most part reactions that were the equivalent of the rolleyes emoticon. bdjkv-myThere’s that old-fashioned out-of-touch cardinal again, enforcing his restrictive morals on the rest of the world, they seemed to say. There may be much to be said about the social reasons for this difference, but it also, perhaps, illustrates how Cardinal Eijk – and the topic he raised – are perceived in the Netherlands as compared to abroad.

But, as I have said, his suggestion to devote an encyclical, an authoritive document on a doctrinal matter, to the question of what gender is and how it has been ideologically hijacked by some does not appear completely out of thin air. Both Pope Benedict XVI and Pope Francis have spoken about it on more than one occasion and most recently, Pope Francis described it as a sort of “ideological colonisation” and a threat to the family and children especially.

And that makes sense, as the theory that gender is somehow a social construct clashes on all fronts with the Catholic understanding of human nature. Our gender is a constituent part of who we are as persons, and it is therefore not something that should be tinkered with too easily. The Church does not deny the existence of people who suffer psychologically because they struggle with their own gender, but she looks for reasons and solutions elsewhere, and she will therefore always try to combat an increasing social acceptance of gender theory, as we see happening with things like abortion and euthanasia.

Is Pope Francis likely to issue an encyclical on an issue like this? I don’t believe so. Partly because encyclicals take time to write: Pope Francis will be 80 next month, and he has enough plans and work for the foreseeable future as it is. And he may also think that his comments on the matter have already been clear enough, or they may be answered as the Church continues developing what Amoris laetitia thought.

And while Cardinal Eijk has suggested it might be a good idea, he is not actually actively lobbying the Pope to write a gender encyclical, despite the conclusions that some may have already drawn.

Photo credit: CNS/Francois Gloutnay, Presence

Robert Kardinaal Sarah: “Naar een authentieke toepassing van Sacrosanctum Concilium”

This is a Dutch translation of Cardinal Robert Sarah’s address on the first day of the Sacra Liturgia conference, held in London from 5 to 8 July. This translation is based on the text as released via the Sacra Liturgia Facebook page. It is not a complete transcript of what Cardinal Sarah said. This is expected to be released sometime next week, after the cardinal has added a few points once he returns to Rome. In due time, this address, as well as the conference’s other papers, will be published in book form.


Dit is een Nederlandse vertaling van de toespraak die Kardinaal Robert Sarah heeft gegeven op de eerste dag van de Sacra Liturgia conferentie, gehouden in Londen van 5 tot 8 juli. Deze vertaling is gebasseerd op de tekst zoals die op de Facebook-pagina van Sacra Liturgia werd gepubliceerd. Het is geen volledige transcriptie van wat Kardinaal Sarah heeft gezegd. Het is de verwachting dat deze in de loop van de komende week wordt uitgegeven, zodra de kardinaal een aantal punten toe heeft kunnen voegen na zijn terugkeer naar Rome. Uiteindelijk zal deze toespraak, samen met alle andere die tijdens de conferentie gehouden zijn, in boekvorm uitgegeven worden.

TOESPRAAK VAN ZIJNE EMINENTIE ROBERT KARDINAAL SARAH:
“NAAR EEN AUTHENTIEKE TOEPASSING VAN SACROSANCTUM CONCILIUM”

IMG_7842

Ik wil in de eerste plaats mijn dank uitspreken aan Zijne Eminentie Vincent Kardinaal Nichols, voor zijn welkom in het Aartsbisdom Westminster en zijn vriendelijke begroetingswoorden. Eveneens wil ik Zijne Excellentie Bisschop Dominique Rey, bisschop van Fréjus-Toulon, danken voor zijn uitnodiging om hier met u aanwezig zijn bij de derde internationale “Sacra Liturgia” conferentie, en vanavond de openingstoespraak te presenteren. Uwe Excellentie, ik feliciteer u met dit internationale initiatief ter bevordering van de studie van het belang van liturgische vorming en viering in het leven en de missie van de Kerk.

In deze toespraak wil ik een aantal overwegingen aan u voorleggen over hoe de westerse Kerk naar een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium kan toewerken. Hiermee wil ik de vraag stellen: “Wat hadden de Vaders van het Tweede Vaticaans Concilie voor ogen met de liturgische hervorming?” Daarna wil ik bespreken hoe hun bedoelingen na het Concilie zijn toegepast. Uiteindelijk zou ik u een aantal voorstellen willen voorleggen over het liturgisch leven van de Kerk vandaag, zodat onze liturgische praktijk de bedoelingen van de Concilievaders beter kan weergeven.

Het is volgens mij overduidelijk dat de Kerk leert dat de katholieke liturgie de unieke bevoorrechte locus is van het verlossende handelen van Christus in onze huidige wereld, door middel van werkelijke participatie waarin wij Zijn genade en kracht ontvangen die zo nodig zijn voor onze volharding en groei in het christelijk leven. Het is de goddelijke vastgestelde plaats waar wij onze plicht tot het aanbieden van een offer, het Ene Ware Offer, aan God komen vervullen. Het is waar we onze diepgaande behoefte om God te aanbidden verwerkelijken. Katholieke liturgie is iets heiligs, iets dat door haar aard heilig is. Katholieke liturgie is geen gewone menselijke samenkomst.

Ik wil hier een zeer belangrijk feit onderstrepen: God, niet de mens, staat in het hart van de katholieke liturgie. We komen om Hem te aanbidden. De liturgie gaat niet om jou of mij; we vieren er niet onze eigen identiteit of prestaties, verheerlijken of promoten er niet onze eigen cultuur of plaatselijke religieuze gewoontes. De liturgie draait in de allereerste plaats om God en wat Hij voor ons gedaan heeft. In Zijn Goddelijke Voorzienigheid heeft de Almachtige God de Kerk gesticht en de heilige liturgie ingesteld waarmee wij Hem ware aanbidding kunnen opdragen in overeenstemming met het Nieuwe Verbond dat Christus gebracht heeft.Hierdoor, door het binnengaan van de vereisten van de heilige riten die in de traditie van de Kerk zijn ontwikkeld, krijgen wij onze ware identiteit en betekenis als zonen en dochters van de Vader.

Het is van essentieel belang dat we dit specifieke karakter van de katholieke eredienst begrijpen, want in recente decennia hebben we vele liturgische vieringen gezien waarin mensen, persoonlijkheid en menselijke prestaties te prominent aanwezig waren, bijna tot uitsluiting van God. Zoals Kardinaal Ratzinger ooit schreef: “Als de liturgie in de eerste plaats een werkplaats voor ons eigen handelen lijkt, dan wordt het essentiële vergeten: God. Het vergeten van God is het meest dreigende gevaar van onze tijd” (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 593). 

We moeten volkomen duidelijk zijn over de aard van de katholieke eredienst als we de Constutitie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie op de juiste wijze willen lezen en als we deze getrouw willen uitvoeren.

Al vele jaren voor het Concilie, in zowel missielanden als in de meer ontwikkelde gebieden, was er veel discussie over de mogelijkheid om het gebruik van de volkstalen in de liturgie uit te breiden, vooral voor de lezingen uit de Heilige Schrift, alsook voor een aantal andere onderdelen van het eerste deel van de Mis (wat we nu de “dienst van het Woord” noemen) en de liturgische zang. De Heilige Stoel had al meerdere keren toestemming gegeven voor het gebruik van de volkstaal in het toedienen van de sacramenten. Dit is de context waarin de Concilievaders spraken over de mogelijke positieve oecumenische of missionaire gevolgen van liturgische hervorming. Het is waar dat de volkstaal een positieve plaats heeft in de liturgie. Hier zochten de Vaders naar, niet naar de protestantisering van de Heilige Liturgie of instemmend met haar onderwerping aan een valse inculturisatie.

Ik ben een Afrikaan. Laat me dit duidelijk maken: de liturgie is niet de plaats om mijn cultuur te promoten. Het is veeleer de plaats waar mijn cultuur gedoopt wordt, waar mijn cultuur in het goddelijke wordt opgenomen. Door de liturgie van de Kerk (die missionarissen door heel de wereld hebben meegedragen) spreekt God tot ons, verandert Hij ons en stelt ons in staat deel te nemen in Zijn goddelijk bestaan. Als iemand christen wordt, als iemand in volledige eenheid met de katholieke kerk komt, ontvangt hij iets meer, iets dat hem verandert. Zeker, culturen en andere christenen brengen gaven met zich mee in de Kerk – de liturgie van de Ordinariaten voor Anglicanen die nu in volle eenheid met de Kerk zijn is hier een prachtig voorbeeld van. Maar zij brengen deze gaven met nederigheid, en de Kerk, in haar moederlijke wijsheid, maakt er gebruik zoals zij dat goed acht.

Eén van de duidelijkste en mooiste uitdrukking van de bedoelingen van de Concilievaders is te vinden aan het begin van het tweede hoofdstuk van de Constitutie, dat het mysterie van de Hoogheilige Eucharistie behandelt. In nummer 48 lezen we:

“Daarom geeft de Kerk zich alle zorg en moeite, dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling, dat zij door Gods woord onderwezen worden, zich voeden aan de tafel van ‘s Heren Lichaam en God dank brengen, dat zij het onbevlekt Offer opdragen niet alleen door de handen van de priester, maar ook tezamen met hem, en zo zich zelf leren offeren, dat zij eindelijk steeds meer door Christus de Middelaar uitgroeien tot een volmaakte eenheid met God en met elkaar, opdat tenslotte Gods alles in allen moge zijn.”

Broeders en zusters, dit is wat de Concilievaders wilden. Jazeker, ze discussieerden en stemden over specifieke manieren om hun bedoelingen toe te passen. Maar laat ons glashelder zijn: de rituele hervormingen in de Constitutie, zoals het herstel van het gebed van de gelovigen tijdens de Mis (n. 53), de uitbreiding van de concelebratie (n. 57) of een aantal van haar beleidslijnen zoals de vereenvoudiging verlangd in nummers 34 en 50, zijn alle ondergeschikt aan de fundamentele bedoelingen van de Concilievaders die ik zojuist heb omschreven. Het zijn middelen tot een doel, en het is het doel dat wij moeten behalen.

Als we naar een authentiekere toepassing van Sacrosanctum Concilium willen toewerken, dan moeten we op de allereerste plaats deze einddoelen in het oog houden. Misschien dat, als we ze met een frisse blik en met het voordeel van de ervaring van de laatste vijf decennia bestuderen, we sommige rituele hervormingen en bepaalde liturgische beleidslijnen in een ander licht zullen zien. Als sommige van deze nu moeten worden heroverwogen, om zo “het christelijk leven onder de gelovigen steeds hoger op te voeren” en “alle mensen tot de Kerk te roepen”, laat ons dan de Heer vragen ons de liefde en de nederigheid en wijsheid te schenken om dit te doen.

Ik noem deze mogelijkheid om opnieuw naar de Constitutie en de hervorming die volgde op de publicatie ervan te kijken, omdat ik niet denk dat we vandaag zelfs ook maar de eerste paragraaf van Sacrosanctum Concilium eerlijk kunnen lezen en tevreden kunnen zijn dat we de doelstellingen ervan hebben bereikt. Broeders en zusters, waar zijn de gelovigen waarover de Concilievaders spraken? Vele gelovigen zij nu ongelovig: ze komen helemaal niet meer naar de liturgie. In de woorden van de heilige Johannes Paulus II: vele christenen leven in een staat van “stille afvalligheid;” zij “leven alsof God niet bestaat” (Apostolische Exhortatie Ecclesia in Europa, 28 juni 2003, 9). Waar is de eenheid die het Concilie hoopte te bereiken? We hebben het nog niet bereikt. Hebben we werkelijk vooruitgang geboekt in het roepen van alle mensen tot de Kerk? Ik denk het niet. En toch hebben we heel veel in de liturgie gedaan!

In mijn 47 jaar als priester en na meer dan 36 jaar aan bisschoppelijk dienstwerk kan ik verklaren dat vele katholieke gemeenschappen en individuen de liturgie, zoals hervormd na het Concilie, met geestdrift en vreugde leven en vieren, en er veel van, zo niet al, het goede uit halen dat de Concilievaders verlangden. Dit is een grote vrucht van het Concilie. Maar uit mijn ervaring – nu ook als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten – weet ik ook dat er vele vervormingen van de liturgie in heel de Kerk van vandaag bestaan, en er zijn vele situaties die verbeterd kunnen worden zodat de doelstellingen van het Concilie behaald kunnen worden. Voor ik over een aantal mogelijke verbeteringen spreek, laten we bedenken wat er gebeurde na de publicatie van de Constitutie over de Heilige Liturgie.

Terwijl het officiele hervormingswerk plaatsvondt ontstonden er een aantal zeer ernstige verkeerde interpretaties van de liturgie en deze schoten wortel in verschillende plaatsen in de wereld. Deze misbruiken van de Heilige Liturgie ontwikkelden zich vanwege een foutief begrip van het Concilie en resulteerden in liturgische vieringen die subjectief waren en meer gericht op de verlangens van de individuele gemeenschap dan op de offerdienst van de Almachtige God. Mijn voorganger als Prefect van de Congregatie, Francis Kardinaal Arinze, noemde dit ooit eens “de doe-het-zelf Mis”. De heilige Johannes Paulus II vond het zelfs noodzakelijk het volgende te schrijven in zijn encycliek Ecclesia de Eucharistia (17 april 2003):

“Deze dienst van de verkondiging van de kant van het Leergezag heeft een antwoord gekregen in de innerlijke groei van de christelijke gemeente. Zonder twijfel heeft de liturgiehervorming van het Concilie in hoge mate bijgedragen aan een bewustere, actievere en vruchtbaarder deelname aan het heilig Offer van het Altaar van de kant van de gelovigen. Op veel plaatsen is Aanbidding van het Allerheiligst Sacrament ook een belangrijke dagelijkse praktijk en wordt een onuitputtelijke bron van heiligheid. De vrome deelname van de gelovigen aan de eucharistische processie op Sacramentsdag is een genade van de Heer die ieder jaar vreugde brengt aan hen die eraan deelnemen. Andere positieve tekenen van geloof in en liefde voor de Eucharistie zouden nog genoemd kunnen worden.

Helaas is er naast dit licht ook schaduw. Op sommige plaatsen is de praktijk van de eucharistische Aanbidding vrijwel volledig verwaarloosd. In verschillende delen van de Kerk zijn misbruiken opgetreden, die lijden tot verwarring met betrekking tot het gezonde geloof en de katholieke leer ten aanzien van dit wonderbaarlijke Sacrament. Soms komt men een uiterst verengd begrip van het eucharistische mysterie tegen. Beroofd van zijn betekenis als offer wordt het gevierd als ware het eenvoudigweg een broederlijke maaltijd. Daarenboven wordt van tijd tot tijd de noodzaak van het ambtelijke priesterschap dat wortelt in de apostolische opvolging verduisterd en de sacramentaliteit van de Eucharistie wordt teruggebracht tot louter werkdadigheid in de verkondiging. Dit heeft hier en daar geleid tot oecumenische initiatieven die hoewel edel in hun motieven, toegeven aan eucharistische praktijken die in tegenspraak zijn met de discipline waarmee de Kerk haar geloof uitdrukt. Kunnen wij anders dan onze diepe droefheid over dit alles uitdrukken? De Eucharistie is een te groot geschenk dan dat wij dubbelzinnigheid en verschraling van de betekenis zouden kunnen dulden.

Ik vertrouw erop dat deze encycliek er effectief aan kan bijdragen om de schaduwen van onaanvaardbare doctrines en praktijken te verdrijven, opdat de Eucharistie verder moge stralen in heel de glans van haar mysterie (n. 10).”

Hier bestond ook een pastorale werkelijkheid: om goede redenen of niet, sommige mensen konden of wilden niet deelnemen aan de hervormde riten. Zij bleven weg of namen alleen deel aan de niet-hervormde liturgie waar ze die konden vinden, zelfs als de viering ervan niet was toegestaan. Zo werd de liturgie een uitdrukking van verdeeldheid in de Kerk, in plaats van één van katholieke eenheid. Het Concilie wilde niet dat de liturgie ons van elkaar scheidde! De heilige Johannes Paulus II werkte aan het genezen van deze verdeling, met de hulp van Kardinaal Ratzinger die, als Paus Benedictus XVI, de nodige interne verzoening in de Kerk wilde faciliteren door in zijn Motu Proprio Summorum Pontificum (7 juli 2007) te bepalen dat de oudere vorm van de Romeinse ritus zonder beperkingen beschikbaar moet zijn voor die individuen en groepen die uit haar rijkdom willen putten. In Gods Voorzienigheid is het nu mogelijk onze katholieke eenheid te vieren met respect voor, en zelfs vreugde in, een legitieme diversiteit van de rituele praktijk.

We mogen dan een hele nieuwe, moderne liturgie in de volkstaal hebben opgebouwd, maar als we niet de juiste basis hebben gelegd – als onze seminaristen en geestelijkheid niet “diep doordrongen zijn van de geest en de kracht van de liturgie”, zoals het Concilie vroeg – dan kunnen zij zelf de mensen die aan hun zorg zijn toevertrouwd niet vormen. We moeten de woorden van het Concilie zelf zeer serieus nemen: het zou “kansloos” zijn te hopen op een liturgische vernieuwing zonder een grondige liturgische vorming. Zonder deze essentiële vorming zouden geestelijken zelfs schade toebrengen aan het geloof van mensen in het eucharistisch mysterie.

Ik wil niet bovenmatig pessimistisch overkomen, en ik zeg nogmaals: er zijn vele, vele gelovige mannelijke en vrouwelijke leken, vele geestelijken en religieuzen voor wie de liturgie zoals hervormd na het Concilie een bron van veel geestelijke en apostolische vruchten is, en daar dank ik de Almachtige God voor. Maar ik denk dat u het met mij eens zal zijn, zelfs op basis van mijn korte analyse hierboven, dat we beter kunnen doen, zodat de Heilige Liturgie werkelijk de bron en het hoogtepunt van het leven en de missie van de Kerk wordt, nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, zoals de Concilievaders zozeer verlangden.

Gezien de fundamentele verlangens van de Concilievaders en de verschillende situaties die na het Concilie zichtbaar zijn geworden, zou ik een aantal praktische overwegingen willen presenteren over hoe we Sacrosanctum Concilium vandaag beter kunnen toepassen. Ook al dien ik als Prefect van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, ik doe dit in alle nederigheid als een priester en een bisschop in de hoop dat dit een volwassen reflectie en studie en goed liturgisch handelen in heel de Kerk zal bevorderen.

Het zal geen verrassing zijn wanneer ik zeg dat we in de eerste plaats de kwaliteit en diepgang van onze liturgische vorming moeten onderzoeken, hoe we de geest en kracht van de liturgie overbrengen op onze geestelijken, religieuzen en lekengelovigen. Te vaak nemen we aan dat onze wijdingskandidaten voor het priesterschap of het permanente diaconaat genoeg over de liturgie “weten”. Maar het Concilie drong hierin niet aan op kennis, hoewel de Constitutie natuurlijk het belang van liturgiestudie onderstreepte (zie n. 15-17). Nee, de eerste en essentiële liturgische vorming is meer een onderdompeling in de liturgie, in het diepe mysterie van God, onze liefhebbende Vader. Het is een kwestie van de liturgie beleven in al haar rijkdom, zodat we, na gedronken te hebben uit haar bron, altijd dorsten naar haar verrukkingen, haar orde en schoonheid, haar stilte en bezinning, haar verheerlijking en aanbidding, haar vermogen ons ten diepste te verbinden met Hem die in en door de riten van de Kerk werkt.

Als we hier zorg voor dragen, als onze nieuwe priesters en diakens werkelijk dorsten naar de liturgie, zullen zij op hun beurt in staat zijn degenen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te vormen – zelfs als de liturgische situatie en mogelijkheden van hun kerkelijke missie bescheidener zijn dan die van het seminarie of de kathedraal. Ik weet van vele priesters in zulke omstandigheden die hun mensen vormen in de geest en kracht van de liturgie, en wier parochies voorbeelden zijn van grote liturgische schoonheid. We moeten niet vergeten dat waardige eenvoud niet hetzelfde is als reductief minimalisme of een verwaarloosde en vulgaire stijl. Zoals onze Heilige Vader, Paus Franciscus, leert in zijn Apostolische Exhortatie Evangelii Gaudium: “De Kerk evangeliseert en evangeliseert zichzelf met de schoonheid van de liturgie, die ook viering is van de evangeliserende activiteit en bron van een hernieuwde impuls tot zelfgave.” (n. 24)

Ten tweede denk ik dat het zeer belangrijk is dat we duidelijk zijn over de aard van liturgische participatie, van de participatio actuosa waar het Concilie toe opriep. Hierover is veel verwarring geweest in de laatste decennia. Nummer 48 van de Constitutie zegt: De Kerk wil “dat de christengelovigen dit geheim van het geloof niet als buitenstaanders of als zwijgende toeschouwers bijwonen, maar dat zij het door de riten en gebeden goed leren begrijpen en daardoor bewust, godvruchtig en actief deelnemen aan de heilige handeling.” Het Concilie beschouwt participatie als voornamelijk intern, voortkomend uit een goed begrip van de riten en gebeden. Zeker, de Concilievaders vragen de gelovigen te zingen, de priester te antwoorden, liturgische taken op zich te nemen die rechtmatig de hunne zijn, maar staan erop dat allen zich bewust zijn van wat ze doen, “godvruchtig en actief”.

Als we het belang van de internisalisatie van onze liturgische participatie begrijpen zullen we het luidruchtige en gevaarlijke liturgische activisme, dat in de laatste decennia zo prominent aanwezig is geweest, vermijden. We gaan niet naar de liturgie om op te treden, om dingen te doen zodat anderen het kunnen zien: we gaan om verbonden te worden met het handelen van Christus door een internalisatie van de uitwendige liturgische riten, gebeden, tekenen en symbolen. Wellicht dat degenen die geroepen zijn tot liturgisch dienstwerk dit zich beter moeten herinneren dan anderen! Maar we moeten anderen ook vormen, in het bijzonder onze kinderen en jonge mensen, in de ware betekenis van liturgische participatie, in de ware manier om de liturgie te bidden.

Ten derde, ik heb gesproken over het feit dat een aantal hervormingen die na het Concilie zijn ingevoerd mogelijk zijn samengesteld volgens de tijdsgeest en dat er een groeiende hoeveelheid studie door trouwe zonen en dochters van de Kerk is geweest, waarin wordt gevraagd of wat was ingevoerd werkelijk de doelstellingen van de Constitutie toepaste, of dat ze er in werkelijkheid aan voorbij gingen. Deze studie vindt soms plaats onder de noemer “hervorming van de hervorming” en ik weet dat EH Thomas Kocik over deze kwestie een doorwrochte studie heeft gepresenteerd tijdens de Sacra Liturgia conferentie in New York, een jaar geleden.

Ik denk niet dat we de mogelijkheid of de wenselijkheid van een officiële hervorming van de liturgische hervorming kunnen afwijzen, omdat haar voorstanders een aantal belangrijke beweringen doen in hun pogingen trouw te zijn aan de nadruk van het Concilie in nummer 23 van de Constitutie “om de gezonde traditie te bewaren en toch de weg te openen voor een gewettigde vooruitgang”, en dat “vernieuwingen niet plaats hebben, tenzij deze door een werkelijk en duidelijk nut van de Kerk worden vereist, waarbij men er op dient te letten, dat de nieuwe vormen als het ware organisch voortkomen uit de reeds bestaande vormen.”

Ik kan meedelen dat, toen ik afgelopen april door de Heilige Vader in audiëntie werd ontvangen, Paus Franciscus mij vroeg de kwestie van een hervorming van een hervorming te bestuderen en hoe beide vormen van de Romeinse ritus te verrijken. Dat zal een fijngevoelig werk zijn en ik vraag om uw geduld en gebed. Maar als we Sacrosanctum Concilium beter willen toepassen, als we willen bereiken wat het Concilie verlangde, dan is dit een serieuze kwestie die zorgvuldig moet worden bestudeerd en behandeld met de nodige duidelijkheid en voorzichtigheid.

Wij priesters, wij bisschoppen dragen een grote verantwoordelijkheid. Hoe leidt ons goede voorbeeld tot goed liturgisch handelen; hoe kwetst onze onachtzaamheid of wangedrag de Kerk en haar heilige liturgie!

Wij priesters moeten in de allereerste plaats aanbidders zijn. Onze mensen zien het verschil tussen een priester die met geloof viert en één die haastig viert, veel op zijn horloge kijkt, bijna alsof hij zo snel mogelijk weer terug naar de televisie wil! Priesters, we kunnen niets belangrijkers doen dan de heilige mysteries te vieren: laten we oppassen voor de verleiding van liturgische luiheid, want dat is een verleiding van de duivel.

We moeten onthouden dat wij niet de makers van de liturgie zijn. Wij zijn haar nederige bedienaars, onderworpen aan haar discipline en wetten. Wij hebben ook de verantwoordelijkheid om degenen die ons bijstaan in liturgische functies te vormen in zowel de geest en kracht van de liturgie en zeker ook haar regels. Ik heb soms priesters een stap terug doen zetten om buitengewone bedienaars de Heilige Communie uit te laten delen: dit is fout, het is een ontkenning van het priesterlijk dienstwerk evenals een klerikalisering van de leken. Wanneer dit gebeurt is het een teken dat de vorming verkeerd is gegaan, en dat het gecorrigeerd moet worden.

Ik heb ook priesters en bisschoppen gezien die, gekleed om de Heilige Mis te vieren, telefoons en camera’s tevoorschijn haalden en in de heilige liturgie gebruikten. Dit is een verschrikkelijke aanklacht tegen het begrip dat zij hebben over wat ze doen als ze de liturgische gewaden aantrekken, dus zich als een alter Christus kleden – en nog meer, als ipse Christus, als Christus zelf. Dit is heiligschennis. Geen bisschop, priester of diaken die is gekleed voor het liturgisch dienstwerk of aanwezig op het priesterkoor moet foto’s nemen, zelfs niet tijdens grote geconcelebreerde Missen. Dit priesters dit vaak doen tijdens zulke Missen, of met elkaar praten of nonchalant zitten, is volgens mij een teken dat wij opnieuw moeten nadenken over de gepastheid van deze Missen, vooral als het priesters aanzet tot zulk schandalig gedrag dat het gevierde mysterie zo onwaardig is, of als de grootte van deze geconcelebreerde vieringen tot het risico van ontheiliging van de heilige Eucharistie leidt.

Ik wil een beroep doen aan alle priester. U heeft misschien mijn artikel in L’Osservatore Romano van een jaar geleden (12 juni 2015) gelezen, of mijn interview met het tijdschrift Famille Chrétienne in mei van dit jaar. Bij beide gelegenheden heb ik gezegd dat ik denk dat het heel belangrijk is dat we zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting, van priesters en gelovigen samen in dezelfde richting – naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt, in die delen van de liturgische riten waarin we ons tot God richten. Dit is toegestaan onder de huidige liturgische regels. Het is volledig legitiem in de moderne ritus. Ik denk dat het een heel belangrijke stap is om te verzekeren dat in onze vieringen de Heer werkelijk in het centrum staat.

En dus, beste priesters, vraag ik u dit waar mogelijk toe te passen, voorzichtig en met de nodige catechese, zeker, maar ook met het zelfvertrouwen van een herder dat dit iets goeds is voor de Kerk, iets goeds voor onze mensen. Uw eigen pastorale oordeel zal bepalen hoe en wanneer dit mogelijk is, maar wellicht is de eerste zondag van de Advent van dit jaar, wanneer we uitkijken naar “de Heer die zal komen” en “die niet aarzelt”, een hele goede tijd om dit te doen. Beste priesters, we zouden opnieuw moeten luisteren naar de klaagzang van God zoals verkondigd door de profeet Jeremia: “ze hebben Mij de rug toegekeerd” (2:27). Laat ons weer naar de Heer terugkeren!

Ik zou ook een beroep willen doen op mijn broeders bisschoppen: leidt u alstublieft uw priesters en mensen op deze manier naar de Heer, in het bijzonder in grote vieringen in uw bisdommen en in uw kathedraal. Vorm uw seminaristen alstublieft in de werkelijkheid dat we niet tot het priesterschap geroepen zijn om zelf in het hart van de liturgische eredienst te staan, maar om de gelovigen van Christus als medegelovigen naar Hem te leiden. Maak deze eenvoudige maar diepgaande hervorming alstublieft mogelijk in uw bisdommen, uw kathedralen, uw parochies en uw seminaries.

Wij bisschoppen hebben een grote verantwoordelijkheid, en ooit zullen we ons voor de Heer moeten verantwoorden over ons beheer. Wij bezitten niets! Zoals de heilige Paulus ons leert, wij zijn slechts “helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen” (1 Kor. 4:1). Wij hebben de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de heilige werkelijkheid van de liturgie wordt gerespecteerd in onze bisdommen en dat onze priesters en diakens zich niet alleen aan de liturgische voorschriften houden, maar de geest en de kracht van de liturgie waaruit deze voortkomen kennen. Ik was zeer bemoedigd door het lezen van de presentatie getiteld “The Bishop: Governor, Promoter and Guardian of the Liturgical Life of the Diocese”, gegeven voor de Sacra Liturgia conferentie in Rome in 2013 door aartsbisschop Alexander Sample van Portland in Oregon in de VS, en ik raad mijn broeders bisschoppen op broederlijke wijze aan zijn overwegingen zorgvuldig te bestuderen.

Hier herhaal ik wat ik elders heb gezegd: dat Paus Franciscus mij heeft gevraagd het liturgisch werk voort te zetten dat Paus Benedictus begonnen is (zie: Boodschap aan Sacra Liturgia 2015, New York City). Het feit dat we een nieuwe paus hebben betekent niet dat de visie van zijn voorganger nu niet langer geldig is. Integendeel, zoals we weten heeft onze Heilige Vader Paus Franciscus het grootste respect voor de liturgische visie en maatregelen die Paus Benedictus heeft uitgevoerd in opperste trouw aan de wensen en doelstellingen van de Concilievaders.

Staat u mij, voor ik afrond, toe een aantal andere kleine manieren te noemen die ook bij kunnen dragen aan een meer getrouwe toepassing van Sacrosanctum Concilium. Eén daarvan is dat we de liturgie moeten zingen, we moeten de liturgische teksten zingen, met respect voor de liturgische tradities van de Kerk en ons verheugend in de schatkist aan gewijde muziek die de onze is, in het bijzonder die muziek die hoort bij de Romeinse ritus, het Gregoriaans. We moeten gewijde liturgische muziek zingen, en niet slechts religieuze muziek of, erger, wereldse muziek.

We moeten de juiste balans vinden tussen de volkstalen en het gebruik van het Latijn in de liturgie. Het Concilie heeft nooit de bedoeling gehad dat de Romeinse ritus volledig in de volkstaal gevierd zou worden. Maar het wilde wel een breder gebruik ervan toestaan, in het bijzonder voor de lezingen. Tegenwoordig zou het mogelijk moeten zijn, vooral door moderne druktechnieken, om voor ieder het begrijpen van het Latijn te vergemakkelijken, wellicht voor de liturgie van de Eucharistie, en dit is natuurlijk met name gepast bij internationale samenkomsten waar de plaatselijke volkstaal door velen niet verstaan wordt. En wanneer de volkstaal gebruikt wordt moet het natuurlijk een juiste vertaling van het originele Latijn zijn, zoals Paus Franciscus recent aan mij heeft bevestigd.


Tussenkomst van Bisschop Rey

Met grote vreugde hebben we vandaag gehoord dat onze Heilige Vader, Paus Franciscus, u heeft gevraagd een studie te beginnen van de liturgische hervorming na het Concilie, en mogelijkheden te verkennen van wederzijdse verrijking tussen de oudere en nieuwere vormen van de Romeinse ritus, oorspronkelijk besproken door Paus Benedictus XVI.

Uwe Eminentie, uw oproep dat wij “zo snel mogelijk terugkeren naar een gezamenlijke richting” in onze liturgische vieringen, “naar het ooster of tenminste naar de apsis – naar de Heer die komt,” is een uitnodiging tot een radicale herontdekking van iets dat aan de wortel ligt van de christelijke liturgie. Het roept ons op om wederom te beseffen dat, in al onze liturgische vieringen, de christelijke liturgie in essentie gericht is op Christus, wiens komst wij met vreugdevolle hoop afwachten.

Uwe Eminentie, ik ben slechts één bisschop van één bisdom in het zuiden van Frankrijk. Maar als antwoord op uw oproep wil ik nu aankondigen dat, in ieder geval op de laatste zondag van de Advent van dit jaar, in mijn viering van de heilige Eucharistie in mijn kathedraal en bij andere gelegenheden zoals het past, ik ad orientem zal vieren – in de richting van de Heer die komt. Voor de Advent zal ik een brief schrijven aan mijn priesters en mensen over deze kwestie om mijn beslissing toe te lichten. Ik zal hen aanmoedigen mijn voorbeeld te volgen. Ik zal hen vragen mijn persoonlijke getuigenis, als eerste herder van het bisdom, te ontvangen in de geest van iemand die zijn volk wil oproepen om hierdoor het primaatschap van de genade in hun liturgische vieringen te herontdekken. Ik zal uitleggen dat deze verandering ons zal helpen de fundamentele aard van de christelijke eredienst te herinneren: dat het steeds op de Heer gericht moet zijn.


Kardinaal Sarah, Addendum

We moeten ervoor zorgen dat aanbidding het hart is van onze liturgische vieringen. Te vaak maken we niet de beweging van viering naar aanbidding, maar als we dat niet doen ben ik bang dat we niet altijd volledig intern hebben deelgenomen aan de liturgie. Twee lichaamshoudingen zijn hier nuttig, zelf onmisbaar. De eerste is stilte. Als ik nooit stil ben, als de liturgie mij geen ruimte geeft voor stil gebed en bezinning, hoe kan ik dan Christus aanbidden, hoe ik mij dan in mijn hart en ziel met Hem verbonden voelen? Stilte is zeer belangrijk, en niet alleen voor en na de liturgie.

Zo is ook het knielen bij de consecratie (tenzij ik ziek ben) van belang. In het westen is dit een lichamelijke handeling van aanbidding die ons nederig maakt voor onze Heer en God. Het is in zichzelf een gebedshandeling. Waar knielen en buigen uit de liturgie zijn verdwenen moeten ze worden teruggebracht, in het bijzonder in verband met het ontvangen van onze Heer in de heilige communie. Beste priesters, vorm uw mensen, waar mogelijk en met pastorale prudentie, zoals ik eerder zei, in deze prachtige handeling van aanbidding en liefde. Laat ons wederom neerknielen in aanbidding en liefde voor de Eucharistische Heer!

In verband met het geknield ontvangen van de heilige communie  wil ik verwijzen naar de brief van de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Regeling van de Sacramenten uit 2002, die duidelijk maakt dat “elke weigering van de Heilige Communie aan één van de gelovigen op basis van zijn of haar knielende houding is een ernstige overtreding van één van de meest fundamentele rechten van de christengelovigen” (Brief, 1 juli 2002, Notitiae, n. 437, nov-dec 2002, p. 583).

Het correct kleden van alle liturgische bedienaren op het priesterkoor, inclusief de lectoren, is ook van groot belang, wil dit dienstwerk als authentiek beschouwd worden en wil het uitgevoerd worden met het decorum passend bij de heilige liturgie – ook de bedienaren zelf dienen de juiste eerbied te tonen voor de mysteries die zij toedienen.

Dit zijn enkele voorstellen: ik ben er zeker van dat er vele andere gedaan kunnen worden. Ik leg ze u voor als mogelijke manieren om verder te gaan naar “de juiste manier om de liturgie innerlijk en uiterlijk te vieren”, dat natuurlijk het verlangen was dat Kardinaal Ratzinger aan het begin van zijn grootse werk, De Geest van de Liturgie, uitdrukte (Joseph Ratzinger, Theology of the Liturgy, Collected Works vol. 11, Ignatius Press, San Francisco 2014, p. 4). Ik moedig u aan om alles te doen dat u kunt om dit doel te realiseren, dat volledig in overeenstemming is met dat van de Constitutie over de Heilige Liturgie van het Tweede Vaticaans Concilie.

 

 

Deacons to Priests, four cardinals move up the ranks

(Note: This post has been edited after publication to correct some information about the office of Cardinal Protodeacon).

Just like he did almost exactly two years ago, Pope Francis promoted four Cardinal Deacons to the rank of Cardinal Priests. This is a right that cardinal have ten years after their creation, and while it does not mean any change in their rights and duties, it is a change in their position among their brother cardinals. Whereas the cardinal deacons rank below the cardinal priests, the newly promoted cardinals now take their place among those cardinals priests created in the same consistory as they were, according to the order in which they were announced.

This time around, four of the five cardinal deacons created in Pope Benedict XVI´s first consistory are elevated. The fifth, Agostino Vallini, was already promoted in 2009, following his appointment as vicar general for Rome a few months before.

The new cardinal deacons all keep their titular deaconries, the churches in Rome which they ceremonially head to reflect their basis in the clergy of Rome, which now become cardinal titles for the duration of the cardinals’ lives. The promoted cardinals, retired all, are William Cardinal Levada, Archbishop emeritus of San Francisco and Prefect emeritus of the Congregation for the Doctrine of the Faith; Franc Cardinal Rode, Archbishop emeritus of Ljubljana and Prefect emeritus of Congregation for Institutes of Consecrated Life and Societies of Apostolic Life; Andrea Cardinal Cordero Lanza Di Montezemolo, Archpriest emeritus of the Papal Basilica of St. Paul Outside-the-Walls; and Albert Cardinal Vanhoye, Secretary emeritus of the Pontifical Biblical Commission.

levadarodecorderovanhoye

There are no practical changes that come out of these promotions. It is interesting to see that, although cardinal deacons are habitually promoted ten years after their creation (the most senior “class” now being that of November 2007), one cardinal deacon remains behind. He is Cardinal Renato Martino, created in Saint John Paul II’s last conclave of  October 2003. He is the most senior cardinal deacon and is thus the cardinal protodeacon. His most visible duty is the Habemus Papam following the election of a new Pope. In the past I had suggested that this is a duty only open to cardinal electors, but I was recently corrected about this.  Cardinal Martino would be free to pass on this duty to the next senior cardinal deacon if he is, for whatever reason, not up to it (he is 83, after all). The next cardinal deacon in line in 72-year-old Leonardi Sandri, the Prefect of the Congregation for the Oriental Churches.

Three years of Pope Francis – years of continuity of rupture?

Pope-Francis

^Three years ago tomorrow, the world’s first look at Pope Francis

Tomorrow marks the third anniversary of the election of Pope Francis. Time flies. And of course, countless commentators are picking their high and low points from these past years.  And it amazes me how much opposition the Holy Father still faces, especially in online Catholic media. And I know, that can’t be taken as an accurate reflection of the Catholic world as a whole, but this is communication, and there volume sometimes matters as much as accuracy and perhaps more than representation. It’s not nice, but there you have it.

In these comments, and not just those that specifically aim to give an overview of this pontificate, an artificial opposition between Pope Benedict XVI and Pope Francis is strikingly noticable. Pope Benedict said, this, taught that, and now Pope Francis says something else and teaches another thing, so the commentary goes. The implication being that what Pope Francis is saying, doing and emphasising is somehow contrary to the things Pope Benedict focussed on, and some even go so far as to call the current pontiff a heretic because of this preceived discrepancy. A careful reader of what Pope Francis says (and yes, I admit, a careful reading of his remarks, especially the off-the-cuff ones, can be a challenge), knows that this is not the case. Not only are the two pontiffs in agreement with each other when it comes to the content of the faith, the differences in their focus is also not as large as some would have us think.

A fair few number of people lament the fact that Pope Francis emphasises mercy, care for the poor and creation and the economic inequality that seems an innate element of western capitalist societies. These are not really Catholic topics, they say, and the Pope should devote more time and focus on catechesis, liturgy, prayer, truth as revealed to us in the Gospels. But do these things suddenly no longer matter or exist, just because this Pope speaks about them less or in another way than his predecessor? Of course not. The Catholic Church consists of more than just the Pope, and we all share the same responsibility as he does: to proclaim the faith and defend it, to teach it, celebrate it properly and let it shine through in every part of our being and lives. Maybe we should talk less about what the Pope should say and say and do some things ourselves.

Sure, one may prefer one Pope over the other, but just because ‘your Pope’ has passed away or retired, his teachings have not. St. John Paul II’s teachings about the family and Pope Benedict XVI’s words about liturgy and truth remain as valid and valuable as Pope Francis’ attention to mercy and the environment. The different topics and emphases should not automatically be considered as contrary, but as in continuity. Pope Francis does not suddenly disregared his predecessors’ teachings simply because he speaks about something else. Neither should we.

In surprising move, Bishop de Korte goes south

It was one of the more unexpected choices, and for the new bishop the change will be big in several ways: he goes from the north to the south of the country, from a diocese with few Catholics to one with many, from a part of the country where people are fairly down to earth, to one where the Dutch concept of ‘gezelligheid’ has a natural home and where people are sometimes brutally honest. It will be interesting to see what bishop and diocese bring each other.

Mgr. Hurkmans en Mgr. de Korte
Bishop Hurkmans and his successor, Bishop de Korte

The new bishop of ‘s-Hertogenbosch is 60-year-old Gerard de Korte, until today the bishop of Groningen-Leeuwarden. And this scribe’s bishop at that. In yesterday’s blog post I already characterised Bishop de Korte as a popular shepherd. He is personable, interested, with a keen sense of the hearts and minds of other people. That makes him well suited to represent the Catholic Church in relations with other Christians, a talent he has made one of the focal points of his mission. In Groningen-Leeuwarden, such ecumenical effort is a necessity and a value. How it will take shape in ‘s-Hertogenbosch will be very interesting to see.

In a message leaked prematurely via Twitter, Bishop Hurkmans congratulated Bishop de Korte, and expresses a few wishes to him and the faithful of ‘s-Hertogenbosch:

bisschop Hurkmans“I wish very much that you, as a society, may live in confidence with the new bishop. You and I, we, live in a time of many and great changes. Especially now it is good to stand on the solid ground the faith offers us. God is our Creator and Father. He wanted all of us and included us in His plan of love.

Secondly, I wish for you all that you may remain hopeful with the new bishop. Evil and death are in the way of us all. They supplant hope. Jesus Christ broke the power of sin and opened the way to life. We celebrate this in the Eucharist and from it we draw hope every time. With that, as a new community around Christ, we can be a sign of hope in our society.

Lastly, I wish for the new bishop and you all to remain in love. That this may be the basis of your life. The Holy Spirit lives in us. He plants love in us and continuously strengthens the divine life. This makes love bloom in us. Love can reinforce our community. Love will let us live for each other in the Church and in the world.

Remaining in faith, hope and love is more than guaranteed when we participate in unity in a healthy life of the Church. I gladly wish Msgr. Gerard de Korte people who say yes to their vocation to the priesthood, the diaconate and the religious life, people who will work with him in the life of the Church, people who make the Church present in the world. People who support him in his prayer and proclamation, on being close to people and managing the diocese.”

Bishop Hurmans, now bishop emeritus, closes with a word of gratitude, despite beginning his letter by saying that he has said enough about his retirement.

“I thank you all for the faith, the hope and the love which I was able to keep among you. I hope to be able to be a witness of that in a simple way, trusting in the Sweet Mother of Den Bosch and living from the Holy Eucharist, until my death.”

duzijn jellema ordinationBishop de Korte has been the bishop of Groningen-Leeuwarden since 2008. Before that, from 2001 to 2008, he was auxiliary bishop of Utrecht, where he also worked as a priest since his ordination in 1987. He is a historian and served as seminary rector before his appointment as bishop. In Groningen-Leeuwarden he was a bishop on the road, travelling to every corner and sharing the major celebrations of Easter and Christmas between the cathedral in Groningen and the church of St. Boniface in Leeuwarden. Ordinations were also shared between the two cities: those of deacons, as pictured at left, in Leeuwarden, and priests in Groningen. He leaves a diocese in the midst of the greatest reorganisation in recent history: the reduction of its 84 parishes to 19. May the vacancy of the seat in St. Joseph’s cathedral in Groningen be a short one.

In my blog, Bishop de Korte has made frequent appearances, and translations of his writing may be found via the tag cloud in the left sidebar. Just click on the tag ‘Bishop Gerard de Korte’.

Despite the appointment coming before Easter, Bishop de Korte will mark the Church’s  greatest week in Groningen-Leeuwarden. His installation in ‘s-Hertogenbosch’s Cathedral Basilica of St. John the Evangelist will follow on 14 May.

In hindsight, this was perhaps the most Franciscan option in the Netherlands. Bishop de Korte fits the profile of what Pope Francis wants in a bishop (although other bishops are often unfairly depicted as being in opposition to the Holy Father): an open communicator, close to the people, a shepherd who smells like the sheep. These qualities may go a long way in resolving the polarisation that plagues parts of the Diocese of ‘s-Hertogenbosch. In recent years more than one community has broken with the diocese, and the person and approach of Bishop de Korte, a man of dialogue and a strong voice against hate and distrust, may go a long way in setting them back on a course towards reconciliation.

864x486
Bishop de Korte at an interfaith meeting against hate and racism in 2014.

 In his new diocese, Bishop de Korte will undoubtedly continue to stress the importance of catechesis. Back in 2012 he said, “It may sound dramatic, but I sometimes feel that only a great catechetical offensive can secure Catholicism in our country. Without it, the strength of our faith seems to continue to weaken and Catholics become more and more religious humanists for whom important aspects of classic Catholicism have become unfamiliar.” Other emphases of his new task will be ecumenism, religious life and active Catholic communities.

de korte eijkIn the Dutch Bishops’ Conference this appointment does not change much, although several commentators have chosen to see it as a blow for Cardinal Eijk, outgoing president and predecessor of Bishop de Korte in Groningen. The two prelates have not always seen eye to eye, and they have clashed on occasion, although how much actual truth there is behind the rumours will probably remain guesswork. In the conference, Bishop de Korte retains his one voice, and continues to hold the portfolios that formulate Church relations with the elderly, women and society. Actual change will only occur when a new bishop is appointed for Groningen-Leeuwarden, and perhaps not even then: if the new ordinary up north is one of the current auxiliary bishops in the country, the composition of the bishops’ conference remains the same as it is now.

Now, we could make the assumption that Cardinal Eijk would have liked to see a bishop in ‘s-Hertogenbosch who was more in line with himself, but that is guesswork. And besides, as I have pointed out before, the cardinal and the bishop may have different personalities and talents, their policies (for example, about the closing of churches and merging of parishes) are not always all that different.

In recent years, Bishop de Korte has appeared as the voice of the bishops’ conference, especially in the wake of the abuse crisis. This will not change, I imagine, even if the crisis has abated somewhat. Although the bishops in general remain hesitant to embrace the resources of the media, Bishop de Korte is the one whose face and name appears most frequently. He is a blogger on the diocesan website, writes books and articles and even appears on television every now and then. This is something that he should continue to do so: he is well-liked by many in and outside the Church, and knows how to communicate to both. And that is a value we need in our Church today.

More to come.

Photo credit: [1] ANP RAMON MANGOLD, [2] Roy Lazet, [3] Leeuwarder Courant, [4], ANP, [5] edited by author